ECLI:NL:RBAMS:2026:9165

ECLI:NL:RBAMS:2026:9165

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 16-06-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 11872423 \ CV EXPL 25-12334
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Huurrecht. Vordering ontbinding en ontruiming toegewezen. Geen hoofdverblijf en het in gebruik geven van de woning. Broer verblijft zonder recht of titel in de woning. Reconventionele vorderingen huurder worden afgewezen. Onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat in de woning van huurder zodanige geluidsoverlast is dat sprake is van een gebrek.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11872423 \ CV EXPL 25-12334

Vonnis van 16 juni 2026

in de zaak van

STICHTING YMERE,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

hierna te noemen: Ymere,

gemachtigde: mr. L.C. Strating,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats 1],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde 1],

gemachtigde: mr. A. Azauiyat.

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij in conventie,

hierna te noemen: [gedaagde 2],

gemachtigde: mr. A. Azauiyat.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de gelijkluidende dagvaardingen van 28 augustus 2025, met producties,

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties,

- het tussenvonnis van 4 december 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte met aanvullende producties van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 10 januari 2026,

- de akte met aanvullende producties van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 11 maart 2026,

- de akte met een aanvullende productie van Ymere van 13 maart 2026,

- de akte met aanvullende producties van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 15 maart 2026.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Voor Ymere is [naam] ([functie]) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Ter zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigde van Ymere gebruikte daarbij spreekaantekeningen. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. Feiten

Ymere verhuurt sinds 6 januari 2021 aan [gedaagde 1] de woning aan [adres] (hierna: de woning). Op de huurovereenkomst zijn algemene huurvoorwaarden (versie december 2017) van toepassing. Daarin is onder meer bepaald dat de huurder verplicht is de woning zelf te bewonen en daar zijn hoofdverblijf te hebben (artikel 6.2) en dat het hem niet is toegestaan de woning zonder toestemming van Ymere geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of aan derden in gebruik te geven (artikel 6.10 en 6.11). Bij overtreding van dit verbod is huurder een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zoals staat vermeld in de Tarievenlijst (artikel 6.12). In die tarievenlijst staat onder meer: “Boete bij onderhuur: € 5.000,00”.

Op het adres van de woning staat naast [gedaagde 1] ook haar broer [gedaagde 2] ingeschreven.

Sinds augustus 2024 ondervinden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overlast van de bovenburen, aan wie Ymere ook een woning verhuurt. [gedaagde 2] heeft hierover op 10 maart 2025 de eerste melding bij Ymere gedaan, waarna er meerdere zijn gevolgd.

Op 8 mei 2025 heeft, naar aanleiding van diverse verzoeken om medehuurderschap van [gedaagde 2] en meldingen die hij heeft gemaakt van overlast door de bovenburen, een huisbezoek plaatsgevonden. Tijdens dat bezoek troffen de medewerkers van Ymere niet [gedaagde 1], maar [gedaagde 2] in de woning aan. Er heeft een gesprek tussen Ymere en [gedaagde 2] plaatsgevonden, waar [gedaagde 2] heeft verklaard dat [gedaagde 1] inmiddels bij zijn ouders woont. Verder heeft een medewerker van Ymere geconstateerd dat slechts één kamer was voorzien van een bed. In de woning zijn geen vrouwelijke kledingstukken aangetroffen. [gedaagde 2] heeft aan de medewerkers van Ymere gevraagd of hij een andere woning in de buurt kan huren vanwege de overlast die hij ervaart.

Op 3 juni 2025 heeft Ymere de bovenburen bezocht om de (onder)vloer te controleren. Tijdens dit bezoek heeft de zus van de bovenbuurman onder meer verklaard dat de benedenbuurvrouw al langere tijd – meer dan een jaar – elders woont en dat haar broer momenteel op het adres verblijft.

Op 20 juni 2025 hebben medewerkers van Ymere de woning bezocht. Daarbij hebben zij [gedaagde 2] aangetroffen. Hij verklaarde dat [gedaagde 1] momenteel bij zijn ouders woont en af en toe bij een andere zus verblijft. Over de indeling van de woning heeft [gedaagde 2] verklaard dat hij in de voormalige slaapkamer van [gedaagde 1] slaapt. De andere slaapkamer gebruikt hij als sport- en opslagruimte, aangezien zijn zus niet meer in de woning woont. In de woning is opnieuw geen vrouwelijke kleding aangetroffen.

Op 24 juni 2025 is een fysieke geluidsmeting uitgevoerd in de woning, waarbij een medewerker van Ymere in de bovenwoning geluiden heeft gemaakt.

Van de verschillende huisbezoeken is door de medewerkers van Ymere een verslag opgemaakt.

Op 3 en 22 juli 2025 heeft Ymere [gedaagde 1] aangeschreven en haar gesommeerd de huurovereenkomst op te zeggen en de woning te ontruimen. [gedaagde 2] is op 22 juli 2025 gesommeerd om de woning te ontruimen. Bij e-mail van 30 juli 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] laten weten dat [gedaagde 1] vanwege overlast enkele weken bij haar ouders overnacht. [gedaagde 1] heeft de huurovereenkomst niet opgezegd.

3. Het geschil

In conventie

Ymere vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – samengevat – (naar de kantonrechter begrijpt) dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld om de woning te ontruimen. Ymere vordert verder veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan Ymere van € 5.000,00 aan contractuele boete. Dit met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Ymere legt aan de vordering kort gezegd ten grondslag dat [gedaagde 1] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst door de woning niet zelf te bewonen, maar aan [gedaagde 2] in gebruik te geven. Mede gelet op het feit dat het gaat om een sociale huurwoning heeft Ymere recht op en belang bij ontruiming van de woning. [gedaagde 2] verblijft zonder recht of titel in de woning.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en stellen dat [gedaagde 1] haar hoofdverblijf in de woning heeft en heeft gehad. [gedaagde 1] heeft slechts twee korte periodes tijdelijk bij haar ouders en zus verbleven, namelijk ongeveer een week in januari 2025 en in de periode van 4 mei 2025 tot 28 juni 2025. Zij is slechts tijdelijk, als gevolg van de overlast van de bovenburen, bij haar ouders en of zus gaan logeren. Zij heeft dit niet gedaan met de intentie om de woning te verlaten of haar hoofdverblijf elders te vestigen.

In reconventie

[gedaagde 1] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar te verklaren vonnis om Ymere te veroordelen om voorzieningen te treffen die leiden tot opheffing van de overlast van de bovenburen, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert zij de huurprijs per 10 maart 2025 met 20% te verminderen, totdat de overlast zal zijn verholpen, en Ymere te veroordelen tot terugbetaling van het teveel betaalde aan huur over de periode dat de huurprijs is verlaagd, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Volgens [gedaagde 1] heeft Ymere onvoldoende onderzoek gedaan naar de overlast en onvoldoende maatregelen getroffen om de overlast te doen stoppen.

Ymere is het daar niet mee eens. Daarbij is volgens Ymere van belang dat zij uitsluitend een contractuele relatie heeft met [gedaagde 1]. Onder verwijzing naar haar standpunt in conventie kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde 1] haar hoofdverblijf in de woning heeft, zodat zij geen verminderd huurgenot heeft (gehad). Volgens Ymere heeft zij verder voldoende inspanningen verricht om de situatie te verbeteren. Van onrechtmatige overlast is volgens Ymere geen sprake. Daarom heeft [gedaagde 1] geen recht op huurprijsvermindering.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie

Ymere legt aan haar vordering tot ontbinding en ontruiming ten grondslag dat [gedaagde 1] zich niet houdt aan de verplichtingen van de huurovereenkomst, meer in het bijzonder het houden van haar hoofdverblijf in de woning en het niet in gebruik geven van de woning aan derden. Dat [gedaagde 1] de woning in gebruik heeft gegeven aan [gedaagde 2] is niet in geschil. [gedaagde 2] erkent ook dat hij op 3 november 2021 bij [gedaagde 1] is komen inwonen en daar nog steeds woont.

De vraag die eerst beantwoord moet worden is of [gedaagde 1] ook tekort is geschoten in haar verplichting als huurder om haar hoofdverblijf in de woning te hebben.

Bewijsbeding oneerlijk

Artikel 6.14 van de algemene voorwaarden bepaalt – onder meer – dat huurder in de woning steeds zijn exclusieve hoofdverblijf zal houden en vervolgt met het bewijsbeding:

Als de huurder stelt het verbod niet te hebben overtreden, is hij gehouden het bewijs te leveren dat dat hij de woning volledig en onafgebroken zelf bewoont en heeft bewoond en er onafgebroken zijn hoofdverblijf heeft gehad. In een rechtszaak draagt de huurder daarvan de bewijslast.

Omdat de huurovereenkomst is gesloten met een consument, moet de kantonrechter ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht, zoals aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (hierna: de Richtlijn). De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of het bewijsbeding (on)eerlijk is. Als sprake is van een oneerlijk beding, moet de kantonrechter dat beding vernietigen.

Op grond van het bepaalde in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op Ymere de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde 1] tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst doordat zij haar hoofdverblijf niet de woning heeft. Artikel 6.14 van de algemene voorwaarden keert aldus de bewijslast om ten nadele van [gedaagde 1].

Bij de toetsing of het beding eerlijk is, moet worden gekeken naar alle feiten en omstandigheden die golden ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst.

Een bewijsbeding staat op de indicatieve ‘blauwe’ lijst bij de Richtlijn (onderdeel q). Daarmee is benoemd dat een beding waarin de consument een bewijslast wordt opgelegd die volgens het geldende recht normaliter op een andere partij rust, mogelijk oneerlijk is.

Het bewijsbeding is oneerlijk. In het bijzonder acht de kantonrechter in dit verband zwaarwegend dat het beding afbreuk doet aan het via dwingend recht geregelde recht op huurbescherming, dat het wezenskenmerk vormt van het Nederlandse huurrecht voor woonruimte. Deze inbreuk gaat ook verder dan redelijkerwijs nodig is, omdat in het anders geldende (wettelijk) stelsel aan een bewijsnood van de verhuurder inzake het wel of niet houden van hoofdverblijf door de huurder tegemoet kan worden gekomen langs de weg van de verzwaarde stel- of motiveringsplicht. Deze plicht houdt in dat als de verhuurder gemotiveerd stelt dat de huurder de huurovereenkomst niet nakomt doordat hij zijn hoofdverblijf niet (meer) in het gehuurde heeft, de bewijslast van het ontbrekend hoofdverblijf op de verhuurder blijft rusten, maar dat van de huurder mag worden verlangd dat hij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verhuurder. Dergelijke feitelijke gegevens liggen immers bij uitstek in het domein van de huurder. Daarmee kan de verhuurder dan aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering verkrijgen. Als de huurder niet voldoet aan de verzwaarde motiveringsplicht, kan de rechter de stellingen van de huurder als onvoldoende betwist voor waar aannemen, al dan niet met de mogelijkheid van tegenbewijs. Omdat het bewijsbeding oneerlijk is, wordt het vernietigd. Ymere kan daar dus geen beroep op doen.

Geen hoofdverblijf

Tegen de achtergrond van het voorgaande geldt dus dat [gedaagde 1] een onderbouwde stelling van Ymere dat zij niet in de woning haar hoofdverblijf heeft (gehad), gemotiveerd moet betwisten. Daarbij ligt het op de weg van [gedaagde 1] om haar betwisting ook voldoende te concretiseren en te motiveren, juist ook aan de hand van gegevens waarover zij als huurder bij uitstek de beschikking heeft of de beschikking kan krijgen.

Ymere heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de constateringen van de huisbezoeken. Uit het verslag blijkt dat het eerste huisbezoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van diverse meldingen van [gedaagde 2] van overlast. [gedaagde 1] is bij de huisbezoeken geen enkele keer zelf aangetroffen. In de woning zijn geen kledingstukken van [gedaagde 1] of andere vrouwelijke spullen aangetroffen. Daarnaast was slechts één kamer voorzien van een bed. Verder wijst Ymere er op dat [gedaagde 2] tijdens de huisbezoeken meermaals heeft verklaard dat [gedaagde 1] niet meer in de woning woont.

De kantonrechter is van oordeel dat Ymere op basis van het voorgaande voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [gedaagde 1] niet haar hoofdverblijf in de woning heeft.

[gedaagde 1] heeft die gemotiveerde stelling vervolgens onvoldoende gemotiveerd betwist. Haar stelling dat zij vanwege de overlast van de bovenburen naar haar ouders is gegaan, is daarvoor onvoldoende. Daarbij is onder meer van belang dat zij schriftelijk het standpunt heeft ingenomen dat zij in januari 2025 ongeveer een week en van 4 mei tot 28 juni 2025 bij haar ouders en zus heeft verbleven. Daarbij valt op dat dit net voor en na de door Ymere afgelegde huisbezoeken is. Bovendien heeft zij desgevraagd ter zitting verklaard dat zij eind januari 2025 een week bij haar ouders heeft geslapen en dat zij in mei 2025 één tot twee weken, althans korter dan een maand, bij haar ouders heeft geslapen. De verklaringen van [gedaagde 1] zijn daarmee inconsistent. Bovendien weegt de kantonrechter mee dat [gedaagde 2] meermaals heeft verklaard dat [gedaagde 1] bij zijn ouders woont. Als [gedaagde 1] daadwerkelijk slechts enkele weken elders zou verblijven, valt ook niet in te zien waarom er geen eigendommen van haar in de woning zijn aangetroffen. Ook is van belang dat niet in geschil is dat slechts in één kamer een bed stond. De desgevraagd ter zitting gegeven verklaring dat iedereen in de woonkamer sliep, is verder niet onderbouwd, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Verder heeft [gedaagde 1] geen enkel objectief bewijsmiddel overgelegd waaruit volgt dat zij haar hoofdverblijf in de woning heeft (gehad). De door [gedaagde 1] overgelegde verklaringen van buren zijn onvoldoende concreet en dus onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Andere bewijsmiddelen, zoals bewijs dat [gedaagde 1] pakketjes en post ontvangt op het gehuurde, of, zoals Ymere heeft aangevoerd, bankafschriften waarop is te zien dat zij in de buurt van de woning betalingen doet, zijn niet overgelegd. [gedaagde 1] heeft dus onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij niet haar hoofdverblijf heeft in de woning. Bij die stand van zaken wordt aan nadere bewijslevering niet toegekomen en wordt voorbijgegaan aan het ter zitting door [gedaagde 1] gedane bewijsaanbod.

Tekortkoming rechtvaardigt ontbinding

Het niet hebben van hoofdverblijf levert een tekortkoming op. Deze tekortkoming is, zeker ook in samenhang met het in gebruik geven van de woning, van voldoende gewicht om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Daarbij is ook van belang dat het gaat om een schaarse sociale huurwoning, zoals Ymere onweersproken heeft aangevoerd. De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming tegen [gedaagde 1] toe. Gezien het belang van Ymere bij ontruiming, zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

[gedaagde 2] heeft in deze procedure geen verzoek tot medehuurderschap gedaan, zodat vaststaat dat hij zonder recht of titel de woning in gebruik heeft (gehad). Dit betekent dat de vordering tot ontruiming ook tegen [gedaagde 2] toewijsbaar is.

Contractuele boete 4.15. Ymere vordert betaling van de contractuele boete. Volgens Ymere is zij die verschuldigd vanwege de onderverhuur van de woning. In de tarievenlijst bij de huurovereenkomst staat ook opgenomen “boete bij onderhuur € 5.000,00”. Onvoldoende duidelijk is gemaakt dat de boete ook verschuldigd is bij het in gebruik geven van de woning. Dat sprake is van onderhuur is niet, althans onvoldoende gesteld en ook niet gebleken. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter volgens de tarievenlijst echter wel nodig voor de gevorderde contractuele boete. Dat betekent dat de vordering tot betaling van de contractuele boete niet toewijsbaar is. Bij die stand van zaken wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de vraag in hoeverre dat beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen en, in dat geval, wat de sanctie daarvan is.

