ECLI:NL:RBAMS:2026:9307

ECLI:NL:RBAMS:2026:9307

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 13/007152-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een 35-jarige man is veroordeeld tot 80 uur taakstraf waarvan 40 uur voorwaardelijk omdat hij op 2 september 2025 in Amsterdam-West als fatbiker zich aanmerkelijk onvoorzichtig gedroeg. Daardoor botste hij met een tram. Daarbij liep zijn zoontje dat in het kinderzitje zat een schedelbreuk op met afasie tot gevolg.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/007152-26

Datum uitspraak: 17 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. Snoeij, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 2 september 2025 te Amsterdam door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel (subsidiair) hij zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Verdachte heeft minimaal aanmerkelijke schuld aan het veroorzaken van het verkeersongeval. Hij is zonder op te letten, of de tram überhaupt maar op te merken, met zijn capuchon op door rood licht gefietst. Ook heeft verdachte daarbij het klingelen van de tram genegeerd. Het verkeersgedrag van verdachte wijkt daarmee af van wat je van een voorzichtige en/of redelijke verkeersdeelnemer in deze situatie mag verwachten. Het slachtoffer heeft door het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.

Het verkeersgedrag van verdachte is niet te kwalificeren als gedrag in strijd met het bepaalde in de artikelen 5 of 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Het is niet zo dat verdachte niet oplette, maar hij heeft de omgeving en wat hij zag verkeerd geïnterpreteerd. Daarbij dient betrokken te worden dat verdachte met zijn zoontje voorop de fiets reed, waardoor hij van nature voorzichter reed dan dat hij zou doen wanneer hij zijn zoontje niet voorop de fiets had. Zijn zoontje heeft geen blijvend letsel overgehouden aan het verkeersongeval.

Daarbij komt dat ook als verdachte zich niet aan de verkeersregels zou hebben gehouden, het aan de trambestuurder is om daarop te anticiperen in die zin, dat de trambestuurder ziet wat er aan mogelijk gevaar dreigt.

Oordeel van de rechtbank

Feitelijke toedracht

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

In de ochtend van 2 september 2025 rond 08:45 uur reed verdachte, met zijn toen tweejarige zoontje ( [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ) voorop in het kinderzitje, op een fatbike over het fietspad van de Tweede Hugo de Grootstraat te Amsterdam. Hij had zojuist het kind van zijn vriendin naar school gebracht en was op weg naar huis. Verdachte kwam uit de richting van de Van Houwelingenstraat en ging in de richting van de Nassaukade. Aangekomen bij de rotonde van het Hugo de Grootplein kruiste het fietspad waarop verdachte reed de trambaan van de Frederik Hendrikstraat, waarop zojuist een tram bij de tramhalte Hugo de Grootplein vertrokken was. Er klonk daarbij een belsignaal om aan te geven dat de tram was gaan rijden. De tram kwam uit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen - vanuit de rijrichting van verdachte gezien komend van links - en reed in de richting van de Bilderdijkstraat. Op de kruising van het fietspad met de trambaan is verdachte met de tram in botsing gekomen. Bij nadering van verkeer over de trambaan wordt het verkeer op de kruising geregeld met verkeerslichten. Het verkeerslicht voor de fietsers straalde rood licht uit op het moment dat verdachte de stopstreep passeerde. Het zoontje van verdachte heeft als gevolg van het ongeval een schedelbreuk opgelopen.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van de WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat het voor hem geldende verkeerslicht groen was, en toen hij de bel van de tram hoorde was het naar zijn zeggen al te laat om nog te kunnen stoppen. Hij is goed bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Hij weet dat er trams rijden en weet ook dat er verkeerslichten zijn.

Uit de analyse van het faselog van de verkeerslichten volgt dat het verkeerslicht (negenoog) voor de tram bijna negen seconden wit licht uitstraalde op het moment dat de tram de stopstreep passeerde. Het voor verdachte geldende verkeerslicht voor de fietsers straalde gedurende al die tijd rood licht uit. Getuige [naam getuige] (zie voetnoot 3) die op de fiets achter verdachte reed, heeft verklaard dat het verkeerslicht voor de fietsers op rood ging en dat zij stopte maar dat verdachte het rode verkeerslicht negeerde en in botsing kwam met de tram. Op de camerabeelden die gemaakt zijn vanuit de tram, en die ter terechtzitting zijn bekeken, is te zien dat er, voordat verdachte in beeld komt, een fietser vóór hem bij de stopstreep tot stilstand komt en dat deze fietser vervolgens door verdachte op zijn fatbike wordt gepasseerd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ernstig tekort is geschoten in zijn verkeersgedrag zoals dat van een voldoende voorzichtige verkeersdeelnemer mag worden verwacht, door in de ochtendspits op een druk verkeerspunt in de Amsterdamse binnenstad niet alleen een rood verkeerslicht te negeren, maar ook overigens geen enkele acht te slaan op zijn omgeving en de overige verkeersdeelnemers. Het betreffende verkeerslicht stond al enige tijd op rood en verdachte wist dat er ter plaatse een verkeerslicht stond voor de oversteek van de trambaan, zodat hij dit al van een afstand had kunnen waarnemen. Dit geldt ook voor de vertrekkende tram, die bovendien zijn bel heeft laten klinken om te waarschuwen, wat verdachte ook niet heeft opgemerkt. Dit is des te kwalijker nu verdachte op dat moment ook de zorg had voor zijn zoontje dat in het kinderzitje voorop de fiets zat. Het is daarom aan de schuld in de zin van artikel 6 WVW van verdachte te wijten dat het ongeval heeft plaatsgevonden.

