RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12275256 \ CV EXPL 26-8205
Vonnis van 27 oktober 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] (Saoedi-Arabië),
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Inkassier,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederende in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen van 9 juni 2026 van [eiser] ;
- de conclusie van antwoord met bijlagen van [gedaagde] ;
- het tussenvonnis van 23 juli 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte indienen stukken met een begeleidende reactie op de conclusie van antwoord en de aanvullende productie 5 van [eiser] , ingekomen bij de rechtbank op 5 oktober 2026.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2026. [eiser] is met mevrouw M. Lee (tolk Engels) per videoverbinding verschenen. De heer [naam] is namens de gemachtigde van [eiser] fysiek verschenen. [gedaagde] is in persoon verschenen, vergezeld van haar partner. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verklaard en gebeurd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] heeft met ingang van 1 april 2024 de woonruimte aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde) verhuurd aan [eiser] voor de tijdelijke duur van twee jaar. [eiser] heeft op grond van artikel 10.1 van de huurovereenkomst een waarborgsom ter hoogte van € 7.800,00 betaald aan [gedaagde] .
[eiser] heeft [gedaagde] op 5 juli 2024 via WhatsApp om toestemming gevraagd voor het installeren van een wastafelonderkast, spiegelkast en twee wandplanken in de badkamer van het gehuurde. [gedaagde] heeft gereageerd dat dit mogelijk was, maar dat het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst terug moest worden gebracht in zijn oorspronkelijke staat. [eiser] heeft de kasten en planken in de badkamer geïnstalleerd.
Partijen hebben de huurovereenkomst beëindigd per januari 2026. [eiser] heeft het gehuurde op enig moment in december 2025 verlaten.
In aanloop naar deze beëindiging heeft [eiser] [gedaagde] op 2 december 2025 via WhatsApp bericht dat hij nog enkele spullen van [gedaagde] in opslag had. Daarnaast heeft [eiser] een opsomming gegeven van persoonlijke spullen die hij bij voorkeur in het gehuurde wilde achterlaten. [gedaagde] heeft de volgende dag gereageerd dat [eiser] haar opgeslagen spullen naar haar garage in [plaats] kon brengen en dat [eiser] de door hem opgesomde spullen in het gehuurde kon laten staan. [gedaagde] heeft ook verklaard dat de door [eiser] aangebrachte wijzigingen in de badkamer van het gehuurde in stand konden worden gelaten, omdat het ongedaan maken daarvan onwenselijk was in verband met daardoor eventueel te ontstane schade.
[eiser] heeft [gedaagde] op 3 december 2025 via WhatsApp gevraagd of zij er nog steeds akkoord mee was dat de door [eiser] opgesomde spullen, met uitzondering van een airfryer, in het gehuurde zouden achterblijven. [gedaagde] heeft op 17 december 2025 bevestigend hierop gereageerd en [eiser] nogmaals verzocht om haar opgeslagen spullen te verplaatsen naar haar garage in Amstelveen.
[gedaagde] heeft [eiser] op 1 januari 2026 via WhatsApp geïnformeerd dat het gehuurde niet goed was opgeleverd en dat spullen van haar ontbraken. [eiser] heeft [gedaagde] diezelfde dag bericht dat schoonmaakkosten van zijn borgsom af konden worden getrokken. [eiser] heeft [gedaagde] op 7 januari 2026 bericht de kosten voor de vervanging van drie ontbrekende bankkussens en een spiegel voor zijn rekening te zullen nemen, samen met de schoonmaakkosten voor het gehuurde. [gedaagde] heeft [eiser] dezelfde dag bericht € 2.600,00 van de waarborgsom in te zullen houden. [eiser] heeft hiertegen geprotesteerd.
[eiser] heeft [gedaagde] op 13 januari 2026 per WhatsApp bevestigd € 5.200,00 van de waarborgsom te hebben ontvangen. [eiser] heeft daarbij aangegeven niet akkoord te gaan met de hoogte van de door [gedaagde] ingehouden borgsom.
