RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]
Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11897124 CV EXPL 25-13121
vonnis van: 31 juli 2026
fno.: 94
I n z a k e
wonende te [woonplaats]
eisers
nader te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bos
t e g e n
gevestigd te Amstelveen
gedaagde
nader te noemen: KLM
gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt
In het dossier bevinden zich de volgende processtukken:
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:
De passagiers hebben een vliegreis geboekt van [locatie 1] naar [locatie 2], uit te voeren op 28 augustus 2023 met vlucht [nummer].
De vlucht is geannuleerd. De passagiers hebben zelf voor vervangend vervoer gezorgd.
De passagiers hebben de kosten van hun tickets van € 204,93 en compensatie in verband met voornoemde vertraging ten bedrage van € 250,00 per persoon van KLM gevorderd.
KLM heeft geweigerd dit bedrag te betalen.
Vordering en verweer
2. De passagiers vorderen dat KLM bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 704,95 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de annulering van de vlucht en € 105,74 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van KLM in de proceskosten.
3. De passagiers baseren hun vordering primair op artikel 6 jo. artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening), subsidiair op artikel 5 jo. 7 van de Verordening.
4. De passagiers stellen zich op het standpunt dat uit de boekingsbevestiging en het vluchtnummer blijkt dat KLM voornemens was de vlucht uit te voeren en dat zij daarom als operating carrier als bedoeld in de Verordening dient te worden aangemerkt.
5. KLM voert aan dat niet zij maar KLM Cityhopper de luchtvaartmaatschappij was die de vlucht feitelijk uitvoerde of voornemens was uit te voeren. Dit blijkt uit de instapkaart van de passagiers en het vluchtrapport. Daarbij komt dat zij zelf nooit vluchten uitvoert tussen [locatie 1] en [locatie 2] en dat op haar website bij het boeken van deze vluchten staat vermeld dat deze worden uitgevoerd door KLM Cityhopper. Zij is derhalve niet gehouden compensatie te betalen.
Beoordeling
6. De passagiers hebben niet weersproken dat op de instapkaart en het vluchtrapport staat vermeld dat KLC de betreffende vlucht feitelijk zou uitvoeren zodat dit als vaststaand wordt aangenomen.
7. De Verordening bepaalt in artikel 3 lid 5 dat deze van toepassing is “op elke luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert en vervoer aanbiedt aan passagiers als bedoeld in de leden 1 en 2. Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, wordt zij geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.”
De Verordening bepaalt in artikel 5 lid 1 dat: “In geval van annulering van een vlucht:(…)c) hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij (…)”
Op grond van artikel 2 onder b van de Verordening dient onder “luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” te worden verstaan: “een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier.”
8. Hieruit volgt dat de bij de Verordening gecreëerde verplichtingen in beginsel rusten op de luchtvaartmaatschappij die de vlucht feitelijk uitvoert of voornemens is uit te voeren.
9. Volgens de passagiers was KLM voornemens de vlucht uit te voeren. KLM heeft dat betwist met verwijzing naar de instapkaart en het vluchtrapport waarop KLC als uitvoerder staat vermeld. Volgens KLM voert zij deze vluchten ook nooit zelf uit. De passagiers hebben dit onweersproken gelaten, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat KLM voornemens was de vlucht uit te voeren. Het enkele feit dat de vlucht onder een codeshare nummer van KLM is uitgevoerd en dat op de bevestiging van de boeking niet staat vermeld dat KLC de vlucht zou uitvoeren maakt niet dat KLM als de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert is aan te nemen.
10. Het bovenstaande betekent dat de passagiers geen aanspraak hebben op compensatie en terugbetaling van de tickets door KLM. Dit betekent dat de vorderingen zullen worden afgewezen.
11. De passagiers zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.
BESLISSING
De kantonrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt de passagiers in de proceskosten die aan de zijde van KLM tot op heden begroot worden op € 288,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt de passagiers tot betaling van een bedrag van € 72,00 aan nasalaris, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.