RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-194888-26
Datum uitspraak: 29 oktober 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 23 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2020 door the Regional Court in Poznań, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 15 september 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 29 september 2026
De rechtbank heeft op 29 september 2026 een tussenuitspraak gedaan. Daarbij heeft zij het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aanvullende vraag te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden.
Zitting van 15 oktober 2026
Op de zitting van 15 oktober 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
2. 2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 29 september 2026
De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 29 september 2026 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 4), de strafbaarheid (onder 5) en artikel 11, voor zover betrekking hebbend op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: Handvest) (onder 5) en de weigeringsgrond van artikel 13 (onder 7). Hetgeen de rechtbank daarover in de tussenuitspraak heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 29 september 2026. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de volgende vraag geformuleerd:
Hoeveel uur kan de opgeëiste persoon, gemiddeld genomen per dag, naast het uur wandelen buiten (hourly walk in fresh air), buiten zijn cel verblijven als hij aan alle overige activiteiten deelneemt?
Op 29 september 2026 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) voormelde vraag aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld.
Op 6 oktober 2026 heeft een asystent prokuratora (de rechtbank begrijpt: assistent-officier van justitie) bij het districtsparket in Poznań per mail het volgende geantwoord:
“In response to the email dated September 29, 2026, I enclose a letter from the Polish Ministry of Justice dated August 13, 2026, along with an English translation of this document; the letter indicates that, upon transfer to Poland, [de opgeëiste persoon] — currently in pre-trial detention—will be permitted to spend two hours a day outside his cell at the Poznań Remand Centre.”
Bij dit mailbericht is een brief van het Poolse Ministerie van Justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevoegd van 13 augustus 2026: deze brief is meer precies afkomstig van de Department for the Enforcement of Sentences and Probation en hier wordt onder andere het volgende vermeld:
“(…) In response to the enquiry from the Regional Public Prosecutor’s Office in Poznan dated 10th August 2026, regarding the provision of information to the Dutch authorities in the ENA case, concerning the conditions under which a person who is temporarily detained at the Poznan Remand Centre serves their sentence, I hereby respectfully present the position of the Director-General of the prison service.
As part of the cultural and educational activities organised at this facility, well-known
figures from the world of sport, authors and musicians are invited, and concerts and talks are
organised, in which temporarily detained persons may also participate. Registration for the
above-mentioned events takes place as follows: cultural and educational officers broadcast an announcement over the prison radio system regarding the date of the upcoming event, and
inmates wishing to attend report to their ward officer. Their participation in the aforementioned activities takes place whilst ensuring that individuals with known links to one another are kept separate.
In addition, the facility organises various themed competitions, in which temporarily detained persons may also take part. Sports activities for this group of detained persons take place in the common rooms of the residential units, and their duration depends on the number of people wishing to take part in this form of activity. The common rooms are equipped with table tennis tables, mattresses and wall bars. Inmates also have the option of borrowing board games for the duration of these sessions. Common-room activities are organised according to a monthly timetable drawn up by the ward supervisor.
Inmates at the Poznań Remand Centre, regardless of their legal status, may also make use of
the resources of the local library . This is done by submitting a written request to the library supervisor (or their deputies) the day before borrowing or, at the latest, on the morning of
the borrowing day, stating the reference numbers of the books selected from the list, which is
printed out and displayed on the library cupboard in each unit (in addition, every library
supervisor and ward supervisor has an up-to-date list available for inmates to consult). In
accordance with the internal regulations, book loans take place on Thursdays and Fridays. An inmate may borrow books weekly, in line with their own reading pace. After reading a book, they are required to return it to the library counter.
It should be noted that, in the case of detainees temporarily detained, all the above-mentioned activities takes place within isolation groups due to the need to ensure proper conduct of criminal proceedings.
(…)
Taking into account all the activities in which a temporarily detained person may participate (walks, baths, common-room activities, visits, meetings with a legal representative, religious services, cultural and educational activities, and visits to a social worker and psychologist), the time spent outside the cell per week may amount to 2 hours a day . Having analysed the current schedules for day-room activities in the units where temporarily detained persons are accommodated, it should be noted that in large residential units (with a capacity of 140 persons), a temporarily detained person has the opportunity to use the day room on average 1-2 times a week, whereas in smaller units (with the capacity of 60 people), taking into account isolation groups, such a person may even take part in day-room activities up to three times a week. The average duration of day-room activities is 11,5 hours. It should be noted that should any group decide not to take part in the activities, the day-room may be made available to inmates who wish to use it.
Furthermore, I would like to point out that, recognizing the need to make further concerted efforts to provide temporarily detained persons with greater opportunities to spend time outside their cells, on 6th July 2026 a letter was sent to the regional directors of the Prison Service, in which particular attention was paid to this issue .
(…)”
Standpunten van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgegeven detentiegarantie volstaat. Het is gunstig te horen dat de Poolse autoriteiten blijkbaar – gezien het feit dat op 6 juli 2026 een brief is rondgestuurd – zich met het onderwerp bezig houden. Uit eerdere informatie blijkt bovendien – aldus de raadsman – dat er een “high probability” is dat de opgeëiste persoon in Polen snel op vrije voeten zal komen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de afgegeven garantie toereikend is. Daarbij merkt de officier van justitie op dat de brief van 13 augustus 2026 ten aanzien van een andere opgeëiste persoon is opgesteld en dat de rechtbank de informatie in die zaak niet afdoende vond. Deze uitspraak is niet gepubliceerd. In het onderhavige geval is de garantie echter wel voldoende, nu er in de bijgevoegde email van 6 oktober 2026 door de Poolse autoriteiten wordt gegarandeerd dat betrokkene twee uur per dag buiten de cel kan verblijven; dit blijkt uit het gebruik van de woorden “will be permitted”. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van 4 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon naar verwachting na zijn verhoor hoogstwaarschijnlijk zal worden geschorst. Als er al sprake zou zijn van een schending van artikel 4 Handvest door gebrek aan persoonlijke leefruimte en onvoldoende tijd buiten de cel, dan is die schending volgens de officier van justitie, gelet op die mededeling, van kortdurende, incidentele en geringe aard. Daarbij verwijst de officier van justitie naar het arrest Muršić. Meer subsidiair heeft de officier van justitie verzocht om aanhouding van het onderzoek en het stellen van een redelijke termijn om na te gaan of nog een wijziging in de omstandigheden optreedt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de aanvullende informatie niet afkomstig is (of is goedgekeurd door) de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de gegeven garantie moet worden beoordeeld aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover de rechtbank beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank is met de verstrekte informatie het vastgestelde algemene gevaar niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. De aanvullende informatie van 6 oktober 2026 vermeldt onder andere: “Taking into account all the activities in which a temporarily detained person may participate (walks, baths, common-room activities, visits, meetings with a legal representative, religious services, cultural and educational activities, and visits to a social worker and psychologist), the time spent outside the cell per week may amount to 2 hours a day”. De rechtbank leest in deze zin niet dat ten aanzien van de opgeëiste persoon wordt gegarandeerd dat hij op dagelijkse basis ten minste twee uur buiten de cel kan verblijven. Evenmin kan uit de informatie worden afgeleid dat als de opgeëiste persoon ervoor kiest gebruik te maken van de mogelijkheid om een uur te wandelen en deel te nemen aan alle aangeboden activiteiten, hij gemiddeld per dag zo’n twee uur buiten de cel kan doorbrengen. Daar komt bij dat het een algemene brief betreft die niet specifiek ziet op de opgeëiste persoon. Dat de Poolse assistent-officier van justitie uit deze algemene informatie in zijn mailbericht van 6 oktober 2026 de conclusie trekt dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten de cel mag verblijven, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon na overlevering in Polen mogelijk wordt geschorst, maakt dit ook niet anders. Het eerder vastgestelde algemene reële gevaar van schending van artikel 4 Handvest is dan ook voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.
De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat voor de opgeëiste persoon, in geval van overlevering aan Polen, een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zal aanhouden. De rechtbank zal ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 17 november 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding.
5. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode tussen 1 december 2026 en 11 december 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid en onder c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 16 januari 2027), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.