Wat betreft de stelling van de raadsman dat het ongeval (mede) aan de schuld van de trambestuurder te wijten is doordat deze slecht anticipeerde op de situatie ter plaatse, overweegt de rechtbank als volgt.

Medeschuld kan slechts in uitzonderlijke gevallen de verwijtbaarheid van de verdachte aantasten of in de weg staan aan de vereiste causaliteit tussen het verkeersgedrag van de verdachte en de aanrijding. De door de raadsman genoemde omstandigheden maken op geen enkele wijze dat in de onderhavige zaak van een dergelijk uitzonderlijk geval sprake is.

Er was geen sprake van een situatie waarin van de trambestuurder mocht worden verwacht dat hij anders zou hebben gehandeld dan dat hij heeft gedaan. Verdachte mocht er gezien zijn eigen rijgedrag ook niet van uitgaan dat dit wel het geval zou zijn. De trambestuurder reed met lage snelheid en heeft, toen hij zag dat verdachte door rood reed, een noodstop ingezet. Naar alle waarschijnlijkheid heeft het handelen van de trambestuurder er dan ook toe bijgedragen dat de gevolgen van het ongeval niet veel ernstiger waren dan dat die nu al zijn.

Wat betreft het letsel van het slachtoffer is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat er gelet op de ernst en de aard van de verwondingen sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het slachtoffer is drie dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest in verband met een schedelbreuk met een traumatische subdurale bloeding. Waar aanvankelijk sprake leek te zijn van een spoedig herstel, ontstonden vijf maanden later toch zorgen over zijn spraak. Uit informatie van R. Yahood, kinderrevalidatiearts bij Reade van 28 mei 2026, blijkt dat het slachtoffer sinds het ongeluk met name een achterstand lijkt te hebben op het gebied van taal- en spraakontwikkeling zodat er vooralsnog geen sprake is van volledig herstel.

Conclusie

Dit alles maakt dat verdachte door zich in het drukke stadsverkeer te gedragen zoals hij heeft gedaan, onverantwoorde risico’s heeft genomen waar het de verkeersveiligheid betreft, met het ongeval als gevolg.

De rechtbank kwalificeert het verkeersgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, en is derhalve van oordeel dat het ongeval aan zijn schuld te wijten is.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 2 september 2025 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een fiets, daarmee rijdende over het fietspad van de Tweede Hugo de Grootstraat, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten het zoontje van verdachte, genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken schedel, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over het fietspad van de Tweede Hugo de Grootstraat, komende uit de richting van de Van Houwelingenstraat en gaande in de richting van de Nassaukade,

terwijl [slachtoffer] in het kinderzitje op de voorzijde van zijn fiets zat,

terwijl er een tram aan kwam rijden over de trambaan van de Frederik Hendrikstraat, komende uit de richting van het Frederik Hendrikplantsoen en gaande in de richting van de Bilderdijkstraat, en er een bel klonk om het komen aanrijden van de tram aan te geven,

verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising met de Frederik Hendrikstraat, niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor zijn verkeer geldend rood uitstralend verkeerslicht,

verdachte is vervolgens het kruisingsvlak van de Tweede Hugo de Grootstraat met de Frederik Hendrikstraat opgereden,

verdachte is vervolgens met die tram in botsing gekomen, ten gevolge waarvan [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte primaire feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750,-.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij een veroordeling rekening te houden met het feit dat het slachtoffer de zoon van verdachte is waardoor hij door het ongeval zelf ook veel leed heeft ondervonden. Een veroordeling zal bovendien tot gevolg hebben dat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning zal worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij hij met zijn fatbike in botsing is gekomen met een tram en waardoor zijn zoon, [slachtoffer] , een schedelbreuk heeft opgelopen met afasie tot gevolg. De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de op verdachte rustende zorgplicht voor zijn kind, bij uitstek aanleiding voor hem had moeten zijn om rijdend in de drukke ochtendspits in Amsterdam, de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht te nemen en zeer oplettend te zijn. Dat heeft verdachte echter niet gedaan.

De rechtbank heeft voor wat betreft de strafoplegging gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd. Doorgaans worden daarnaast de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt voor een op te leggen straf genomen. De rechtbank ziet in dit geval echter, in aanmerking genomen dat verdachte door het ongeval ook zelf fors (mentaal) is getroffen omdat het slachtoffer zijn eigen zoon betreft die bij hem in het kinderzitje voorop de fatbike zat, aanleiding om dat niet te doen en komt tot een aanzienlijk lagere strafoplegging. De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een geldboete zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 juli 2026 blijkt dat hij niet eerder voor overtreding van de Wegenverkeerswet is veroordeeld.

Gelet op de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedragingen en de gevolgen daarvan acht de rechtbank, in dit geval een taakstraf van 80 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk, passend en geboden.

Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] , wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder] , vordert een vergoeding van immateriële schade en van affectieschade.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De behandeling van de vordering levert echter een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Ook wordt er geen bedrag gevorderd maar staat in plaats daarvan vermeld “mag de rechter bepalen”.

Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voor de vordering tot vergoeding van affectieschade geldt dat de ingediende vordering ziet op de benadeelde partij [slachtoffer] , wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder] . Nu de vordering is ingediend namens het slachtoffer, kan er geen sprake zijn van een vergoeding van affectieschade. Dit betreft immers een schadevergoeding voor naasten van het slachtoffer, en niet voor het slachtoffer zelf.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 40 (veertig) uren, van deze taakstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen.

Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. Beunk, voorzitter,

mrs. I. Mannen en A.R. Vlierhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.M. Beunk

Griffier

  • mr. D. West

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand