RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/790455 / JE RK 26-566
Datum uitspraak: 16 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te [locatie],
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. S. Toughza uit Amsterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juli 2026;
de brief met bijlagen van de GI van 9 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam], vertegenwoordiger van de GI.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 september 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek onder meer het volgende aangevoerd. [minderjarige] ziet haar vader sinds februari 2025 eens in de twee weken in het weekend. [minderjarige] heeft altijd aangegeven haar vader graag te willen zien en de moeder ondersteunt haar daarin. De omgangsregeling verloopt momenteel goed. Ouders zijn beide gemotiveerd om het een succes te laten worden. Er is PTSS bij [minderjarige] vastgesteld, voortgekomen uit huiselijk geweld. [minderjarige] heeft therapie gehad in het kader van traumaverwerking. Het gaat op dit moment goed met [minderjarige]. Ze is bevorderd naar groep zes, heeft een lovend rapport ontvangen, en ze heeft veel vriendinnen. Wel voert zij momenteel opnieuw therapeutische gesprekken omdat ze zelf aangeeft daar behoefte aan te hebben. De vader is hier echter geen voorstander van.
De afgelopen periode van de ondertoezichtstelling is ingezet op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders. Dit heeft een ouderschapsplan opgeleverd, maar op enkele belangrijke punten is nog geen overeenstemming. Dit gaat over de kosten voor zwemles en kickboksen en over de vraag wie er verantwoordelijk is voor de zorg voor [minderjarige] als ze ziek is of als de vader ziek is. [minderjarige] zit dan ook nog steeds knel tussen twee ouders die gescheiden zijn en geen directe communicatie met elkaar hebben. Voor [minderjarige] zou het het beste zijn als haar ouders direct met elkaar communiceren en zaken over de opvoeding op rustige en vredige wijze met elkaar afstemmen.
Op grond van bovenstaande concludeert de GI dat er nog sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] en dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd. Doelen waar nog aan gewerkt moet worden is het voortzetten van de therapie voor [minderjarige] en volledige overeenstemming bereiken over het ouderschapsplan.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling. De communicatie met de vader verloopt zeer moeizaam en de huidige communicatieproblemen maken dat een passende afstemming tussen de ouders ontbreekt. Het is van belang dat ziekte van de vader tijdig wordt gemeld, zodat de moeder daar rekening mee kan houden. De moeder vreest dat, indien dit onderwerp te uitgebreid in het ouderschapsplan wordt vastgelegd, ook bij lichte klachten discussie kan ontstaan. Er is op dit moment een ouderschapsplan, maar de vraag is hoe de uitvoering daarvan in de praktijk zal verlopen. Ondersteuning vanuit de GI is nodig, omdat de uitvoering van de afspraken moeizaam verloopt en er weinig in oplossingen wordt gedacht. Betere onderlinge communicatie is noodzakelijk.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij het ouderschapsplan in grote lijnen onderschrijft, maar dat hij bezwaar heeft tegen afspraken over het ophalen van [minderjarige] in geval van ziekte. Als hij ziek is, kan hij [minderjarige] niet ophalen. De vader heeft het gevoel dat er steeds opnieuw problemen worden gemaakt. Daarnaast heeft de vader naar voren gebracht dat hij geen noodzaak ziet in therapie voor [minderjarige], omdat het goed met haar gaat en zij blij is. Hij heeft zich afgevraagd of er wel wordt gekeken naar de feitelijke situatie in plaats van alleen naar de stukken. De verstandhouding tussen de ouders zal volgens hem niet meer verbeteren. De vader heeft benadrukt dat hij ook een eigen leven en een ander gezin heeft, en dat hij niet steeds alles opzij kan zetten in verband met deze kwestie. Volgens de vader moet worden onderkend dat [minderjarige] bij de moeder woont en dat de verantwoordelijkheid daarvoor in beginsel ook bij haar ligt.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] nog steeds in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Er is weliswaar sprake van een positieve ontwikkeling, zoals het opgestelde ouderschapsplan, maar het is van belang dat de nog bestaande losse eindjes in het ouderschapsplan verder worden uitgewerkt en dat de afspraken tussen de ouders nader worden verduidelijkt. Daarbij gaat het in het bijzonder om de regeling rondom ziekte en de praktische uitvoering daarvan. De kinderrechter begrijpt dat de vader zich op dit punt gehoord wil voelen, maar benadrukt ook dat van beide ouders wordt verwacht dat zij in het belang van [minderjarige] blijven investeren in een werkbare vorm van communicatie en onderlinge afstemming. De kinderrechter ziet dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt en dat dit veel van hen vraagt. Tegelijkertijd is van belang dat zij, ook als zaken niet altijd eerlijk of logisch aanvoelen, in het belang van [minderjarige] blijven handelen en proberen afspraken te maken en na te komen. Het is van groot belang dat [minderjarige] zich onbezorgd en evenwichtig kan blijven ontwikkelen en het vrolijke meisje kan blijven dat zij nu is.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Zoals nader uitgewerkt in het plan van aanpak dient in het kader van de ondertoezichtstelling aan de volgende doelen gewerkt te worden:
[minderjarige] heeft een veilige en fijne band met beide ouders en heeft geen last van ouderproblematiek en huiselijk geweld. Ouders geven (het gevoel van) toestemming om met deze familieleden contact te hebben;
Er komt volledige overeenstemming over het ouderschapsplan;
[minderjarige] maakt een gezonde (seksuele) ontwikkeling door. [minderjarige] ontvangt hulp om de trauma's van het huiselijk geweld en eventuele andere impactvolle levensgebeurtenissen een plekje te kunnen geven.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 26 september 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 door mr. E.M. Devis, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N. Entius als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026. De beschikking is, bij afwezigheid van mr. E.M. Devis, ondertekend door mr. J.P.C. van Dam van Isselt.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.