[eiser] heeft [gedaagde] op 21 januari 2026 voor het eerst schriftelijk gesommeerd om de ingehouden € 2.600,00 van de borgsom terug te betalen. De gemachtigde van [eiser] heeft op 17 maart 2026 de zogenoemde ‘veertiendagenbrief’ verstuurd aan [gedaagde] en haar gesommeerd om € 2.600,00 over te maken. In deze brief zijn de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. De gemachtigde van [eiser] heeft vanaf 2 april 2026 [gedaagde] tweemaal schriftelijk gesommeerd om tot betaling van het restant van de waarborgsom en de buitengerechtelijke incassokosten over te gaan. [gedaagde] heeft hier geen gehoor aan gegeven.
3. Het geschil
[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 2.600,00 aan hoofdsom en € 385,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 5 juni 2026 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eiser] legt aan zijn vorderingen, samengevat, ten grondslag dat [gedaagde] het restant van de waarborgsom van € 2.600,00 terug moet betalen aan [eiser] , omdat [eiser] het gehuurde conform de tussen partijen gemaakte afspraken heeft opgeleverd. [gedaagde] heeft [eiser] namelijk toestemming gegeven om de door hem opgesomde persoonlijke bezittingen in het gehuurde achter te laten en om de wijzigingen in de badkamer van het gehuurde in stand te laten. Bij aanvang en het einde van de huurovereenkomst is geen inspectierapport van de staat van het gehuurde opgesteld en [gedaagde] heeft verder geen financiële stukken ingebracht die onderbouwen dat € 2.600,00 van de totale waarborgsom terecht is ingehouden. [eiser] erkent dat de kleerkast en een spiegel van [gedaagde] niet naar het gehuurde zijn teruggebracht. [eiser] heeft aangeboden om deze en de kosten voor het vervangen van een drietal bankkussens en het schoonmaken van het gehuurde te vergoeden.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert, samengevat, aan dat [eiser] het gehuurde, in strijd met de door partijen gemaakte afspraken, na afloop van het huurcontract niet correct heeft opgeleverd. Er moesten namelijk nog persoonlijke spullen van [eiser] worden afgevoerd, het gehuurde moest worden schoongemaakt, eigendommen van [gedaagde] zijn niet teruggebracht of beschadigd geraakt en er zijn herstelwerkzaamheden aan de badkamer verricht om die weer in haar oorspronkelijke staat terug te brengen. [gedaagde] heeft voor deze werkzaamheden kosten moeten maken en heeft daarom terecht € 2.600,00 van de waarborgsom mogen inhouden. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De kantonrechter constateert dat [eiser] woonachtig is in Saoedi-Arabië en [gedaagde] in Nederland, waardoor dit geschil een internationaal karakter heeft. De kantonrechter is daarom ambtshalve verplicht na te gaan of hij internationaal bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen.
De kantonrechter is in dit geval internationaal bevoegd om van dit geschil kennis te nemen op grond van de ‘Brussel I-bis Verordening’ (hierna: Verordening). Het gaat in deze namelijk om een burgerlijke zaak (artikel 1 lid 1 Verordening), [gedaagde] – de gedaagde – heeft haar woonplaats in Nederland (artikel 4 lid 1 Verordening) en [eiser] heeft zijn vordering ingesteld ná 10 januari 2015 (artikel 66 lid 1 Verordening).
De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat hun huurovereenkomst wordt beheerst door Nederlands recht en dat dit geschil daarom aan de hand van Nederlands recht moet worden beoordeeld.
Oplevering van het gehuurde
Een huurder is verplicht een gehuurde zaak na afloop van de huurovereenkomst op te leveren in de staat waarin deze zich bij aanvang van de huurovereenkomst bevond. Wanneer bij aanvang van de huur geen beschrijving is opgemaakt van de gehuurde zaak, wordt verondersteld dat de huurder het gehuurde object in de staat heeft ontvangen waarin deze zich bij het einde van de huurovereenkomst bevindt. Op het moment dat de gehuurde zaak een woonruimte is en deze na het einde van de huurovereenkomst correct wordt opgeleverd door de huurder, moet de verhuurder de door de huurder betaalde waarborgsom aan hem restitueren. De verhuurder kan (een deel van) de waarborgsom slechts inhouden wanneer sprake is van schade aan het gehuurde of wanneer de huurder nog een huur(prijs)vergoeding moet betalen aan de verhuurder.
Partijen hebben geen beschrijvingsrapport van de staat van het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst overgelegd, noch een rapport van de staat van het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst. In beginsel moet daarom worden verondersteld dat [eiser] het gehuurde correct heeft opgeleverd. Partijen hebben evenwel afspraken gemaakt over de wijze waarop [eiser] het gehuurde diende op te leveren en welke spullen terug moesten worden gebracht, zoals volgt uit de door hen overgelegde WhatsApp-berichten.
Volgens deze WhatsApp-correspondentie heeft [gedaagde] ermee ingestemd dat [eiser] een reeks van door hem opgesomde goederen in het gehuurde zou achterlaten, dat [eiser] opgeslagen spullen van [gedaagde] terug zou brengen, dat [eiser] de door hem aangebrachte wijzigingen in de badkamer niet hoefde te herstellen én dat [eiser] voor de schoonmaakkosten voor het gehuurde zou opdraaien. De verschillende onderdelen van deze afspraken zullen hieronder worden besproken, waarbij zal blijken dat [eiser] het gehuurde niet op alle punten correct heeft opgeleverd. Dit rechtvaardigt dat [gedaagde] een deel van de waarborgsom inhoudt.
Niet-teruggebrachte en te vervangen spullen van [gedaagde]
Uit de processtukken en de verklaringen van partijen ter zitting blijkt dat [eiser] heeft erkend dat hij, in strijd met de tussen partijen gemaakte afspraken, een aan [gedaagde] toebehorende kleerkast en spiegel niet heeft teruggebracht naar het gehuurde. Bij gebrek aan beschrijvingsrapporten van het gehuurde en nu niet voldoende gemotiveerd is gesteld of gebleken dat het om meer goederen gaat, oordeelt de kantonrechter dat dit de enige persoonlijke spullen van [gedaagde] zijn die [eiser] uit de opslag naar het gehuurde terug had moeten brengen. [gedaagde] mag de vervangingskosten voor deze zaken aftrekken van de waarborgsom van [eiser] . Aangezien partijen van mening verschillen over de precieze omvang van deze vervangingskosten, zal de kantonrechter deze kosten begroten op € 400,00 voor de kleerkast en € 100,00 voor de spiegel.
[eiser] heeft verder verklaard dat hij bereid is om de vervangingskosten voor drie bankkussens voor zijn rekening te nemen. [eiser] heeft in zijn WhatsApp-bericht van 7 januari 2026 een begroting voor deze vervangingskosten aangedragen en inzichtelijk gemaakt dat hij zich daadwerkelijk heeft ingespannen om de vervanging van de kussens rond te krijgen. De kantonrechter komt de door [eiser] aangedragen begroting van € 219,00 niet onredelijk voor en oordeelt daarom dat [gedaagde] dit bedrag mag inhouden op de waarborgsom.
Schoonmaakkosten
[gedaagde] heeft verklaard dat zij de nodige schoonmaakkosten heeft moeten maken om het gehuurde weer op orde te krijgen. [gedaagde] heeft echter geen financiële stukken overgelegd die concretiseren waar deze kosten op zien en hoe hoog deze zijn. Daar komt bij dat de kantonrechter uit de verklaringen van [gedaagde] opmaakt dat zij de schoonmaak van het gehuurde zelf heeft uitgevoerd en geen schoonmaakbedrijf in de arm heeft genomen. Echter, dit laat onverlet dat [eiser] er volgens zijn WhatsApp-bericht van 1 januari 2026 mee heeft ingestemd om de schoonmaakkosten voor het gehuurde te vergoeden. [gedaagde] maakt daarom aanspraak op een redelijke vergoeding voor de door haar verrichte schoonmaakwerkzaamheden.
De kantonrechter gaat er hierbij redelijkerwijs van uit dat [gedaagde] aan dit schoonmaken tien uur heeft besteed en dat een gebruikelijke arbeidsvergoeding voor dit soort werkzaamheden neerkomt op € 20,00 per uur. [gedaagde] mag voor deze werkzaamheden daarom € 200,00 van de borgsom inhouden.
