RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12307784 \ CV FORM 26-8979
Beschikking in incident van 9 september 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats 1] (Luxemburg ),
verzoekende partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [gemeente] ,
verwerende partij in de hoofdzaak, verzoeker in het incident,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers.
1. De procedure
In het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861/2007, hierna: de EPGV) heeft [verzoeker] door middel van het Vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 EPGV een verzoek ingediend. Dit verzoek is per e-mail ontvangen op 9 juli 2026.
[verweerder] heeft het antwoordformulier C als bedoeld in artikel 5 lid 3 EPGV, met producties, ingediend, ontvangen 12 augustus 2026. [verweerder] heeft daarbij een bevoegdheidsincident opgeworpen.
[verzoeker] is vervolgens bij brief van 31 augustus 2026 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de bevoegdheid van de Rechtbank Amsterdam. Dit heeft hij bij e-mail van 2 september 2026 gedaan.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. Het geschil in de hoofdzaak en in het incident
In de hoofdzaak verzoekt [verzoeker] dat [verweerder] wordt veroordeeld om 25 harddrives aan hem te retourneren, dan wel om € 1.100,- aan hem te betalen, met een veroordeling in de proceskosten.
In de hoofdzaak
Volgens [verzoeker] is hij eigenaar van twintig ‘Hitachi Unistar 7K5000 4TB’ en vijf ‘Dell/Toshiba 6TB SATA’ harddrives, met een totaalwaarde van ongeveer € 1.100,-. [verzoeker] stelt dat hij de harddrives aan [verweerder] had uitgeleend. Nadat partijen hun relatie beëindigd hadden, weigert [verweerder] de harddrives te retourneren ondanks haar toezegging, aldus [verzoeker] .
In het incident
In het bevoegdheidsincident verzoekt [verweerder] dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht. Zij stelt dat de gronden die [verzoeker] onder punt ‘4. Bevoegdheid’ van het vorderingsformulier A heeft aangekruist, niet tot bevoegdheid van de kantonrechter van Amsterdam kunnen leiden. De woonplaats van [verweerder] en de plaats van nakoming van de verplichting zijn namelijk gelegen in het arrondissement van de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht.
[verzoeker] betwist dat de kantonrechter van deze rechtbank onbevoegd is. Volgens hem woonde [verweerder] in [plaats] en bevonden de harddrives zich in het appartement dat zij gehuurd hadden in [plaats] . Daarnaast heeft het schadebrengende feit, voor zover sprake is van een onrechtmatige daad, zich voorgedaan in [plaats] , aldus [verzoeker] . [verzoeker] heeft zijn verzoek om die reden, voor zover nodig, aangevuld met de bevoegdheidsgrond ‘plaats van schadebrengende feit’.
3. De beoordeling
[verweerder] heeft verzocht dat de kantonrechter in Amsterdam zich onbevoegd verklaard. Volgens [verzoeker] is de kantonrechter in Amsterdam bevoegd.
De vraag die hieraan vooraf gaat is of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Partijen zijn namelijk gevestigd op het grondgebied van verschillende lidstaten van de Europese Unie, te weten Luxemburg en Nederland. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-bis).
[verzoeker] voert aan dat [plaats] de plaats is van het schadebrengende feit, omdat partijen hier indertijd samenwoonden toen hij de harddrives aan [verweerder] uitleende. Of dit nou als onrechtmatige daad aangemerkt moet worden of als een overeenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder] , in beide gevallen bepaalt artikel 7 Brussel I-bis een bevoegdheidsregel. Volgens dat artikel kan een gedaagde in een andere lidstaat dan hij woont voor het gerecht worden gedaagd, namelijk in de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich voordeed, althans de overeenkomst uitgevoerd moest worden. Daarvan is in dit geval geen sprake, want de lidstaat waar [verweerder] gedaagd wordt, is de lidstaat waar zij woont. Op grond van het schadebrengende feit of overeenkomst is de Nederlandse rechter niet bevoegd, dus ook niet de kantonrechter in Amsterdam.
Op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis is de Nederlandse rechter bevoegd, omdat [verweerder] in Nederland woont. Dat artikel wijst geen specifiek gerecht in Nederland aan. De vraag welke kantonrechter in Nederland relatief bevoegd is, moet beantwoord worden aan de hand van de artikelen 99 tot en met 110 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 102 Rv is voor een zaak uit onrechtmatige daad ook de rechter bevoegd waar het schadebrengende feit zich heeft afgespeeld. Uit de stellingen van partijen blijkt dat zij onderling (vage) afspraken hebben gemaakt over het teruggeven van de harddrives. Voor zover het niet-teruggeven als onrechtmatige daad aangemerkt moet worden, is onvoldoende duidelijk waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Het enkele feit dat de harddrives in het voormalige huurappartement van partijen in [plaats] hebben gelegen, is daarvoor onvoldoende. Hieruit volgt geen bevoegdheid voor de kantonrechter in Amsterdam.
De overige artikelen uit Rv bieden in dit geval geen alternatieve bevoegdheidsgrond voor de kantonrechter in Amsterdam. Ook Brussel I-bis biedt geen andere bevoegdheidsgrond voor de Nederlandse rechter of de kantonrechter in Amsterdam.
Dat betekent dat de hoofdregel van artikel 99 lid 1 Rv hier van toepassing is, namelijk de rechter van het arrondissement waar [verweerder] haar woonplaats heeft. Dat betekent dat de kantonrechter in Amsterdam zich onbevoegd moet verklaren om over deze zaak te beslissen, omdat [verweerder] niet meer in Amsterdam woonachtig is.
Kan het verzoek worden doorgezonden naar de rechtbank Limburg?
[verweerder] stelt dat zij in het arrondissement van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, woont. Hoewel [verweerder] haar exacte adres niet heeft genoemd, procedeert zij met een gemachtigde. De kantonrechter ziet onvoldoende aanleiding om aan haar stelling te twijfelen. [verweerder] heeft namelijk toegelicht dat zij in het verleden bij de politie melding heeft gemaakt van staking door [verzoeker] , waardoor zij niet wil dat hij haar adresgegevens weet. Daarbij heeft zij woonplaats gekozen op het kantoor van haar advocaat-gemachtigde dat in het arrondissement van de rechtbank Limburg zetelt. Uit het voorgaande volgt dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, omdat [verweerder] daar haar woonplaats heeft.
Om die reden zal de kantonrechter de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar de rechtbank Limburg, locatie Maastricht.
Proceskosten
[verzoeker] is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de kosten van het incident (inclusief nakosten) betalen. De kosten van [verweerder] worden begroot op € 144,-, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (1 punt x € 144,-).
4. De beslissing
De kantonrechter
In het incident
verklaart zich onbevoegd om de verzoeken te behandelen en daarover te beslissen,
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 144,-,
In de hoofdzaak:
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich momenteel bevindt naar de rechtbank Limburg , locatie Maastricht.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 9 september 2026.
64183