RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/790337 / KG ZA 26-585 MK/GR
Vonnis in kort geding van 15 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 17 augustus 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Doruk,
tegen
de stichting
STICHTING AMSTERDAM UMC,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: UMC,
advocaat: mr. M.J.J. de Ridder.
1. De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 25 augustus 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. UMC heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht, en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
Op de mondelinge behandeling verscheen [eiser] met mr. Doruk. Aan de zijde van UMC verschenen mr. [naam 1] (jurist) en dr. [naam 2] (neuroradioloog) met mr. De Ridder.
Na de mondelinge behandeling hebben partijen onderzocht of een regeling alsnog mogelijk was. Desverzocht is geen reactie gekomen op de vraag of dat geluk is waarna vonnis wordt gewezen vandaag.
2. De feiten
[eiser] is patiënt geweest bij UMC. In 2005 leed hij aan een subarachnoïdale bloeding, waarna een aneurysma endovasculair is behandeld (‘gecoild’) teneinde een herseninfarct te voorkomen.
Op 5 september 2016 onderging [eiser] een medisch onderzoek bij UMC ter evaluatie van het eerder gecoilde aneurysma. Dit onderzoek leidde tot het besluit om een nadere endovasculaire behandeling van het aneurysma (‘bijcoiling’) uit te voeren. Op 4 oktober 2016 onderging [eiser] deze bijcoiling operatie bij UMC (hierna: de operatie).
Partijen vermoeden dat het coil-materiaal (‘spiraaltje’) dat is gebruikt in de loop van de tijd op [eiser] ’s oogzenuw is gaan drukken. Sinds de operatie is [eiser] steeds minder goed gaan zien met zijn rechteroog en heeft hij last van dubbelbeelden.
Bij brief van 21 augustus 2018 heeft de (voormalig) advocaat van [eiser] het volgende aan UMC geschreven.
In bovengenoemde zaak behartig ik de belangen van uw patiënt [ [eiser] ], naar aanleiding van een medische behandeling medio maart 2016.
Voor een goede beoordeling van het letsel en de daaruit voortvloeiende beperkingen, ontvang ik graag een kopie van het medisch dossier (incl. X-ray foto’s, operatieverslagen etc.) van [ [eiser] ]. Een daartoe benodigde medische machtiging gaat hierbij.
Op 27 oktober 2020 heeft [eiser] een gesprek gehad met dr. F.W.A. Hoefnagels , neurochirurg bij het UMC. [eiser] heeft van dit gesprek het volgende verslag opgesteld, althans laten opstellen.
Dr. Hoefnagels heeft recente medische informatie van de Koninklijke Visio ontvangen en dit meegenomen in het huidige gesprek.
In het verleden is een aneurysma in de hersenen gecoild. Onder narcose is via de lies het aneurysma opgevuld met een spiraaltje. Dit om te voorkomen dat het aneurysma tot een hersenbloeding zou leiden. Wanneer deze operatie niet zou zijn uitgevoerd, zou dit met een kans van 1 op 5 hebben kunnen lijden tot de dood. In 1 op de 5 gevallen zijn de gevolgen van de bloeding minimaal en kan iemand zijn dagelijks leven voortzetten. In alle andere gevallen zitten de gevolgen er tussen in. Mensen leven dan met blijvende stoornissen, zoals lichamelijke verlamming en cognitieve stoornissen. Om deze reden is de coiling uitgevoerd.
Echter, het aneurysma, opgevuld met het spiraaltje, is op een zenuw die de ogen aanstuurt gaan drukken. Eén oog wordt daardoor niet goed meer aangestuurd en dhr. ziet vaak dubbel.
Het verhelpen hiervan zou kunnen verlopen middels een hersenoperatie, maar dit brengt een grote risico’s met zich mee. Dr. Hoefnagels heeft 27-10-2020 aangegeven dat hij deze risico’s niet wil nemen en geen operatie zal uitvoeren. Dhr. zal met de gevolgen van de coiling moeten leren leven. Dr. Hoefnagels geeft aan dat het belangrijk is om met anderen erover te praten. Ook kan het helpen om 1 oog af te plakken. Hij zal dan niet dubbel zien, wel valt een deel van het gezichtsveld weg, maar dat geeft een beter beeld en went mogelijk ook. Dhr. moet zeker meer dan 1 maand de tijd nemen om hieraan te wennen.
Tevens sprak dr. over een oogoperatie waarbij het oog wordt vastgezet. Hij gaf aan dat dit ook niet het gewenste effect zal hebben.
Dr. Hoefnagels verwacht geen problemen met het evenwichtsorgaan en verwacht dat een bezoek aan KNO-afdeling/evenwichtscentrum niets zal opleveren. In dat geval zou het klachtenbeeld anders zijn.
Enkel bij een forse toename van klachten moet dhr. [eiser] contact opnemen met de huisarts/ziekenhuis.
Na het gesprek van 27 oktober 2020 is [eiser] ’s medische toestand verslechterd en heeft hij drie operaties (strabismuscorrecties) ondergaan. Verschillende medische onderzoeken wijzen uit dat [eiser] lijdt aan een gedeeltelijke verlamming van de derde hersenzenuw (‘partiële NIII-parese’), rechterzijde.
Op 22 november 2022 heeft [eiser] een schriftelijke aansprakelijkstelling aan UMC gestuurd, en op 6 januari 2025 opnieuw, verwijzend naar de verklaring van dr. Hoefnagels van 27 oktober 2020. Bij brieven van 12 en 26 februari 2025 heeft UMC haar aansprakelijkheid van de hand gewezen.
Bij e-mail van 19 juni 2026 heeft [eiser] het volgende bericht aan zijn advocaat gestuurd, dat door laatstgenoemde in het geding is gebracht.
Het gaat niet goed met mij.
Ik ben bang dat ik door stress weer een herseninfarct ga krijgen. En mijn ogen gaan ook achteruit.
Ik geef je opdracht om per direct een spoedprocedure te starten, ongeacht de uitkomst. Ik wil voorlopig duidelijkheid.
Als er kosten of risico zij dan is dit voor mij.
[eiser] is dit kort geding gestart.
3. Het geschil
[eiser] vordert (i) UMC te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding ter hoogte van € 10.000 te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, (ii) met veroordeling van UMC in de proces- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
[eiser] legt aan zijn vordering primair de geneeskundige behandelingsovereenkomst
in de zin van artikel 7:446 BW met UMC ten grondslag. UMC was op basis daarvan, op de voet van artikel 7:453 BW, gehouden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen, overeenkomstig de op haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Het resultaat zoals omschreven in de verklaring van dr. Hoefnagels (zie 2.5) past niet bij een aneurysma (bij)coiling die overeenkomstig die professionele standaard is uitgevoerd. De omstandigheid dat deze neurochirurgische ingreep in dit geval heeft geresulteerd in zenuwcompressie leidt tot een toerekenbare tekortkoming (zorgplichtschending) in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Subsidiair is het handelen van UMC een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW.
Ondanks een nader in te stellen vordering in een bodemprocedure is een voorschot op schadevergoeding in dit kort geding gerechtvaardigd. Dr. Hoefnagels heeft op 27 oktober 2020 immers bevestigd dat het spiraaltje (coil-materiaal) druk uitoefent op [eiser] ’s oogzenuw als gevolg van de ingreep van 4 oktober 2016 en [eiser] ’s medisch dossier over 2021-2024 bevestigt ook consistent de diagnose partiële NIII-parese rechteroog na de bij-coiling in 2016. [eiser] heeft drie strabismuscorrecties ondergaan zonder volledig therapeutisch succes. Het bestaan van letselschade staat daarmee thans reeds in hoge mate vast en UMC heeft dit ook niet bestreden.
UMC voert verweer en voert aan dat deze zaak niet leent voor kort geding. [eiser] ’s vordering is daarnaast verjaard en bovendien is er geen sprake van onzorgvuldig handelen en geen causaliteit tussen de operatie en de schade waar [eiser] aan lijdt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom (voorschot op schadevergoeding). Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Het UMC voert in dit kort geding verweren die niet op voorhand onaannemelijk zijn. Dat maakt dat geen sprake is van een voorshands oordeel ten gunste van [eiser] . Dat wordt als volgt toegelicht.
verjaring
[eiser] stelt dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 c.q. lid 5 BW pas na het gesprek met dr. Hoefnagels op 27 oktober 2020 is aangevangen en niet, zoals UMC aanvoert, na het schrijven van zijn voormalig advocaat aan UMC op 21 augustus 2018. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad inzake verjaring bepaalt dat het vereiste dat de benadeelde bekend is geworden met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon uitsluitend slaat op ‘daadwerkelijke bekendheid’ en niet op de bekendheid die de benadeelde had kunnen of moeten hebben. Bij lichamelijke klachten van onduidelijke herkomst geldt dat van daadwerkelijke bekendheid pas sprake is wanneer de oorzaak van de klachten met voldoende mate van zekerheid door een ter zake deskundig arts is gediagnosticeerd (ECLI:NL:HR:2003:AF0694). Het enkele vermoeden van de benadeelde, of de loutere aanwezigheid van klachten, is onvoldoende om de verjaringstermijn te doen aanvangen.
UMC heeft daarentegen aangevoerd dat [eiser] reeds in 2018 een letselschadeadvocaat de opdracht heeft gegeven een vordering jegens haar in te stellen. Deze letselschadeadvocaat heeft vervolgens stukken opgevraagd, kopie van het dossier ontvangen en de claim beoordeeld (zie 2.4). In dat verband heeft UMC ter zitting rechtsoverweging 3.4.1 van voormeld arrest aangehaald, dat luidt als volgt.
[…] Aan het bekendheidsvereiste van art. 3:310 lid 1 BW moet geacht worden te zijn voldaan als de benadeelde zelf, zoals ook in het onderhavige geval, het voor mogelijk houdt dat zijn schade verband houdt met het handelen of nalaten van een bepaald persoon […]. Dat de benadeelde vooralsnog niet in zijn vermoeden wordt bevestigd, doet hier niet aan af. Als hij bevestiging van zijn vermoeden wenst, mag van hem verlangd worden dat hij met zodanige voortvarendheid nader onderzoek laat verrichten dat hij in staat is binnen de termijn van vijf jaar (vanaf het tijdstip dat het vermoeden bij hem rees) te besluiten of er grond bestaat de voltooiing van de verjaring te voorkomen […]
Volgens het UMC is daarmee de verjaring aangevangen kort na de brief uit 2018 (na ontvangt van het dossier) aangevangen en in 2023 verlopen. De aansprakelijkstelling van op 22 november 2022, waarmee [eiser] de voltooiing van de verjaring had kunnen voorkomen, heeft geen stuitende werking gehad nu UMC betwist dat zij deze heeft ontvangen (en, bovendien, dat [eiser] die heeft verzonden). Dat deze aansprakelijkstelling niet aangetekend is verzonden en nader bewijs van ontvangst of verzending ontbreekt komt voor [eiser] ’s risico.
Gelet op deze feiten en omstandigheden kan de voorzieningenrechter niet met enige zekerheid vaststellen dat de verjaring niet is voltooid. Het betoog van UMC dat de verjaring is voltooid in 2023 overtuigt in die zin dat als een letselschadeadvocaat kopie van een dossier ontvangt, van hem of haar verwacht mag worden dat te bekijken. Dat daaruit het letsel volgt waarop [eiser] nu zijn schadevergoeding baseert, heeft [eiser] onvoldoende betwist. En dan is vijf jaar verstreken.
causaliteit
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de neuroradioloog van UMC (dr. [naam 2] ) die betrokken was bij de operatie van [eiser] in 2016 een toelichting gegeven. Toegelicht is dat het aneurysma ook zonder (bij)coil-materiaal (spiraaltje) op de hersenzenuw kan drukken en dat de belangrijkste reden van de operatie was dat het aneurysma niet zou gaan bloeden. Volgens dr. [naam 2] vond uitval van de hersenzenuw al vóór de (bij)coiling plaats en was dat zelfs de reden om de (bij)coiling uit te voeren, althans een van de belangrijke redenen. Het feit dat er daarna (ook) uitval van de hersenzenuw is opgetreden, wil niet zeggen dat dat door de operatie komt. Betwist wordt dan ook dat het gewraakte resultaat het gevolg was van de operatie; dat vormde veeleer de aanleiding daartoe. De gestelde onzorgvuldig wordt ook niet anders onderbouwd dan door toeschrijving aan het resultaat, dat al voor de operatie aanwezig was.
In reactie hierop heeft [eiser] aangegeven dat hij als niet-medicus niet in staat is inhoudelijk op de professionele mening van dr. [naam 2] te reageren. Geconstateerd wordt slechts dat er een discrepantie bestaat tussen deze toelichting van dr. [naam 2] en het verslag van (de bespreking met) dr. Hoefnagels . [eiser] heeft UMC verzocht of zij wil nadenken over een onafhankelijk deskundigenonderzoek- en oordeel. Daarvoor bestaat in kort geding evenwel geen ruimte.
Bij deze stand van zaken is ook de causaliteit een zelfstandige drempel voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding.
restitutierisico
Ter weerlegging van het door UMC aangevoerde restitutierisico heeft [eiser] niet toegelicht waarom er geen noemenswaardige kans op onvermogen tot terugbetaling van het voorschot op schadevergoeding bestaat. Dat hij het voorschot zo nodig in termijnen kan terugbetalen, zoals [eiser] ter zitting heeft gezegd, onderstreept het bestaan van een restitutierisico, zoals UMC terecht heeft aangevoerd.
conclusie
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter onderzoekt niet alleen of het bestaan van een vordering van [eiser] op UMC in voldoende mate aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Daarbij speelt ook mee het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Het bestaan van een vordering van [eiser] op UMC is gelet op het gevoerde verjarings- en causaliteitsverweer onvoldoende aannemelijk geworden voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in kort geding. Het kan zijn dat een bodemrechter dat anders ziet, maar daar kan in kort geding niet op voorhand van uit worden gegaan.
Een onmiddellijke voorziening is dan niet op zijn plaats, temeer nu er een reëel risico bestaat dat [eiser] niet kan terugbetalen. Hoewel [eiser] ’s situatie prangend is en zijn belang bij een voorschot op schadevergoeding voldoende aannemelijk, weeg dat niet op tegen het belang van UMC om bij de onzekere vordering tot een voorschot op schadevergoeding veroordeeld te worden. Dit betekent dat de vordering wordt afgewezen.
proceskosten
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van UMC worden begroot op:
- griffierecht
€
3.083
- salaris advocaat
€
1.177
- nakosten
€
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.449
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.449, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.