RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10852087 \ CV EXPL 23-15796
Vonnis van 4 september 2026
in de zaak van
MUNCKHOF TAXI B.V.,
gevestigd te te Horst, gemeente Horst aan de Maas,
eisende partij,
gemachtigde: Hafkamp Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 juni 2026- de akte van eisende partij van 24 juli 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 26 juni 2026 is eisende partij in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten of ten tijde van het sluiten van de opleidingsovereenkomst dan wel gedurende de opleiding sprake was van een arbeidsovereenkomst. Voor zover dit niet het geval is, is eisende partij in de gelegenheid gesteld gemotiveerd te stellen op welke wijze is voldaan aan de toepasselijke informatieplichten en om zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen in de overeenkomst waarop een beroep wordt gedaan of kan worden gedaan. Eisende partij heeft bij akte van 24 juli 2026 een en ander nader toegelicht en zich uitgelaten. Daarbij heeft zij bewijs overgelegd dat zij deze akte ook aan gedaagde partij heeft gestuurd.
Eisende partij heeft toegelicht dat er geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen tussen partijen. Eisende partij stelt daarvoor namelijk als voorwaarde dat een leerwerktrajectpas wordt aangevraagd en daarover beschikte gedaagde partij niet.
Eisende partij heeft voldoende toegelicht dat geen arbeidsovereenkomst bestond tussen partijen. Omdat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet de opleidingsovereenkomst worden getoetst aan het consumentenrecht. De kantonrechter moet dan onder meer onderzoeken of eisende partij haar informatieverplichtingen heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG).
Volgens eisende partij heeft gedaagde partij zich via haar website aangemeld voor een gesprek met betrekking tot de opleiding tot taxichauffeur. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op het kantoor van eisende partij en na dit gesprek is de opleidingsovereenkomst op 17 oktober 2022 ondertekend. De overeenkomst is dan ook tot stand gekomen anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Dit betekent dat getoetst moet worden aan de informatieplichten van artikel 6:230l BW. Eisende partij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan deze informatieplichten.
Verder moet de overeenkomst getoetst worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op het volgende artikel van de opleidingsovereenkomst:
(…)
Onder het kopje ‘Kosten opleiding’ en ‘Extra kosten’ zijn de kosten duidelijk opgenomen. Ten aanzien van de ‘overige kosten’ en het herexamen, waarvan eisende partij in deze procedure ook betaling vordert, zijn weliswaar niet de exacte kosten vermeld, maar wel een schatting daarvan. Daarmee heeft eisende partij de informatie verschaft waarmee gedaagde partij een inschatting kon maken van de (te verwachten) kosten. Daarmee is de prijs transparant en hoeft deze niet verder op oneerlijkheid te worden getoetst (zie artikel 4 lid 2 van de Richtlijn oneerlijke bedingen).
Voor zover in de bepaling iets anders is geregeld dan de prijs, is deze niet oneerlijk. De terugbetalingsverplichting voor gedaagde partij is onder het kopje ‘Bijzondere omstandigheden’ duidelijk uiteengezet. De gevorderde opleidingskosten komen ook verder niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is eveneens toewijsbaar, aangezien er geen beding in de overeenkomst staat die hierop ziet en het bedrag ook verder niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Er is geen beding in de overeenkomst dat hierop ziet. Daarom moet de vordering worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat gedaagde partij een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde partij een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 174,89 worden toegewezen.
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De overeenkomst bevat geen beding dat ziet op het betalen van de proceskosten. De proceskosten van eisende partij worden dan ook begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
107,32
- griffierecht
€
328,00
- salaris gemachtigde
€
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
760,82
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 1.385,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.165,94, met ingang van 6 december 2023, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 760,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
57327