Proceskosten 4.16. Artikel 11 van de algemene voorwaarden is oneerlijk, omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ymere worden begroot op:

- kosten van de dagvaardingen

291,10

- griffierecht

514,00

- salaris gemachtigde

576,00

(2 punten × € 288,00)

- nakosten

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.453,10

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

De veroordeling wordt deels hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

In reconventie

Overlast

De vraag moet worden beantwoord of Ymere, als verhuurder van zowel [gedaagde 1] als de volgens [gedaagde 1] overlast veroorzakende bovenburen, is tekortgeschoten en nog steeds tekortschiet in het aanwenden van haar bevoegdheden om tegen de feitelijke stoornis van het huurgenot van [gedaagde 1] op te treden. Is dat het geval, dan is sprake van een gebrek als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), waarvan in beginsel mag worden verwacht dat het verholpen wordt en dat eventueel ook tot een huurprijsvermindering aanleiding kan geven.

Voordat hier aan wordt toegekomen, moet eerst worden beoordeeld of sprake is van zodanig ernstige overlast dat deze als onrechtmatig moet worden beschouwd. Daarbij moet voldoende aannemelijk zijn dat de buren zich niet als goed huurder gedragen door deze overlast te veroorzaken. Daarvan is alleen sprake als het geluid van de buren zodanig is dat hierdoor naar objectieve maatstaven (en dus niet: alleen naar de ervaring van [gedaagde 1]) gelet op aard, niveau en frequentie van het geluid, het wooncomfort van de woning van [gedaagde 1] structureel ernstig wordt verminderd. Daarbij is van belang dat hiervoor is vastgesteld dat [gedaagde 1] haar hoofdverblijf niet in de woning heeft (gehad), zodat zij onvoldoende heeft aangetoond dat zij vanaf 10 maart 2025 ernstige overlast ervaart. Bij dit alles weegt ook mee dat leef- en woongeluiden tot een bepaalde mate horen bij het wonen in een grote stad en dat buren in een pand met meerdere woningen nu eenmaal meer van elkaar moeten dulden als het gaat om geluiden. Dat de geluiden de toelaatbare normen overschrijden, heeft [gedaagde 1] onvoldoende onderbouwd. De ter zitting beluisterde geluidsopnames maken dat niet anders. Daarop zijn wel geluiden te horen, maar daaruit volgt niet dat dit zodanig hard is, dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Verder heeft Ymere onweersproken aangevoerd dat zij de (onder)vloer van de bovenburen heeft gecontroleerd, dat die in orde was en dat ook uit de fysieke geluidsmeting op 24 juni 2025 geen aantoonbare overlast naar voren is gekomen. Dat betekent dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat in de woning die [gedaagde 1] van Ymere huurt zodanige geluidsoverlast is dat sprake is van een gebrek.

Wel waren de klachten in oktober 2025 voor Ymere zodanig dat zij op 30 januari 2026 een geluidsmeting wilde gaan uitvoeren. Dat heeft zij uiteindelijk niet gedaan, in eerste instantie omdat de geluidsmeter kapot was en later in afwachting van de uitkomst deze procedure. Hoewel het op de weg ligt van Ymere om bij meldingen van geluidsoverlast (nader) onderzoek te verrichten, zal zij daartoe in dit geval niet worden verplicht, omdat gelet op het voorgaande niet is komen vast te staan dat er sprake is van een gebrek. Daarmee rust op Ymere ook geen verplichting tot herstel. Nu [gedaagde 1], gelet op de uitkomst in conventie, de woning moet verlaten, heeft zij daar overigens ook geen belang bij.

Dit leidt tot de conclusie dat Ymere heeft gedaan wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van haar als verhuurder kan worden gevergd. Van een gebrek als bedoeld in artikel 7:2024 BW is geen sprake, en ook niet van een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen jegens [gedaagde 1]. De vorderingen worden dan ook afgewezen.

Proceskosten

Gelet op de samenhang met de vorderingen in conventie ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten in reconventie te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

ontbindt de tussen Ymere en [gedaagde 1] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan het adres [adres],

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om de woning binnen twee weken na betekening van dit vonnis, met al de hunnen en het hunne, en onder afgifte van de sleutels te ontruimen en ter beschikking van Ymere te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde,

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.453,10, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagde 1] af,

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.B. Cramwinckel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. R. Boerlage, griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M.B. Cramwinckel

Griffier

  • mr. R. Boerlage

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand