RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-113714-26
Datum uitspraak: 29 oktober 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 10 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 maart 2026 door the Municipal State Attorney's Office in Rijeka, Kroatië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 15 september 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 september 2026 in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 29 september 2026
Bij deze tussenuitspraak is het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak genoemde vraag in het kader van artikel 11 OLW voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank heeft de beslistermijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 13 oktober 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.I.P Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.J.W.F. Segeren, waarnemend voor haar kantoorgenoot mr. M.A.M. Pijnenburg, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en aansluitend tussenuitspraak gedaan.
De tussenuitspraak van 13 oktober 2026
Bij deze tussenuitspraak is het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de garantie dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan als hij na overlevering in Kroatië wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, te verkrijgen.
De zitting van 21 oktober 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.M. Pijnenburg en door een tolk in de Poolse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 29 september 2026
De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 29 september 2026 al is geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (onder 3) en over de (dubbele) strafbaarheid van het feit waarvan de opgeëiste persoon in Kroatië wordt verdacht (onder 4). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen en geoordeeld, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Inleiding
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van
artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijfjaar ononderbroken rechtmatig in Nederland
als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en 1, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van
verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of
maatregel.
De rechtbank verwijst in dit kader naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 13 oktober 2026, waarin is geoordeeld dat aan beide voorwaarden is voldaan en dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Voorts is overwogen dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Kroatië. De overwegingen uit voornoemde tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag uitzitten als hij na overlevering in Kroatië wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
Op 8 september 2026 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:
“It is noted that Mr [de opgeëiste persoon] has been in the Netherlands for more than 10 years, which means that he is considered equivalent to a Dutch national according to Dutch law.
As a consequence, pursuant to Article 5, paragraph 3 of the Framework Decision on the European Arrest Warrant (2002/584/JHA), and article 6, paragraph 1 of the Dutch Surrender Act, the surrender may only be authorized after it can be guaranteed that, in case the wanted person after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Croatia, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ). We kindly request this return guarantee.”
Op 16 oktober 2026 heeft the Head of Sector for Mutual Legal Assistance and Judicial Cooperation with EU Member States van the Ministry of Justice de volgende informatie verstrekt:
“(…) we hereby provide the requested guarantee:
The Ministry of Justice, Public Administration and Digital Transformation guarantees that domestic courts - pursuant to the provisions of the Act on Judicial Cooperation in Criminal Matters with Member States of the European Uni on (Official Gazette no. 86/26)- will respect the decision of the competent judicial authority of the Kingdom of the Netherlands, which shall be rendered in the surrender proceedings concerning the accused [de opgeëiste persoon] in accordance with Article 5 of the Framework Decision on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States (2002/584/JHA). Furthermore, should a final judgment be rendered against the requested person [de opgeëiste persoon] in the Republic of Croatia, sentencing him to a term of imprisonment, the domestic courts undertake to carry out the procedure for his transfer to the Kingdom of the Netherlands, in accordance with the procedure prescribed by the Framework Decision on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union (2008/909/JHA), provided that the conditions set out in Article 25 of the aforementioned Framework Decision are met.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Weliswaar is er een stuk verstrekt waaruit een intentie kan worden afgeleid om de opgeëiste persoon, mocht hij worden veroordeeld, in de gelegenheid te stellen zijn straf in Nederland uit te zitten, maar er is geen sprake van een concrete expliciete toezegging. De raadsman heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank van 2 oktober 2025 waarin de rechtbank overwoog dat een dergelijke concrete expliciete toezegging nodig was. Bovendien ontbreekt in de verstrekte informatie de koppeling naar het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. In de verstrekte informatie wordt de opgeëiste persoon met naam genoemd. Deze informatie in samenhang gelezen met de door het IRC gestelde vragen, geeft de garantie dat de opgeëiste persoon, als hij in Kroatië tot een vrijheidsstraf worden veroordeeld, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Oordeel van de rechtbank
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat met de verstrekte informatie, in combinatie gelezen met de door het IRC gestelde vraag, gegarandeerd wordt dat, mocht de opgeëiste persoon in Kroatië worden veroordeeld tot een gevangenisstraf, hij deze straf in Nederland kan ondergaan. Dat in deze garantie geen koppeling met het EAB wordt gemaakt, doet daar niet af. Een dergelijke koppeling is namelijk niet nodig, nu in de verstrekte informatie expliciet de naam van de opgeëiste persoon is vermeld en verwezen wordt naar Kaderbesluit 2002/584/JHA.
De rechtbank acht de verstrekte terugkeergarantie dan ook als voldoende en verwerpt het verweer van de raadsman.
5. Artikel 11 OLW: Kroatische detentieomstandigheden
In zijn arrest van 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).
In de tussenuitspraak van 13 oktober 2026 (onder 5) heeft de rechtbank overwogen dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat, nu het algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden dat ten aanzien van Zagreb Remand Prison is aangenomen, door de verstrekte detentiegarantie, waarin expliciet is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet in Zagreb Remand Prison terecht zal komen, voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Bij een eerder schrijven van 23 juli 2026 hebben de Kroatische autoriteiten onder meer het volgende meegedeeld
“(…) we hereby inform you that (…) upon locating the defendant [de opgeëiste persoon] , he should be taken to the pre-trial detention centre of the Rijeka Prison (Republic of Croatia)”
De rechtbank overweegt dat zij gelet op het arrest Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) van het Hof van Justitie uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. Gelet op de informatie van 23 juli 2026 zal de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst in Rijeka Prison.
De rechtbank heeft onlangs ambtshalve kennisgenomen van een rapport van de Kroatische Ombudsman van maart 2026 via een andere zaak waarin de overlevering van een opgeëiste persoon aan Kroatië is verzocht. In die zaak zou de opgeëiste persoon na overlevering aan Kroatië ook naar alle waarschijnlijkheid in Rijeka Prison worden geplaatst.
Dit rapport is weliswaar opgemaakt in de Kroatische taal en een vertaling daarvan ontbreekt nog, maar ook zonder vertaling kan uit pagina 327 van dit rapport worden opgemaakt dat in het jaar 2025 in Rijeka Prison sprake was van (substantiële) overbevolking aangezien de bezettingsgraad 159% bedroeg.
De ambtshalve kennisname van deze informatie vormt voor de rechtbank aanleiding om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheid dat voor gedetineerden in Rijeka Prison een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Omdat de rechtbank kennis heeft genomen van het rapport van de Kroatische Ombudsman nadat het onderzoek ter zitting van 21 oktober 2026 was gesloten, zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aanhouden om een vertaling op te (laten) vragen van hoofdstuk 4 van het voormeld rapport, dat, naar de rechtbank begrijpt, ziet op (onder andere) de rechten van personen die in Kroatië van hun vrijheid zijn beroofd. Op een volgende zitting bestaat voor de raadsman en de officier van justitie vervolgens de mogelijkheid om op het vertaalde deel van het rapport te reageren en zo nodig naar aanleiding daarvan standpunten in te nemen.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen, loopt na de verlenging ter zitting af op 2 november 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b en vijfde lid, OLW de beslistermijn verlengen met 30 dagen onder gelijktijdige verlenging van de geschorste vrijheidsbeneming met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
6. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om het onder 5 geformuleerde stuk te laten vertalen.
BEPAALT dat de zaak in de periode tussen 12 november 2026 en 18 november 2026 weer op zitting wordt gepland;
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid en onder b, en vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.B.M. Wijnveldt en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.