Kattenbakken en elektriciteits- en wifikabels
Uit de overgelegde foto’s die op 1 januari 2026 in het gehuurde zijn gemaakt en de verklaringen van partijen volgt dat [eiser] enkele kattenbakken en elektriciteits- en wifikabels in het gehuurde heeft achtergelaten. [eiser] heeft in zijn WhatsApp-bericht van 2 december 2025 niet vermeld dat hij (ook) deze spullen wilde achterlaten in het gehuurde. [gedaagde] is er ook niet mee akkoord gegaan dat [eiser] deze spullen zou achterlaten. [eiser] heeft het gehuurde op dit punt dus niet goed opgeleverd, maar dit gebrek in de oplevering is van zo een geringe omvang en betekenis dat daarvoor niet een deel van de waarborgsom kan worden ingehouden door [gedaagde] .
De badkamer
[gedaagde] heeft verklaard schade te hebben geleden doordat [eiser] wijzigingen in de badkamer van het gehuurde heeft aangebracht. [gedaagde] heeft in dit verband een offerte van Bouw & Installatiebedrijf A.C.C. voor herstelwerkzaamheden overgelegd. In deze offerte zijn de herstelkosten, inclusief btw, begroot op € 6.676,00.
De kantonrechter volgt [gedaagde] op dit punt niet in haar stellingen. [gedaagde] heeft ter zitting namelijk verklaard dat nooit herstelwerkzaamheden aan de badkamer zijn uitgevoerd en dat nieuwe huurders het gehuurde hebben betrokken. Bovendien heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.6. overwogen dat [gedaagde] ermee instemde dat [eiser] de wijzigingen in de badkamer in stand liet. Het staat [gedaagde] niet vrij om op een later moment eenzijdig terug te komen op een afspraak die zij met [eiser] zonder voorbehoud heeft gemaakt. [gedaagde] kan (een deel van) de borgsom daarom niet inhouden voor de badkamer.
Conclusie
Op basis van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat [gedaagde] een bedrag van € 919,00 heeft mogen inhouden op de waarborgsom van [eiser] . Dit brengt met zich dat [gedaagde] het resterende deel van de waarborgsom ter hoogte van € 1.681,00 moet terugbetalen aan [eiser] .
Wettelijke rente
[eiser] vordert de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf, naar de kantonrechter begrijpt, 9 juni 2026. [gedaagde] heeft hiertegen geen (inhoudelijk) verweer gevoerd. Nu [gedaagde] wordt veroordeeld om een deel van de waarborgsom terug te betalen aan [eiser] , wijst de kantonrechter de wettelijke rente over een bedrag van € 1.681,00 toe met ingang van de bovengenoemde datum.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert voorts betaling door [gedaagde] van de buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.
[eiser] heeft echter een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, omdat [eiser] slechts aanspraak maakt op betaling door [gedaagde] van € 1.681,00 en (dus) niet op € 2.600,00 aan hoofdsom. Daarom zal na vermindering een bedrag van € 252,15 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
Proceskosten
[eiser] heeft de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten gevorderd. Deze kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,08
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
934,58
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld, hetgeen inhoudt dat [eiser] deels ook geen gelijk heeft gekregen in zijn vordering. Dit, tezamen met de volgende omstandigheden geeft aanleiding om [gedaagde] voor slechts 50% in genoemde proceskosten te veroordelen. Die omstandigheden zijn dat [eiser] heeft erkend dat hij vóór het aflopen van de huurovereenkomst naar Saoedi-Arabië is vertrokken en dat het gehuurde niet schoon is opgeleverd. Doordat [eiser] eerder uit het gehuurde is vertrokken, heeft hij de afhandeling van de schoonmaak van het gehuurde afgeschoven op [gedaagde] . [gedaagde] heeft zich op haar beurt coulant opgesteld door ermee in te stemmen dat [eiser] vele persoonlijke bezittingen in het gehuurde zou achterlaten. Dit betekent dat [gedaagde] na vermindering nog € 467,29 moet betalen aan [eiser] .
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] het restant van de waarborgsom ad € 1.681,00 terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 9 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 252,15 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 467,29, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Mulderije, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel.