RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.305636.25
Datum uitspraak: 29 oktober 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
ter terechtzitting opgegeven adres:
[adres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 15 oktober 2026.
De zaak tegen de verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen de verdachte met parketnummer 13.305313.25.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Grünfeld en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.A.Th. Lemmers, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad), mevrouw [naam 2] , namens Jeugdbescherming regio Amsterdam (hierna JBRA) en door de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.
Mr. A.L. Louwerse, waarnemend voor mr. L. Korfker, heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] toegelicht.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij/slachtoffer] , in vereniging gepleegd op 12 november 2025 in Amsterdam;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het dwingen van [benadeelde partij/slachtoffer] iets te doen, niet te doen en/of te dulden, in vereniging gepleegd op 12 november 2025 in Amsterdam;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van een telefoon van [benadeelde partij/slachtoffer] , in vereniging gepleegd op 12 november 2025 in Amsterdam;
ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
primair poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij/slachtoffer] , in vereniging gepleegd op 12 november 2025 in Amsterdam,
subsidiair ten laste gelegd als mishandeling.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ook ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle primair) ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van feit 1 en feit 2.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Het handelen van de verdachte was immers niet gericht op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de telefoon, maar op het vernielen daarvan en met name op het vernederen van het slachtoffer.
Wat betreft het onder feit 4 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een poging tot zware mishandeling. Zij heeft daarom vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde en zich ten aanzien van het subsidiaire feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring feiten 1 en 2
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten onder 1 en 2 bewezen. De verdachte heeft de feiten grotendeels bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen.
Partiële vrijspraak feit 3
Uit de bewijsmiddelen, waaronder de aangifte, de verklaringen van de verdachte en de medeverdachten, blijkt dat de telefoon van het slachtoffer uit zijn zak is gevallen en vervolgens door de medeverdachte [medeverdachte 1] van de grond is gepakt. Uit chatgesprekken op de telefoon van deze medeverdachte blijkt voorts dat hij en de verdachte die telefoon uiteindelijk in het water hebben gegooid. Anders dan door de raadsvrouw is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat daarbij sprake is geweest van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en dat daarmee de diefstal van de telefoon is bewezen. De rechtbank overweegt daartoe dat onder wederrechtelijkheid bij diefstal moet worden verstaan dat zonder toestemming van de rechthebbende wordt gehandeld. Vaststaat dat de verdachten geen toestemming hadden tot het wegnemen van de telefoon, dat zij daarover als heer en meester hebben beschikt en aldus hebben gehandeld met het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening. Dat de telefoon niet is weggenomen met het doel deze voor henzelf te houden, doet daaraan niet af.
De rechtbank is van oordeel dat het bestanddeel van de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 dat ziet op het geweld dan wel bedreiging met geweld niet kan worden bewezen omdat niet blijkt dat het uitgeoefende geweld ten dienste stond van de diefstal. De verdachte zal van dit onderdeel partieel worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring feit 4 primair
Anders dan door de raadsvrouw is bepleit, acht de rechtbank op grond van de aangifte, de verklaringen van de verdachte en de medeverdachten, de videobeelden, de door de verbalisanten waargenomen verwondingen en de daarvan gemaakte foto’s wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
Voor de beoordeling van een poging tot zware mishandeling is niet vereist dat zwaar lichamelijk letsel daadwerkelijk is ingetreden, maar dat de gedragingen van de verdachte naar hun aard en omstandigheden waren gericht op het veroorzaken van zulk letsel, althans dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Daarvan is hier sprake. De verdachte heeft met zijn medeverdachten tegen het lichaam van het slachtoffer geslagen, geschopt en getrapt, ook toen hij al op de grond lag. Daarnaast is een houten pallet tegen zijn bovenlichaam aangegooid en is hij met gebalde vuisten en met de onderkant van een mes op zijn hoofd geslagen. Het slachtoffer is hierbij geraakt op kwetsbare plekken, namelijk op zijn gezicht en op zijn hoofd. Deze handelingen hadden zwaar lichamelijk letsel met zich kunnen meebrengen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte
feit 1
Op 12 november 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
[benadeelde partij/slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft
gehouden, immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] gevraagd met hem, verdachte en/of zijn mededader(s) mee te
lopen en daarbij gezegd dat als hij, [benadeelde partij/slachtoffer] rustig bleef, hij veilig thuis zou komen en hem niks zou gebeuren, en vervolgens voornoemde [benadeelde partij/slachtoffer] gedwongen met hem, verdachte en/of zijn mededader(s) mee te lopen naar een box en boxgang en vervolgens
- die [benadeelde partij/slachtoffer] een mes getoond en voorgehouden en vervolgens
- die [benadeelde partij/slachtoffer] meerdere malen met kracht met gebalde vuisten en met een onderkant van een mes tegen zijn hoofd en/of lichaam geslagen en gestompt en (vervolgens)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] meerdere malen tegen zijn lichaam geschopt en/of getrapt en (vervolgens)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] zijn benen met een touw vastgebonden en (vervolgens)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] een pallet tegen zijn borst gegooid en (vervolgens)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en/of voorgehouden en/of op het lichaam gericht en/of gericht gehouden en daarbij gezegd “kleed je uit, anders ga ik je schieten” en/of "wat doe je nu, wat doe je nu, jocky uit, jocky uit, helemaal uit, je laat hem hier achter, je gaat beginnen met rennen" in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- die [benadeelde partij/slachtoffer] zijn kleding uit te laten trekken en vervolgens buiten naakt een rondje te laten rennen;
feit 2
op 12 november 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [benadeelde partij/slachtoffer] , door geweld en door bedreiging met geweld tegen
die ander, te weten [benadeelde partij/slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen en te dulden, te weten die [benadeelde partij/slachtoffer] zijn kleding te laten uit doen en door een kapot ei te laten rollen en naakt naar buiten te sturen en (vervolgens) een of meer rondjes te laten rennen en die [benadeelde partij/slachtoffer] daarbij te filmen, door
- tegen die [benadeelde partij/slachtoffer] te zeggen “kleed je uit, anders ga ik je schieten” en "wat
doe je nu, wat doe je nu, jocky uit, jocky uit, helemaal uit, je laat hem hier achter, je
gaat beginnen met rennen” en daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of voor te houden en/of op het lichaam te richten en/of gericht te houden en een mes te tonen en/of voor te houden en (vervolgens)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] meerdere malen met kracht met gebalde vuisten en met een
onderkant van een mes tegen zijn hoofd en/of lichaam te slaan en te stompen
en (vervolgens)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] meerdere malen tegen zijn lichaam te schoppen en/of te trappen en
(vervolgens)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] zijn benen met een touw vast te binden en (vervolgens)
- een pallet tegen de borst van die [benadeelde partij/slachtoffer] te gooien en (vervolgens)
- tegen die [benadeelde partij/slachtoffer] te zeggen dat hij met zijn lichaam door een kapot ei moest
rollen en dat hij naakt naar buiten moest gaan en een rondje moest rennen, in
elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
feit 3
op 12 november 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon, die geheel aan [benadeelde partij/slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 4 primair:
op 12 november 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij/slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naar voornoemde [benadeelde partij/slachtoffer] is toegegaan en (vervolgens)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] meerdere malen met kracht met gebalde vuisten en met een
onderkant van een mes tegen zijn hoofd en/of lichaam heeft geslagen en
gestompt en (vervolgens)
- die [benadeelde partij/slachtoffer] meerdere malen tegen zijn lichaam heeft geschopt en/of
getrapt en (vervolgens)
- een pallet tegen die [benadeelde partij/slachtoffer] zijn borst heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
6. Bewijs
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht.
7. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
9. Motivering van de straf
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 137 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Dit betekent dat de onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk is aan het voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden die de Raad heeft geadviseerd worden verbonden. Daarbij verzoekt de officier van justitie ook een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten op te leggen, zolang als JBRA dat nodig acht.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een werkstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen jeugddetentie, wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw kan zich vinden in de eis van de officier van justitie, maar verzoekt bij de hoogte van het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en deze daarom te matigen
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarbij hebben zij gepoogd het slachtoffer zwaar te mishandelen, onder meer door hem te slaan met de onderkant van een mes, hem te stompen op zijn hoofd, hem meermalen te trappen en te schoppen en door een pallet tegen zijn bovenlichaam te gooien. Daarnaast is aan het slachtoffer een mes en een nepvuurwapen getoond. Ook hebben zij de telefoon van het slachtoffer weggenomen. Op enig moment hebben zij het slachtoffer gedwongen om door een stukgegooid ei te rollen, zich uit te kleden en naakt buiten een rondje te rennen. Uiteindelijk wist hij hierdoor aan de verdachten te ontkomen. Wat het slachtoffer is aangedaan, heeft een sterk vernederend karakter. Bovenstaande werd bovendien gefilmd en ging gepaard met nare opmerkingen en gelach van de verdachten. Dat moet voor het slachtoffer, die op dat moment veertien jaar oud was, bijzonder vernederend zijn geweest. Dat het erg beangstigend is geweest, is duidelijk aan de reactie van het slachtoffer op de beelden te zien. Vervolgens zijn deze filmpjes op social media verspreid, zodat dit alles voor een groter publiek zichtbaar is geworden. Dit soort beelden kunnen, eenmaal op internet, de aangever voor altijd blijven achtervolgen. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Ook uit de namens het slachtoffer ingediende vordering blijkt welke impact dit incident op hem heeft gehad en nog steeds heeft.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor mishandeling, bedreiging, en het bezit van slag- en stootwapens. De verdachte is toen schuldig verklaard zonder oplegging van straf.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt. Uit het psychologisch rapport van 12 februari 2026 opgemaakt door [naam 3] , GZ-psycholoog, blijkt onder meer dat er bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een ongespecificeerde psychotrauma of stressgerelateerde stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Daarbij is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben zijn gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. Een meer indirecte factor, die bij de ten laste gelegde feiten een rol speelt, is dat de verdachte beschikt over beperkte copingvaardigheden.
Hij heeft de vaardigheden niet om oplopende spanningen en conflicten op een constructieve manier op te lossen. De psycholoog adviseert om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en adviseert een stringent kader met intensieve behandeling, waarbij een lange adem nodig is. Het is belangrijk dat er binnen een behandeling aandacht is voor het uitdagen en bijsturen van de antisociale cognities, het verbeteren van de copingvaardigheden en de emotieregulatie, waarbij het zicht krijgen op de grenzen en gevoelens van anderen van belang is. Daarbij werd opgemerkt dat de motivatie voor gedragsverandering nog niet bij de verdachte was geïnternaliseerd. De psycholoog adviseert om de bovengenoemde behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Hierbij wordt meegewogen dat de verdachte binnen de huidige begeleidingssetting een voorzichtige positieve ontwikkeling laat zien en zich aan de voorwaarden houdt.
De Raad heeft een rapport van 26 augustus 2026 over de verdachte opgesteld en schrijft —
samengevat — dat er met name risico's naar voren komen op de leefgebieden geestelijke gezondheid en houding. De verdachte is gediagnosticeerd met gedragsproblematiek. Een aantal jaar geleden had hij regelmatig negatieve gedachten. Inmiddels zegt hij deze gedachten niet meer te hebben en voelt hij zich rustiger. Hij heeft dagbesteding waar hij het naar zijn zin heeft, heeft afstand genomen van antisociale leeftijdsgenoten en rookt minder joints. Daarnaast is hij aangemeld voor MDFT (Multidimensionale Familietherapie), dat naar verwachting in september 2026 start, en zal waarschijnlijk ook PMT (Psychomotorische Therapie) volgen. De Raad heeft schriftelijk geadviseerd de verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, als bijzondere voorwaarden dat hij meewerkt aan een plaatsing, meewerkt aan MDFT, meewerkt aan individuele hulpverlening, meewerkt aan het behouden van dagbesteding en meewerkt aan de verdere hulpverlening die JBRA nodig acht. Ter zitting heeft de deskundige van de Raad naar voren gebracht dat de verdenking zeer ernstig is maar geadviseerd de verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan de duur van het voorarrest op te leggen, omdat hij wil meewerken aan hulp en de focus nu ligt op het op gang brengen van die hulp. Wel acht de Raad het wenselijk dat op de verdenking een directe reactie volgt, bij voorkeur in de vorm van een werkstraf. De schriftelijk geadviseerde voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden blijft daarbij volgens de Raad passend.
De deskundige vanuit JBRA heeft zich ter zitting aangesloten bij het advies van de Raad en toegelicht dat sinds de onderhavige verdenking een verandering bij de verdachte zichtbaar is, in die zin dat hij aangeeft dat het anders moet. Voor de verdachte zijn dit grote stappen. Uit het persoonlijkheidsonderzoek zijn aanknopingspunten gekomen, waarbij met name emotieregulatie en agressieregulatie aandacht vragen om het recidiverisico te beperken. Aankomende maandag start de PMT en daarop zal worden voortgebouwd. Daarnaast blijft de verdachte 1-op-1 begeleiding ontvangen vanuit Levvel.
De moeder heeft ter zitting aangegeven dat de verdachte een ommekeer heeft gemaakt en dat hij nu ook kan kijken naar zijn eigen gedrag en zijn eigen aandeel. De moeder ziet daarin een motivatie om aan alle hulpverlening mee te werken.
De straf
In principe is de rechtbank van oordeel dat bij zulke ernstige bewezenverklaarde feiten een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor langere duur dan de verdachte heeft vastgezeten passend en geboden is. In de persoon van de verdachte ziet de rechtbank echter aanleiding om het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie gelijk te stellen aan de tijd die de verdachte al vast heeft gezeten en de verdachte een lange voorwaardelijke jeugddetentie met stevige voorwaarden op te leggen. De rechtbank acht het namelijk van groter belang dat gewerkt gaat worden aan het verlagen van het recidiverisico en daarin is de geadviseerde hulpverlening noodzakelijk.
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, dat een jeugddetentie van 180 dagen passend en geboden is. De tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dient bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank zal 137 dagen niet ten uitvoer leggen, tenzij later anders wordt gelast, met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals de Raad die heeft geadviseerd. Daarbij legt de rechtbank als bijzondere voorwaarde ook een contactverbod op met het slachtoffer en de medeverdachten, zolang als JBRA dat nodig acht. De rechtbank acht het daarnaast van belang, in lijn met de adviezen van de deskundigen, dat ook nog een directe reactie volgt op het handelen van de verdachte, in de vorm van een werkstraf. Zij zal daarom aan de verdachte, conform de eis van de officier van justitie, een werkstraf voor de duur van 180 uren opleggen.
10. Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het in beslag genomen telefoontoestel en vuurwerk onttrokken dienen te worden aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het beslag geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslag genomen vuurwerk onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Het telefoontoestel zal verbeurd worden verklaard, nu dit voorwerp betrekking heeft op het strafbare feit. Er zijn immers beelden van de strafbare feiten op het toestel aangetroffen.
11. Vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] vordert € 170,- aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling verzocht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat € 8.000,- aan immateriële schadevergoeding redelijk is. Gelet op het vonnis in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] , waarin is overwogen dat hij een kleiner aandeel had en een bedrag van € 2.000,- is opgelegd, is de officier van justitie van mening dat in deze zaak een bedrag van € 6.000,- toewijsbaar is, waarbij rekening wordt gehouden met de grotere rol van de verdachte. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiele schade van de jas toewijsbaar is, zodat wordt verzocht in totaal een bedrag van € 6.170,- toe te wijzen. De officier van justitie verzoekt dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij aangevoerd dat de Rotterdamse schaal slechts een indicatie vormt en dat alle omstandigheden van het geval dienen te worden betrokken, waaronder de minderjarige leeftijd van de verdachte, de groepsdynamiek waarin de verdachte is meegesleept en het gegeven dat hij geen vuurwapen heeft getrokken of gebruikt. Ook heeft zij aangevoerd dat de hoofdelijkheid ertoe kan leiden dat het volledige bedrag alsnog bij één verdachte wordt verhaald indien een ander niet betaalt, en dat dit aanleiding geeft om het bedrag verder te matigen en niet hoofdelijk op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat de verdachte samen met de medeverdachten de benadeelde wederrechtelijk van zijn vrijheid hebben beroofd, gepoogd hebben hem zwaar te mishandelen, hem hebben gedwongen zich uit te kleden, hem door een stukgegooid ei te laten rollen en naakt buiten te rennen. Door hem te filmen en deze filmpjes via sociale media te delen is de benadeelde ontzettend vernederd. Daarmee is een ernstige inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is sprake van een zodanige ernstige normschending dat het voor de hand ligt dat het handelen van de verdachte een dermate grote impact op het slachtoffer heeft gehad dat sprake is van aantasting in de persoon. Dit blijkt ook uit de toelichting bij de vordering.
Verder is de hoogte van de vordering betwist. Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding maakt de rechtbank gebruik van de Rotterdamse Schaal. De rechtbank ziet op grond van hoofdstuk 19.2 ‘vrijheidsberoving’ aanleiding om aansluiting te zoeken bij hoofdstuk 19.1 ‘bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing’ in de categorie (a) ‘meest ernstig’, waarvoor een bandbreedte geldt van € 3.000,- euro tot € 8.000,- euro. Bij het bepalen van de omvang van de immateriële schade is met name het vernederende karakter voor de jonge benadeelde zwaar meegewogen. Na weging van alle relevante feiten en omstandigheden, acht de rechtbank een bedrag van in totaal € 6.000,- billijk. Nu de medeverdachte [medeverdachte 2] bij vonnis van 1 oktober 2026 is veroordeeld tot betaling van € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding en bij dat vonnis de hoofdelijkheid niet is opgelegd, zal de rechtbank in deze zaak de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,- hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. De medeverdachte [medeverdachte 2] wordt hierbij uitgesloten van de hoofdelijkheid, nu hij reeds is veroordeeld tot betaling van € 2.000,- aan schadevergoeding en daarbij de hoofdelijkheid niet is opgelegd.
Ook staat het vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 100,- hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Er is weliswaar geen factuur overlegd, maar de kosten zijn de rechtbank aannemelijk geworden omdat vaststaat dat de jas is weggenomen. Nu de kosten voor de jas in de vordering van de benadeelde partij niet zijn onderbouwd, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en zal de waarde van de jas schatten op een bedrag van € 100,-.
De verdachte is niet gehouden tot vergoeding voor zover het toewijsbare reeds door de medeverdachte [medeverdachte 1] de benadeelde partij is voldaan.
In het belang van [benadeelde partij/slachtoffer] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepaling op 0 dagen.
De benadeelde partij zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering omdat de behandeling hiervan voor dit deel een onevenredige belasting oplevert van het strafproces. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
12. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 282, 284, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden, dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
13. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 en 2:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
en
medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en te dulden;
ten aanzien van feit 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van feit 4 primair:
medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart de verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 43 (drieënveertig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een deel van deze straf, groot 137 (honderdzevenendertig) dagen, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaar onder de algemene voorwaarde dat de
veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
[benadeelde partij/slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 1] , tenzij dit contact geldt in het kader van een mediationtraject, indien het slachtoffer daarvoor openstaat;
[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] , voor zolang dit door JBRA noodzakelijk wordt geacht;
[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 3] , voor zolang dit door JBRA noodzakelijk wordt geacht.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming regio Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van de hierboven opgelegde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren.
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer: het vuurwerk (goednummers G6736285 en G6736287)
Verklaart verbeurd: het telefoontoestel (goednummer G6736275).
Benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer]
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] tot een bedrag van € 100,- (honderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 november 2025 tot aan de dag waarop het bedrag is voldaan.
Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van het overige niet-ontvankelijk is.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij/slachtoffer] voornoemd, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens [medeverdachte 1] is betaald.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij/slachtoffer] ter hoogte van € 4.100,- (vierduizendhonderd euro). Voornoemd bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat de schade is ontstaan tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.E. Has, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. I.M. Nusselder en M.J. Wiersma, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Entius, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2026.
[--]