RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12365117 \ CV EXPL 26-10975
Vonnis in incident van 27 oktober 2026
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. D. Schreurs,
tegen
1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats 2],
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. E. Swart.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen van 13 augustus 2026 van [eiser];
- de conclusie in het incident tot oproeping, tevens antwoord in conventie met bijlagen van [gedaagden];
- de akte uitlating incident vrijwaring van [eiser].
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten voor zover relevant in het incident
[eiser] heeft op 5 mei 2025 een schriftelijke onderhuurovereenkomst gesloten met [gedaagden] als onderverhuurders van een onzelfstandig gedeelte (hierna: het gehuurde) van de woning aan [adres] (hierna: de woning) voor de periode van 1 mei tot en met 31 december 2025. [gedaagden] woonden zelf in de woning en huurden de gehele woning van de heer [naam] (hierna ook wel: [naam]) als hoofdverhuurder voor de duur van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025. [gedaagden] hebben aan [naam] een waarborgsom van € 4.200,00 betaald.
[eiser] heeft op grond van het artikel “SECURITY DEPOSIT” in de onderhuurovereenkomst een waarborgsom ter hoogte van € 2.100,00 betaald aan [gedaagden]
De heer [gedaagde 2] heeft de woning in april 2025 verlaten. De heer [gedaagde 1] heeft de woning op 31 december 2025 verlaten. [naam] heeft [gedaagden] op 31 december 2025 het volgende e-mailbericht over de terugbetaling van de borgsom aan [eiser]:
“Met [eiser] heb ik afgesproken dat ik zijn borg aan hem terugbetaal. Dat betekent dat jij zijn borg kunt houden en dat ik, nadat ik binnen heb gekeken, jouw resterende borg terugstort. Je hoeft dus niets meer naar [eiser] over te maken.”
Hierop heeft [naam] de helft van de waarborgsom voor de woning terugbetaald aan [gedaagden]
[eiser] is met toestemming van [naam] na afloop van de onderhuurovereenkomst op 31 december 2025 nog tot en met eind januari 2026 in het gehuurde verbleven. [naam] heeft na het vertrek van [eiser] uit het gehuurde de nog resterende waarborgsom voor de woning ingehouden met als reden dat (schoonmaak)kosten moesten worden gemaakt om de woning weer in orde te brengen en schade te herstellen.
[eiser], [gedaagden] en [naam] hebben, zonder resultaat, in maart 2026 per e-mail gecorrespondeerd over de afhandeling van de (terug)betaling van de waarborgsom aan [eiser]. [eiser] heeft [gedaagden] op 7 april 2026 schriftelijk verzocht om de waarborgsom voor het gehuurde terug te betalen. Op 14 mei 2026 heeft [eiser] [gedaagden] schriftelijk gesommeerd om de waarborgsom te betalen, met aanzegging van bijkomende buitengerechtelijke incassokosten. De gemachtigde van [gedaagden] heeft op de inhoud van beide brieven afwijzend gereageerd.
3. Het geschil in de hoofdzaak
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de waarborgsom voor het gehuurde van € 2.100,00, te vermeerderen met de wettelijke daarover vanaf 31 januari 2026, althans de datum van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 315,00 aan buitgerechtelijke incassokosten;
III. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover wanneer deze kosten niet tijdig door [gedaagden] worden voldaan;
IV. althans een zodanige beslissing neemt als de rechtbank juist acht.
[eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat en zakelijk weergegeven – ten grondslag dat [gedaagden] op grond van de onderhuurovereenkomst en de wet gehouden zijn de aan hen door [eiser] betaalde waarborgsom terug te betalen. [eiser] heeft het gehuurde namelijk conform de gemaakte afspraken opgeleverd. Hij heeft na het einde van de onderhuurovereenkomst geen nieuwe huurovereenkomst met [naam] gesloten en afspraken die [gedaagden] en [naam] onderling hebben gemaakt treffen [eiser] niet. Evenmin kunnen [gedaagden] de borgsom van [eiser] verrekenen met herstel- en schoonmaakkosten voor het gehuurde, omdat een opleveringsrapport van het gehuurde ontbreekt en deze kosten geenszins onderbouwd zijn.
[gedaagden] betwisten de vorderingen van [eiser] en voeren, kortgezegd, aan dat na het einde van de huurovereenkomst tussen [gedaagden] en [naam] door [eiser] met [naam] eigen afspraken heeft gemaakt over het verblijf in de woning, de oplevering van het gehuurde en terugbetaling van de waarborgsom. Deze afspraken gelden volgens [gedaagden] als een nieuwe huurovereenkomst. Zij zijn ook niet betrokken geweest bij de oplevering van de woning bij het vertrek van [eiser].
4. Het geschil in het incident
[gedaagden] vorderen – zakelijk weergegeven – in het incident dat de kantonrechter hun toestaat om de heer [naam], wonende te [woonplaats 3], in vrijwaring op te roepen tegen een door de rechtbank te bepalen roldatum, en dat de behandeling van de hoofdzaak wordt aangehouden totdat een mondelinge behandeling is bepaald voor de gezamenlijke behandeling van de hoofd- en vrijwaringszaak. Voorts vorderen [gedaagden] dat de kantonrechter zijn beslissing over de proceskostenveroordeling in het incident aanhoudt tot de (eind)uitspraak in de hoofdzaak.
[gedaagden] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [naam] de eventueel nadelige gevolgen van een veroordeling van [gedaagden] in de hoofdzaak zou moeten dragen. Zo hebben [naam] en [eiser] samen een nieuwe huurovereenkomst gesloten. [naam] heeft de helft – een bedrag van € 2.100,00 – van de door [gedaagden] betaalde borg onder zich gehouden en aangegeven dat hij met [eiser] had afgesproken dat hij de door Battaglia aan [gedaagden] betaalde waarborgsom voor het gehuurde – eveneens € 2.100,00 – na oplevering door [eiser] zou terugbetalen aan [eiser]. [naam] meent voorts ten onrechte dat hij de waarborgsom niet hoeft terug te betalen. [naam] heeft namelijk nooit een (opleverings)beschrijving van het gehuurde opgemaakt, facturen getoond voor de voorgehouden herstel- en schoonmaakkosten, en [gedaagden] noch [eiser] in de gelegenheid gesteld om achtergelaten meubilair in het gehuurde te verwijderen. [gedaagden] hebben hierdoor een gerechtvaardigd belang om [naam] in vrijwaring op te roepen, aldus [gedaagden]
[eiser] voert geen verweer tegen de gevorderde oproeping van [naam] in vrijwaring en refereert zich op dit punt aan het oordeel van de kantonrechter.
5. De beoordeling in het incident
Voor toewijzing van een vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat [gedaagden] in de hoofdzaak (voldoende onderbouwd) stellen dat sprake is van een rechtsverhouding met [naam], die meebrengt dat [naam] verplicht is de nadelige gevolgen van een eventuele veroordelende beslissing tegen [gedaagden] in de hoofdzaak te dragen. Er hoeft geen rechtstreeks verband te bestaan tussen de vordering in de hoofdzaak en die in de vrijwaring. Ook hoeft het daadwerkelijke bestaan van de gestelde rechtsverhouding en de gegrondheid van de gestelde verplichting tot vrijwaring nog niet vast te staan. Dit zal in de eventuele vrijwaringszaak worden onderzocht. Wel moet gekeken worden naar de belangen van partijen en de eisen van een doelmatige procesvoering om te kunnen beoordelen of de oproeping in vrijwaring in de omstandigheden van het geval op haar plaats is en of daarvan wellicht onredelijke vertraging van het geding te verwachten is.
Uit het door [gedaagden] overgelegde e-mailbericht van 31 december 2025 blijkt dat [naam] aan [gedaagden] heeft verklaard met [eiser] te hebben afgesproken dat [naam] de door [eiser] aan [gedaagden] betaalde waarborgsom voor het gehuurde aan [eiser] zal terugbetalen en dat [gedaagden] ‘dus niets meer aan [eiser] hoefden over te maken’. Tussen partijen staat voorts niet ter discussie dat nooit (opleverings)beschrijvingen van het gehuurde zijn opgemaakt en dat een specificatie met bijbehorende facturen van de gestelde herstel- en schoonmaakkosten voor het gehuurde niet is verstrekt. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de juridische gevolgen van het ontbreken van deze stukken voor de verantwoordelijkheid van [naam] of [gedaagden] moeten komen. Partijen verschillen in dit verband ook van mening over de vraag in welke verhouding [naam] tot [eiser] is komen te staan na afloop van de hoofdhuurovereenkomst tussen [gedaagden] en [naam]. Zo voert [eiser] aan dat zijn verblijf in januari 2026 berust op een gedoogsituatie en dat met betrekking tot de terugbetaling van de waarborgsom geen sprake is van schuldoverneming door [naam] aangezien de daartoe vereiste toestemming van [eiser] ontbreekt. [gedaagden] stellen dat zij er na 31 december 2025 van uit mochten gaan dat de terugbetalingsverplichting niet meer op hen rustte, en dat na het einde van de hoofd- en onderhuurovereenkomst tussen [naam] en [eiser] een nieuwe rechtsverhouding is ontstaan.
[gedaagden] hebben, onder verwijzing naar bovengenoemde omstandigheden en stellingen, voldoende gemotiveerd gesteld dat tussen hen en [naam] een rechtsverhouding bestaat die meebrengt dat [naam] verplicht is de eventueel nadelige gevolgen van een veroordelende beslissing tegen [gedaagden] in de hoofdzaak te dragen. Daarmee is aan de onder rechtsoverweging 5.1. genoemde voorwaarde voldaan en wijst de kantonrechter de door [gedaagden] gevorderde oproeping in vrijwaring van [naam] toe.
Aangezien [gedaagden] hebben gevorderd de beslissing over de proceskostenveroordeling in het incident aan te houden en [eiser] daartegen geen verweer heeft gevoerd, houdt de kantonrechter zijn beslissing op dit punt aan tot de (eind)uitspraak in de hoofdzaak.
6. De beoordeling in de hoofdzaak
Het verdient de voorkeur dat de hoofd- en vrijwaringszaak gelijktijdig worden behandeld in het kader van de proceseconomie. Om die reden zal de hoofdzaak voor verdere instructie worden verwezen naar dezelfde roldatum voor instructievonnis als de roldatum in het incident.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
7. De beslissing
De kantonrechter:
in het incident
staat [gedaagden] toe om de heer [naam] in vrijwaring op te roepen;
bepaalt dat [gedaagden] [naam] dienen te dagvaarden tegen de rolzitting van 24 november 2026 om 10:00 uur;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de (eind)uitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
bepaalt dat de hoofdzaak samenloopt met de vrijwaringszaak;
verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 24 november 2026 om 10:00 uur voor instructievonnis;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel.