ECLI:NL:RBAMS:2026:9177

ECLI:NL:RBAMS:2026:9177

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 12114683 \ CV EXPL 26-2555
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Geen sprake van een arbeidsovereenkomst maar overeenkomst van opdracht, vordering openstaande uren deels toegewezen, tegenvordering volledige vergoeding proceskosten afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12114683 \ CV EXPL 26-2555

Vonnis van 21 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser, hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. J.F.M. Verheij,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] (Verenigde Staten),

gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. M.L. Winters.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 16 februari 2026, met producties,

de conclusie van antwoord van 24 april 2026, met producties,

de aanvullende producties van [eiser] ,

de aanvullende producties van [gedaagde] .

De mondelinge behandeling is gehouden op 15 juni 2026. [eiser] is verschenen vergezeld door twee belangstellenden, en werd bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen middels een video verbinding, en werd ook bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die aan het dossier zijn gevoegd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

Sinds 9 augustus 2022 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [eiser] tegen betaling de drie honden van [gedaagde] verzorgt en als oppas in haar woning aan de [adres] verblijft als [gedaagde] in het buitenland is. Zij hebben hiervoor een mondelinge prijsafspraak gemaakt van € 100,00 per dag inclusief een overnachting. Voor uitsluitend het uitlaten van de honden is € 20,00 per hond per keer afgesproken.

De betalingen voor de werkzaamheden werden door [gedaagde] contant of doormiddel van betaalverzoeken aan [eiser] voldaan. [eiser] bracht zelf de bedragen in rekening conform de verrichte werkzaamheden. De berekende bedragen werden “per tikkie” zonder nader commentaar door [gedaagde] betaald. Ook de door [eiser] gekochte boodschappen werden zonder commentaar door [gedaagde] per tikkie vergoed.

Op 9 september 2024 heeft [eiser] een eenmanszaak opgericht genaamd Eco Pet Care Amsterdam.

Voor de werkzaamheden in september, oktober en november 2024 heeft [eiser] op 7 december 2024 een betaalverzoek verzonden waarbij [gedaagde] het bedrag van € 1.309,00 heeft voldaan. In de omschrijving is vermeld: “Day night care, dogs Factuur N-0015”. Daarbij heeft [eiser] een bericht verzonden met “(…)For now its, only December left. I still need to count the day and night care and walks that I did, but thank you so much for using my services!”

[eiser] heeft in december 2024 diverse werkzaamheden verricht voor [gedaagde] .

Na 22 december 2024 is [eiser] gestopt met de werkzaamheden bij [gedaagde] nadat onmin was ontstaan toen hij niet beschikbaar bleek voor [gedaagde] tijdens de kerstperiode van dat jaar, vanwege zijn toezegging aan een andere opdrachtgever.

Op 1 januari 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] een Whatsappbericht verzonden en verzocht om de onbetaalde werkzaamheden in november en december 2024 van een bedrag van totaal € 5.600,00 te betalen.

Over de periode van 5 november 2024 – 22 december 2024 heeft [eiser] vervolgens een rekening opgesteld voor een bedrag van € 6.200,00. De rekening luidt:

2.9. [eiser] heeft daarna op 18 januari 2025 [gedaagde] nogmaals een rekening gestuurd voor november en december 2024 met een bedrag van € 8.131,20 ( nu inclusief btw) met de volgende omschrijving:

[gedaagde] heeft op 20 januari 2025 een brief van een bekende van [eiser] ontvangen, waarin deze namens [eiser] [gedaagde] sommeert om binnen een week een bedrag van € 5.520,00 te betalen aan openstaande diensten van [eiser] .

Bij brief van 23 januari 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] gereageerd dat er geen sprake is van een betalingsachterstand of van onbetaalde diensten.

De gemachtigde van [eiser] heeft vervolgens bij brief van 19 juni 2025 [gedaagde] gesommeerd tot betaling van de openstaande factuur van 18 januari 2025 ad € 8.131,20 (inclusief btw) en vergoeding van de juridische kosten van € 1.219,68 te vermeerderen met btw.

[gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

3. Het geschil

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat tussen [eiser] en [gedaagde] sinds augustus 2022 een arbeidsovereenkomst bestaat zonder dat hieraan een rechtsgeldig einde is gekomen. Daarbij vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

primair aan loon over de maanden november en december 2025 alsmede een waterfilter in totaal € 6.720,00, en subsidiair een bedrag van € 8.131,20 inclusief BTW,

en voorwaardelijk, in het geval een arbeidsovereenkomst wordt aangenomen, [gedaagde] te veroordelen tot maandelijkse betaling van € 2.350,00, ingaande januari 2025,

met primair, voor het geval een arbeidsovereenkomst wordt aangenomen, de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon over november 2024 en december 2024 en de opeenvolgende maanden en de opvolgende maanden ingaande januari 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente,

en subsidiair, voor het geval dat in rechte wordt vastgesteld dat sprake is van een overeenkomst van opdracht, tot betaling van de wettelijke handelsrente over € 8131,20 ingaande 19 februari 2025,

een bedrag van € 711,00 aan buitengerechtelijke kosten, en als sprake is van een arbeidsovereenkomst aan buitengerechtelijke kosten € 781,56.

In beide gevallen vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente.

[eiser] stelt daartoe dat primair sprake is van een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Hij werkte als oproepkracht, heeft loon ontvangen en werkte volgens de instructies van [gedaagde] . Aan het urencriterium van artikel 7:610a BW is voldaan omdat hij in de maanden september 2024 tot en met november 2024 tenminste 20 uur per maand aan arbeid heeft verricht. Subsidiair stelt [eiser] dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht en hij in november en december 2024 werkzaamheden heeft verricht waarvoor hij nog niet is betaald.

[gedaagde] voert, voor zover relevant, aan dat de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een overeenkomst van opdracht en verzoekt daarom [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren althans de vorderingen af te wijzen. Zij voert daarbij aan dat sprake is van misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig handelen van [eiser] en zij verzoekt de kantonrechter om [eiser] te veroordelen in de volledige proceskosten.

Op de stellingen van partijen zal hieronder nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Geen sprake van een arbeidsovereenkomst

In deze zaak gaat het om de vraag of tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Redengevend hiertoe is het volgende.

Uit de overeenkomst volgt dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] de honden van [gedaagde] uitlaat op haar verzoek en wanneer zij in het buitenland verblijft, waarbij hij dan (soms) in de woning van [gedaagde] overnacht. [eiser] stelt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst op oproepbasis. Echter, [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij zelf bepaalt of en zo ja wanneer hij beschikbaar is voor werkzaamheden bij [gedaagde] . Weliswaar gaf [gedaagde] [eiser] uitleg over de werkzaamheden die zij verzocht, maar niet is gebleken dat hiermee sprake is geweest van het geven van instructies of van een gezagsverhouding. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen blijkt dat [eiser] meermaals op eigen initiatief aanbood om de honden uit te laten, zelf de boodschappen bedacht of een waterfilter aanschafte. Daar komt bij dat hij zelf het aantal gewerkte uren berekende en deze nadien aan [gedaagde] factureerde zonder dat zij daar op enigerlei wijze bij betrokken was. Ook heeft [eiser] ter zitting bevestigd dat hij meerdere opdrachtgevers had en heeft waarvoor hij soortgelijke werkzaamheden verricht.

[gedaagde] heeft daarnaast aangevoerd dat zij vanaf eind december 2024 per direct gestopt is met het gebruiken van de diensten van [eiser] . De reden daarvoor was dat zij enkele kostbare eigendommen uit haar woning miste en ontdekte dat [eiser] derden tot haar woning heeft toegelaten en daar drugs en/of alcohol gebruikten. Zij heeft als ondersteuning hiervan videobeelden in het geding gebracht, die door de kantonrechter zijn bekeken, en die dit gedrag bevestigden.

4.4. Dit overziende wegende brengt de kantonrechter tot het oordeel dat tussen [eiser] en [gedaagde] geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Daarmee wordt het verzoek van [eiser] om voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst afgewezen. De overige verzoeken van [eiser] die samenhangen met het bestaan van een arbeidsovereenkomst zullen eveneens worden afgewezen.

Openstaande uren november en december 2024 en waterfilter

Nu hiervoor geoordeeld is dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, kan de overeenkomst tussen partijen worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. [eiser] vordert subsidiair betaling van een factuur met de uren in november en december 2024 en een waterfilter ten bedrage van € 8.131,20. [eiser] baseert zich aldus op de rekening van 18 januari 2025.

Omdat [eiser] steeds verschillende bedragen heeft gevorderd en over de verrichte werkzaamheden geen overeenstemming bestaat, maar wel erkend wordt dat [eiser] in december 2024 nog werkzaamheden heeft verricht, zal de kantonrechter zelf berekenen welk bedrag nog open staat.

De kantonrechter neemt vervolgens het overzicht van [eiser] uit productie 21 en de verklaringen van [gedaagde] tijdens de zitting als uitgangspunt. Tijdens de zitting heeft de kantonrechter allereerst vastgesteld dat volgens de eigen opstelling van [eiser] de uren van november 2024 reeds door [gedaagde] zijn voldaan. Mede gelet op de erkenning van [gedaagde] dat [eiser] van 1 tot en met 6 december en op 14 december 2024 werkzaamheden heeft verricht inclusief overnachtingen en op 22 december 2024 de honden zijn uitgelaten door [eiser] komt de kantonrechter tot de conclusie dat deze werkzaamheden nog niet zijn betaald door [gedaagde] . Dat zal zij alsnog dienen te doen en wel als volgt.

[eiser] heeft gesteld dat een uurtarief van € 180,00 per overnachting van toepassing is, terwijl dit is door [gedaagde] betwist. Tegenover deze betwisting heeft [eiser] geen feiten en omstandigheden gesteld en onderbouwd waaruit blijkt dat partijen na het begin van de werkzaamheden nader een uurtarief van € 180,00 zijn overeengekomen. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] voor de werkzaamheden in december 2024 zeven keer een overnachting van € 100,00 per overnachting en één keer een uitlaatservice van € 20,00 per hond (3x) is verschuldigd aan [eiser] .

Dat [eiser] in opdracht of op verzoek van van [gedaagde] een waterfilter heeft aangeschaft en dat deze door hem is betaald, is nergens uit gebleken. Het had op zijn weg gelegen om hiervan bewijs aan te leveren zoals een factuur of een kassabon. De vordering ten aanzien van de betaling van de waterfilter zal daarom worden afgewezen. Hiermee komt de kantonrechter op een totaalbedrag van € 760,00, dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Wettelijke (handels)rente

De vordering van [eiser] tot betaling van de wettelijke handelsrente wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat tussen partijen een handelsovereenkomst is gesloten. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen zoals in de beslissing is opgenomen.

Buitengerechtelijke kosten

Omdat de vorderingen van [eiser] grotendeels worden afgewezen zal de kantonrechter de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten eveneens afwijzen.

Proceskosten

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt.

[gedaagde] vordert vergoeding van de volledige proceskosten vanwege het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing van de vorderingen van [eiser] , de inconsistentie in de gevorderde bedragen en het herhaaldelijke verzoek van [gedaagde] om een specificatie van de werkzaamheden en de bedragen te verstrekken. Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan echter alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat [eiser] vorderingen instelde die, n aar hij wist, evident ongegrond waren. Daarmee is niet, in het licht van de tot terughoudendheid nopende maatstaf, aan de (strenge) eis voor een volledige proceskostenveroordeling voldaan. Dat hij daarnaast verschillende facturen en bedragen in rekening bracht maakt eveneens niet dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Ook werd hij pas in een later stadium bijgestaan door een professionele gemachtigde. [eiser] zal aldus worden veroordeeld in de proceskosten, met toepassing van het gebruikelijke liquidatietarief. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

864,00

(2 punten × € 432,00)

- nakosten

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

936,00

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 760,00 voor de werkzaamheden in december 2024, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 februari 2025 tot de dag van voldoening,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 936,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. Heida, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

61291.MVU

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.V. Ulrici

Griffier

  • mr. H. Heida

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand