RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/778478 / HA ZA 25-1682
Vonnis van 15 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen ‘[eiser]’,
advocaat: mr. E.R. Boer,
tegen
1. GVB EXPLOITATIE B.V.,
2. N.V. VERZEKERINGSBEDRIJF GROOT AMSTERDAM,
beide te Amsterdam,
gedaagde partijen,
hierna te noemen ‘GVB’ en ‘VGA’ en tezamen ‘GVB c.s.’,
advocaat: mr. D.M. Gouweloos.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 november 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord van 21 januari 2026, met producties,
- het tussenvonnis van 1 april 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 juni 2026, met de daarin opgenomen stukken, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
In deze zaak staat de vraag centraal of GVB c.s. aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden, nadat hij tijdens het fietsen - tegen de rijrichting in - de controle over zijn fiets verloor en ten val kwam tegen de zijkant van een passerende tram. [eiser] stelt dat de trambestuurder hem had moeten waarschuwen en dat het uitblijven daarvan meebrengt dat GVB c.s. aansprakelijk is voor zijn schade. De rechtbank oordeelt dat de trambestuurder in de gegeven omstandigheden rechtens geen verwijt kan worden gemaakt en dat daarmee sprake is van overmacht. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
3. De feiten
Op 11 juli 2021 heeft omstreeks 00:13 uur op de Marnixstraat in Amsterdam een aanrijding plaatsgevonden tussen [eiser], als fietser, en een tram van GVB. [eiser] heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. [eiser] was ten tijde van het ongeval 47 jaar oud en werkzaam als zelfstandig ondernemer.
De politie Amsterdam-Amstelland heeft ter zake het ongeval een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, waarin het volgende is opgenomen:
“ Ter plaatse
Wij zagen ter hoogte van de Leidsekade, op de brug, een man liggen, hierna te noemen: het slachtoffer. (..) Wij zagen geen tram in de buurt van het ongeval. Deze was kennelijk doorgereden. (..)
(..)
Verklaringen getuigen
Op het plaats delict spraken wij kort met de vriendinnen tevens getuigen over het ongeval. (..) Hun verklaring kwam op het volgende neer: “Wij zijn vrienden van hem. We kwamen net vanuit de LUX. Wij liepen op de stoep en [eiser] was op de fiets. Wij liepen over het trottoir en [eiser] fietste over het fietspad. We waren net afscheid aan het nemen dus [eiser] keek naar ons. Er kwamen twee fietsers aan en [eiser] week daarvoor uit. Hij kwam toen tegen de tram aan die op dat moment voorbij reed. Hij kwam tegen het einde aan. Hij is er twee keer tegenaan [ge]komen en toen gevallen. De tram is doorgereden.”
(..)
Onderzoek VOA plaats delict
Collega’s van de VerkeersongevalAnalyse (VOA) hebben op het plaats delict onderzoek gedaan naar de toedracht van het verkeersongeval.
Toedracht
Toedracht van de aanrijding betreft een aanrijding tussen een fietser en een tram op de Marnixstraat te Amsterdam.
De fietser bereed de fiets suggestiestrook komende uit de richting van het Leidseplein en gaande in de richting van de Rozengracht. De fietser bereed op dit moment de linker fiets suggestiestrook, dus tegen het verkeer in.
De tram verplaatste zich over de rails komende uit de richting van de Rozengracht en gaande in de richting van het Leidseplein. Ter hoogte van de Wim Zonneveldbrug kwam het tot een aanrijding tussen de fietser welke tegen het verkeer in fietste en de tram. Op de plaats van de aanrijding maakt de tram een bochtje naar links. Dit betreft een flauwe curve.
Op de Wim Zonneveldbrug fietste de fietser tegen het verkeer in op de fiets suggestiestrook, op dat moment kwamen er twee fietsers aanfietsen over de fiets suggestiestrook. En liepen er twee personen op het trottoir komende uit de richting van het Leidseplein en gaande in de richting van de Rozengracht.
De fietser (het slachtoffer) nadert de twee fietsers en verliest daarbij de controle over zijn fiets, zijn voorwiel begint te slingeren. Hij komt enkele meters voor de fietsers ten val. De fietser valt naar rechts en komt met zijn hoofd mogelijk tegen de tram aan. Hij raakt de tram naar schatting halverwege of mogelijk het achterste deel van de tram. Het slachtoffer en de tegemoetkomende fietsers hebben elkaar niet geraakt.(..)”
[eiser] is die nacht per ambulance overgebracht naar de Spoedeisende Hulp (SEH) van het Amsterdam UMC, locatie AMC. Het verslag van de opname op de SEH vermeldt als conclusie – samengevat – dat bij [eiser] sprake is van (een) schedelbreuk(en) aan de rechterkant van het hoofd, een ernstige breuk en verschuiving van de wervelkolom met dwarslaesie, wat betekent dat er verlamming en/of gevoelsverlies is opgetreden onder het niveau van het letsel, meerdere breuken in de nekwervels, een gebroken borstbeen en tot slot een gebroken rib.
Op 14 juli 2021 heeft [eiser], via zijn toenmalige advocaat, GVB alsook haar aansprakelijkheidsverzekeraar VGA, aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.
GVB c.s. heeft, na het bekijken van de beschikbare camerabeelden en het opvragen van een verklaring van de betrokken trambestuurder, aansprakelijkheid niet erkend en zich beroepen op overmacht. De betrokken trambestuurder had het volgende schriftelijk verklaard:
“Op 13-12-21 kreeg ik een telefoontje van mijn leidinggevende over een incident. Dit incident had plaatsgevonden op 11-07-21 in de Marnixstraat, tijdens een dienst op lijn 5 (DW2) om 00:13 uur.
Er is blijkbaar een fietser achterop de tram gereden, en de persoon heeft hieraan letsel overgehouden.
Ik heb daar wel gereden, maar niets waargenomen. Tevens is er geen passagier naar mij toe gekomen om iets te melden, noch van buitenaf signalen gekregen.
Had ik iets waargenomen, dan had ik onze centraalpost wel opgeroepen.”
Omdat GVB c.s. haar standpunt handhaafde, heeft [eiser] op 4 november 2025 de onderhavige procedure aanhangig gemaakt.
Om duidelijkheid te krijgen of er aan de hand van het beschikbare beeldmateriaal van het ongeval kon worden vastgesteld wat bij benadering de snelheid van de tram is geweest en op welke plek de fietser de tram heeft geraakt, heeft GVB c.s. eind 2025 Bosscha Ongevallenanalyse B.V. (hierna: Bosscha) ingeschakeld.
Bosscha heeft op 24 december 2025 een rapport uitgebracht. Daaruit volgt onder meer dat de tram, die ter plaatse 50 km/u mocht rijden, bij het naderen van de Wim Sonneveldbrug ongeveer 24 km/u reed en dat de snelheid ten tijde van het contact met [eiser] ongeveer 19 km/u moet zijn geweest. Bosscha concludeert verder dat het contact tussen [eiser] en de tram ongeveer 18 meter achter de voorzijde van de tram heeft plaatsgevonden, terwijl [eiser] moest uitwijken voor twee tegemoetkomende fietsers. Verder vermeldt het rapport dat de videobeelden de indruk geven dat [eiser] kort nadat hij ter hoogte van de Leidsekade op zijn fiets was gestapt, vlak vóór zijn val zijn rechterhand van het stuur bracht of verloor.
Op 15 juni 2026 heeft [eiser] door RaNed B.V. (hierna: RaNed) een contra-expertise laten verrichten. Daarin stond de onderzoeksvraag centraal of de trambestuurder heeft moeten kunnen zien dat [eiser] een verkeersfout maakte door tegen het verkeer in te fietsen. De conclusie van het rapport is als volgt:
“Naar aanleiding van de door mij bestudeerde camerabeelden blijkt dat de bestuurder van de tram de fietser, die ter hoogte van de Leidse kade tegen de rijrichting in komt aanrijden, tijdig heeft kunnen waarnemen”
Als gevolg van het ongeval heeft [eiser] zwaar en blijvend letsel opgelopen. Bij hem is dus in elk geval sprake van een hoge traumatische dwarslaesie, waardoor hij blijvend rolstoelafhankelijk is. Sinds het ongeval is hij volledig arbeidsongeschikt geraakt, heeft hij zijn werkzaamheden als zelfstandige moeten staken, is hij voor zijn dagelijkse verzorging, verpleging en huishoudelijke ondersteuning afhankelijk van derden en is zijn huis grotendeels ongeschikt voor hem geworden.
4. Het geschil
[eiser] vordert, gezien de eisvermeerdering en de gegeven toelichting ter zitting, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
voor recht verklaart dat GVB c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval van 11 juli 2021 heeft geleden;
GVB c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat;
GVB c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 150.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;
GVB c.s. veroordeelt in de proces- en nakosten.
Aan zijn vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de trambestuurder, en daarmee GVB als diens werkgever, onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en dat GVB op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en VGA als de verzekeraar van GBV aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] die het gevolg is van het ongeval.
Hiertoe voerde [eiser] aanvankelijk aan dat de trambestuurder met een (te) hoge snelheid heeft gereden, onvoldoende snelheid heeft geminderd bij het naderen van het Leidseplein en daarmee onvoldoende heeft geanticipeerd op de (aldaar drukke) verkeerssituatie. Hij heeft zijn snelheid onvoldoende aangepast en zijn spiegels kennelijk niet actief gecontroleerd, terwijl hij had kunnen en moeten opmerken dat [eiser] op dat moment tegen de rijrichting in fietste. De trambestuurder had hem vervolgens moeten waarschuwen, bijvoorbeeld door middel van de trambel of een noodstop moeten inzetten. Volgens [eiser] is het ernstige letsel mede veroorzaakt door de snelheid waarmee de tram reed en doordat hij meerdere malen met de tram in aanraking is gekomen, aldus [eiser] in de dagvaarding.
Ter zitting heeft [eiser] zijn verwijt aan de trambestuurder evenwel ingeperkt. Gezien het rapport van Bosscha van 24 december 2025, waaruit blijkt dat de tram op het moment van de aanrijding 19 km/u reed, verwijt [eiser] de trambestuurder niet langer dat hij te hard heeft gereden en onvoldoende snelheid heeft geminderd. Ook het verwijt dat de trambestuurder geen rekening heeft gehouden met de verkeersdrukte van dat moment, onvoldoende in zijn spiegels heeft gekeken en ten onrechte geen noodstop heeft gemaakt, heeft [eiser] tijdens de zitting laten varen. Wel verwijt hij de trambestuurder nog altijd dat hij, terwijl hij kon zien dat [eiser] in de gegeven verkeerssituatie – met alle risico’s van dien – tegen het verkeer in fietste, [eiser] niet heeft gewaarschuwd door een alarmsignaal af te geven. Nu de trambestuurder ter zake het ongeval op dit punt een verwijt kan worden gemaakt, is van overmacht geen sprake. Van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van [eiser] is evenmin sprake. Volgens [eiser] brengt dit met zich dat GVB op grond van de zogenoemde 50%-regel ten minste 50% van zijn schade dient te vergoeden. Daarop dient vervolgens de billijkheidscorrectie te worden toegepast, gelet op de ernst van zijn letsel en de ingrijpende gevolgen daarvan, aldus steeds [eiser].
GVB c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, al dan niet te vermeerderen met de wettelijke rente.
GVB c.s. betwist aansprakelijk te zijn voor de schade van [eiser]. Zij stelt primair dat sprake is van overmacht aan de zijde van de trambestuurder als bedoeld in artikel 185 WVW. Volgens GVB c.s. is [eiser], nadat hij aan de verkeerde zijde van de weg op zijn fiets was gestapt, onverwacht tegen de reeds grotendeels gepasseerde tram gevallen. De trambestuurder reed volgens GVB c.s. met een aan de omstandigheden aangepaste snelheid, had het ongeval redelijkerwijs niet kunnen voorkomen en kan dus rechtens geen enkel verwijt worden gemaakt. Subsidiair stelt GVB c.s. dat sprake is van aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van [eiser], zodat de 50%-regel toepassing mist. [eiser] had zich bewust moeten zijn van het (zeer) aanzienlijke gevaar dat uitging van het tegen het verkeer in fietsen en wel op een smalle fietsstrook met mogelijk tegemoetkomende tegenliggers. Meer subsidiair voert GVB c.s. aan dat, indien de 50%-regel wel van toepassing is, geen aanleiding bestaat om de vergoedingsplicht naar boven bij te stellen. Als er al een causale gedraging van de trambestuurder kan worden aangenomen, is deze zeer gering (hooguit 10%). Zelfs indien de ernst van het letsel aanleiding geeft voor een billijkheidscorrectie dient de eventuele schadevergoedingsplicht, gezien de mate van verwijtbaarheid van [eiser], beperkt te blijven tot 50% van de schade. Tot slot betwist GVB c.s. de gevorderde hoofdelijke aansprakelijkheid, voor zover deze jegens VGA is gebaseerd op een directe actie, alsmede de gevorderde buitengerechtelijke kosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Juridisch kader
Verkeersdeelnemers zoals fietsers zijn - zeker ten opzichte van gemotoriseerde verkeersdeelnemers - kwetsbaar. Een botsing kan voor hen grote gevolgen hebben. Omdat ook een botsing met een tram ingrijpende gevolgen kan hebben voor kwetsbare verkeersdeelnemers, moet de bestuurder van een tram ten opzichte van hen net zo zorgvuldig zijn als bestuurders van een motorrijtuig. Dat een tram geen motorvoertuig is in de zin van de Wegenverkeerswet, maakt dat niet anders. Die zware zorgvuldigheidsplicht betekent dat de trambestuurder bij het bepalen van zijn rijgedrag rekening moet houden met fouten van zwakkere verkeersdeelnemers, behalve met fouten die zo onwaarschijnlijk zijn dat hij daarop redelijkerwijs niet bedacht hoefde te zijn (overmacht).
Wanneer de trambestuurder (dan wel, in dit geval, GVB als zijn werkgever) op basis van het voorgaande in beginsel aansprakelijk is, omdat hij zich niet op overmacht kan beroepen, maar de voetganger wel een fout heeft gemaakt, zonder dat sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid, is de in de jurisprudentie ontwikkelde 50%-regel van toepassing. Deze regel houdt in dat ten minste 50% van de schade van de voetganger voor rekening komt van GVB als werkgever van de trambestuurder. Dat percentage stijgt als blijkt dat de schade voor meer dan 50% het gevolg is van omstandigheden die aan GVB zijn toe te rekenen. De verdeling van de aansprakelijkheid vindt in zoverre plaats aan de hand van de wederzijdse causaliteit. Daarbij is dus ook van belang in hoeverre de schade mede het gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] zelf zijn toe te rekenen (artikel 6:101 lid 1 BW). Tot slot moet de vraag worden beantwoord of de billijkheidscorrectie tot een andere verdeling van de schade leidt. De omstandigheid dat de tram een groot gevaar voor voetgangers in zich bergt door de grote massa ervan, de lange remweg en de onmogelijkheid om uit te wijken, is verdisconteerd in de 50%-regel. Dit mag dus niet opnieuw in aanmerking worden genomen bij de beslissing over toepassing van de billijkheidscorrectie.
Beroep op overmacht slaagt
De rechtbank stelt voorop dat een beroep op overmacht volgens vaste rechtspraak alleen kan slagen als GVB c.s. aannemelijk maakt dat de trambestuurder rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de manier waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen. Daarvoor moet aannemelijk zijn dat de gedragingen van [eiser] zo onwaarschijnlijk waren dat de trambestuurder daarmee bij het bepalen van zijn verkeersgedrag redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden.
In dit kader is allereerst van belang om vast te stellen wat nu precies de feitelijke toedracht van het ongeval is geweest. Vaststaat dat [eiser] niet door de tram is aangereden. [eiser] fietste tegen de rijrichting in, verloor vervolgens de controle over het stuur van zijn fiets en kwam daarna ten val tegen de rechterzijde van tram, die [eiser] toen al grotendeels was gepasseerd. Uit het proces-verbaal volgt dat het voorwiel van de fiets van [eiser] begon te slingeren toen hij twee tegemoetkomende fietsers naderde. Ook Bosscha concludeert dat het contact met de tram ontstond doordat [eiser] tijdens het passeren van de tram ten val kwam. Het ongeval is daarmee niet veroorzaakt doordat de tram tegen [eiser] is gereden, maar doordat [eiser] tegen de passerende tram is gevallen.
Gegeven deze toedracht is vervolgens van belang om vast te stellen welk verwijt de trambestuurder in dit verband nu precies kan worden gemaakt. Gelet op de gegeven toelichting ter zitting verwijt [eiser] de trambestuurder thans dus nog uitsluitend dat hij [eiser] niet heeft gewaarschuwd toen hij zag dat [eiser] tegen het verkeer in fietste.
[eiser] stelt hieromtrent dat hij op zijn fiets stapte vóórdat de tram hem passeerde, zodat de trambestuurder hem heeft moeten zien en daarmee ook heeft moeten zien dat [eiser] een verkeersfout maakte door tegen de rijrichting in te fietsen. Dat volgt ook uit de contra-expertise van RaNed. De trambestuurder, die net twee fietsers in dezelfde rijrichting had gepasseerd, had vervolgens ook moeten onderkennen dat [eiser] en de twee hem aldus tegemoetkomende fietsers elkaar op het versmalde fietspad niet veilig zouden kunnen passeren. Tussen het moment waarop [eiser] op zijn fiets stapte en het moment waarop hij ten val kwam, verstreken ongeveer drie seconden. In die drie seconden had de trambestuurder [eiser] moeten waarschuwen, bijvoorbeeld door het luiden van de trambel. Als dat was gebeurd, had [eiser] zijn gedrag nog kunnen aanpassen en had het ongeval volgens hem voorkomen kunnen worden. Door dit waarschuwen na te laten, heeft de trambestuurder een fout gemaakt en kan de trambestuurder rechtens een verwijt worden gemaakt, aldus [eiser].
Ook als ervan wordt uitgegaan dat de trambestuurder [eiser] (en zijn verkeersfout) in de gegeven situatie gedurende drie seconden heeft kunnen of moeten waarnemen, leidt dat niet tot de conclusie dat de trambestuurder, door zijn weg te vervolgen (en wel zonder de bel te luiden), een verwijt kan worden gemaakt. Doorslaggevend is niet hoe lang de trambestuurder [eiser] kon zien, maar wat hij in die drie seconden redelijkerwijs uit de situatie heeft kunnen of moeten afleiden. In die drie seconden kon de trambestuurder waarnemen dat [eiser] tegen de rijrichting in reed, parallel aan de tram, en mogelijk ook dat [eiser] de eerder door de tram gepasseerde twee fietsers zou tegenkomen op de verder smalle fietsstrook. Daaruit kon de trambestuurder echter nog niet afleiden dat een val van [eiser] tegen de tram dreigde. Het enkele feit dat een fietser tegen het verkeer in, parallel aan een passerende tram rijdt, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat er mogelijk een botsing met of een val tegen die tram dreigt, ook niet in de gegeven verkeerssituatie. Op basis van het beschikbare beeldmateriaal bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat een val tegen de tram door [eiser], omdat hij tegen het verkeer in fietste en zou moeten uitwijken voor tegenliggers, zonder meer in de rede lag. Het ongeval is, zoals uit het voorgaande volgt, ook niet daardoor ontstaan, maar doordat [eiser] tijdens zijn uitwijkmanoeuvre onverwacht de controle over zijn fiets verloor (zijn hand ging van het stuur) en tegen de passerende tram viel. Dat zijn twee te onderscheiden oorzaken die niet zonder meer in elkaars verlengde liggen.
Van een beroepsmatige trambestuurder mag worden verwacht dat hij rekening houdt met mogelijke verkeersfouten van andere (zwakkere) weggebruikers, maar niet met een zodanig onverwachte ontwikkeling dat een fietser die parallel naast een passerende tram rijdt plotseling de controle over zijn fiets verliest en tegen de zijkant van die tram valt. Met een dergelijk verloop van de gebeurtenissen hoefde de trambestuurder dan ook redelijkerwijs geen rekening te houden.
Ten overvloede wordt nog overwogen dat ook niet valt in te zien hóe de trambestuurder, als hij in de gegeven situatie had gereageerd op het gevaarlijke rijgedrag van [eiser], een val tegen de tram nog had kunnen voorkomen. Nog langzamer rijden of een noodstop, met alle gevolgen van dien, had de val tegen de tram in elk geval niet kunnen voorkomen. [eiser] heeft dit ter zitting ook erkend en stelde vervolgens dus dat de trambestuurder wel nog de optie had een waarschuwingssignaal met de trambel af te geven. Met GVB c.s. is de rechtbank evenwel van oordeel dat een trambel slechts is bedoeld om weggebruikers te waarschuwen voor een concreet dreigende conflicterende situatie met de tram, bijvoorbeeld als weggebruikers de tram niet opmerken en dreigen te gaan oversteken. Een dergelijke situatie deed zich hier niet voor. [eiser] heeft ter zitting bevestigd dat hij de tram had gezien toen deze hem passeerde. Onder die omstandigheden valt niet in te zien welk doel een waarschuwing door middel van de trambel nog had kunnen dienen. Daar komt dus bij dat het concrete gevaar, leidende tot de val, in de situatie van [eiser] dus pas ontstond toen de tram al grotendeels was gepasseerd en [eiser] onverwacht de controle over zijn fiets verloor. Op dat moment kon de trambestuurder het ongeval hoe dan ook niet meer voorkomen, ook niet door te bellen. Dat de trambestuurder niet heeft gebeld of op een andere wijze heeft gewaarschuwd, betekent in de gegeven omstandigheden dan ook niet dat hem rechtens enig verwijt kan worden gemaakt.
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van GVB c.s. op overmacht en komen de vorderingen van [eiser] niet voor toewijzing in aanmerking. Bij deze stand van zaken behoeven de overige verweren van GVB c.s. geen bespreking meer.
De rechtbank realiseert zich dat deze uitkomst voor [eiser] bijzonder ingrijpend is. Door het ongeval heeft hij zeer ernstig en blijvend letsel opgelopen en is zijn leven onomkeerbaar veranderd. Zonder financiële tegemoetkoming zal het voor [eiser] uitermate ingewikkeld zijn om zijn woning naar zijn huidige situatie aan te passen en om in zijn levensonderhoud en noodzakelijke verzorging te voorzien. Dat maakt de uitkomst in deze zaak voor [eiser] vanuit menselijk oogpunt buitengewoon schrijnend. De rechtbank moet de aansprakelijkheidsvraag echter beantwoorden aan de hand van de daarvoor geldende regels. Dat leidt in dit geval tot de conclusie dat GVB c.s. een geslaagd beroep op overmacht toekomt, omdat de trambestuurder gewoonweg geen enkel verwijt kan worden gemaakt.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van GVB c.s. betalen. De advocaat van [eiser] heeft op het allerlaatste moment de vordering van het voorschot verhoogd van € 15.000 naar € 150.000. Dat heeft aanzienlijke gevolgen voor de hoogte van het griffierecht en het liquidatietarief. De rechtbank vermoedt dat de advocaat van [eiser] (en daarmee [eiser]) zich onvoldoende heeft gerealiseerd wat de consequenties van één en ander zouden zijn als de vorderingen, zoals het geval is, niet worden toegewezen, te weten een bijzonder hoge proceskostenveroordeling. De rechtbank ziet in de bijzondere omstandigheden van dit geval, waaronder begrepen het tijdstip van de indiening van de wijziging en de omvang ervan, aanleiding om bij wijze van uitzondering geen verhoging van het griffierecht door te voeren. Voor zover bij partijen al een aanvulling op het griffierecht is geïncasseerd, zal dit bedrag worden teruggestort. Wat het liquidatietarief betreft, zal de rechtbank bij de berekening van de proceskosten van GVB c.s. aansluiten bij het eerdere tarief dat behoort bij de gevorderde € 15.000, ook omdat niet gebleken is dat GVB c.s. naar aanleiding van de vermeerdering van eis extra kosten heeft gemaakt. De proceskosten van GVB c.s. worden daarmee begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.490,00
6. De beslissing
De rechtbank
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van GVB c.s. van € 4.490,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de proceskostenveroordelingen van 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.