ECLI:NL:RBAMS:2026:9329

ECLI:NL:RBAMS:2026:9329

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer C/13/792177 / KG ZA 26-713 MK/GR
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Waar het College voor de Rechten van de Mens oordeelt dat de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) verboden onderscheid maakte op grond van ras bij klachtbehandeling en in strijd handelde met het verbod van victimisatie, door een achtjarig meisje niet (langer) toe te laten tot het zogenoemde ‘instroomprogramma’ voor jong tennistalent, oordeelt de voorzieningenrechter anders.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/792177 / KG ZA 26-713 MK/GR

Vonnis in kort geding van 15 september 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

te [woonplaats] ,2. [eiser 2],

te [woonplaats] ,

eisende partijen bij dagvaarding van 24 augustus 2026,

hierna samen te noemen: [eiser 1] c.s.,

advocaat: mr. N. Poggenklaas,

tegen

de vereniging

KONINKLIJKE NEDERLANDSE LAWN TENNIS BOND,

te Amstelveen,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de KNLTB,

verschenen bij [bestuurder] (bestuurder).

1. De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 1 september 2026 hebben [eiser 1] c.s. de dagvaarding toegelicht. De KNLTB heeft verweer gevoerd aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

aan de zijde van [eiser 1] c.s.: [eiser 1] en [eiser 2] met mr. Poggenklaas en mr. D.N.J. Laan,

aan de zijde van de KNLTB: [bestuurder] (bestuurder), [topsport manager] (topsport manager) en [bondscoach] (bondscoach jeugd) met [manager juridische zaken] (manager juridische zaken).

Na de mondelinge behandeling hebben partijen onderzocht of een regeling alsnog mogelijk was. Op verzoek van [eiser 1] c.s. van 8 september 2026 wordt alsnog vonnis gewezen vandaag.

2. De feiten

[eiser 1] c.s. hebben een dochter genaamd ‘ [naam dochter] ’. [naam dochter] is op 27 december 2017 geboren, derhalve minderjarig (nu 8 jaar oud) en wordt in deze procedure vertegenwoordigd door [eiser 1] c.s., die het ouderlijk gezag over haar uitoefenen.

[naam dochter] beschikt in haar leeftijdscategorie over bovengemiddelde aanleg voor tennissport. Zij tennist op dit moment bij vier tennisclubs, verspreid over het land. In 2024 is [naam dochter] geselecteerd voor het zogeheten ‘instroomprogramma’ van de KNLTB, dat voorziet in aanvullende training en begeleiding voor talentvolle tennisspelers in de leeftijdscategorie tot elf jaar. Na toelating tot het instroomprogramma kan er bij goede prestaties worden doorgestroomd naar een regioprogramma.

Toelating tot het instroomprogramma vindt plaats na deelname aan zogenoemde

‘voorspeeldagen’. Deze voorspeeldagen vormen het selectiemoment waarop KNLTB-

trainers/coördinatoren de deelnemende kinderen beoordelen.

Op 6 maart 2024 nam [naam dochter] deel aan een tennistraining bij een instroomlocatie in Vleuten. Een instroomcoördinator heeft toen, in het bijzijn van [naam dochter] , een opmerking gemaakt over de danskwaliteiten van Surinamers. [eiser 1] c.s. hebben dit als racistisch c.q. discriminerend opgevat.

Op 22 juni 2024 nam [naam dochter] deel aan een voorspeeldag. Na deze voorspeeldag is [naam dochter] op 6 juli 2024 door de KNLTB uitgenodigd tot deelname aan het instroomprogramma op de locatie in Vleuten. In de zomer van 2024 heeft [naam dochter] (op eigen initiatief) ook meegedaan aan voorspeeldagen in Arnhem en in Amstelveen. Op 23 september 2024 hebben [eiser 1] c.s. een brief aan de afdeling Fair Play gestuurd waarmee zij aandacht vragen voor het selectieproces.

Bij e-mail van 11 oktober 2024 heeft de KNLTB aan [eiser 1] c.s. laten weten dat [naam dochter] kon deelnemen aan het instroomprogramma op de locatie in Amstelveen. De KNLTB merkt daarbij op: “Wij zullen ook regelmatig contact houden met de instroomleraar in Amstelveen om te monitoren hoe het contact loopt. Indien wij merken dat de communicatie niet als prettig wordt ervaren, zullen wij opnieuw het gesprek met je aangaan. Onderdeel van ons talentprofiel is ook het gedrag van de ouders, dus wij hechten hier ook veel waarde aan.” Deze e-mail is in de map met ongewenste e-mails van [eiser 1] c.s. beland, waardoor zij de e-mail niet hebben gelezen.

Op 22 november 2024 hebben [eiser 1] c.s. een discriminatieklacht bij de KNLTB ingediend. De KNLTB heeft naar aanleiding van die klacht intern onderzoek gedaan en partijen zijn in onderling overleg getreden. Op 25 november 2024 zijn [eiser 1] c.s. uitgenodigd voor een gesprek met de juridisch medewerker en de compliance officer van de KNLTB. Dit gesprek vond plaats op 29 november 2024, waarbij de moeder en oma van [naam dochter] aanwezig waren.

Bij e-mail van 5 december 2024 heeft de KNLTB onder meer het volgende aan [eiser 1] c.s. geschreven.

Voor het voortzetten van deelname aan het Instroomprogramma is het contact met ouders een essentieel onderdeel. Zowel [naam 1] en [naam 2] zijn van mening dat voldoende ruimte is gegeven om het gesprek aan te gaan, dat alle bezwaren zijn besproken (voor zover deze kenbaar zijn gemaakt door u) én dat zij volledig tegemoet zijn gekomen aan jullie wensen. Het is een misvatting dat [naam dochter] de dupe is, nu zij niet kan deelnemen aan het Instroomprogramma. [naam dochter] is immers op 11 oktober toegelaten, maar daar is tot op heden geen enkele reactie op ontvangen. Dat u daar niet op heeft gereageerd kan de KNLTB niet worden verweten. We herkennen ons dus niet in de stelling dat [naam dochter] gedupeerd wordt in of door deze situatie. Het is nu aan hen en aan u om te bepalen of er van beide kanten voldoende draagkracht is om het Instroomprogramma voort te zetten, nu is gebleken dat er over en weer andere verwachtingen worden gesteld aan de communicatie, die moeizaam verloopt.

Op 9 december 2024 hebben [eiser 1] c.s., hun klacht van 22 november 2024 bij de compliance officer van de KNLTB uitgebreid met “misbruik van functie, machtsmisbruik, uitsluiten van een kind van 6 jaar, verbale intimidatie, niet op juiste wijze toepassen van hoor en wederhoor en gebrek aan integriteit.

Op 13 december 2024 is door de KNLTB aan [eiser 1] c.s. te kennen gegeven dat [naam dochter] niet meer kan deelnemen aan het instroomprogramma. In de desbetreffende e-mail valt onder meer het volgende te lezen:

Gezien eerdere communicatie met aantijgingen over een aantal collega's en het feit dat beschreven situaties niet overeenkomen zien wij geen mogelijkheid tot een enigszins gezonde samenwerking. Wij vinden dat het voor beide partijen beter is als de wegen hier scheiden.

Wij betreuren het dat de conclusie is dat [naam dochter] hierdoor per direct niet meer kan deelnemen aan het KNLTB Instroomprogramma. Daarentegen kan zij wel gewoon bij Roland blijven trainen, maar niet met het Instroomstempel. Wij hopen dat ze met plezier blijft tennissen.

[eiser 1] c.s. zijn op 23 april 2025 een procedure gestart bij het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het college). Het college heeft op 9 juli 2026 een oordeel gegeven, waarin (onder 6.8) het volgende is overwogen.

Partijen hebben zulke tegenstrijdige verklaringen gegeven over het gesprek op 6 maart 2024 dat het College niet kan vaststellen wat er precies is besproken en welke woorden er zijn gebruikt. Van de dochter is niet bekend wat zij naar eigen zeggen heeft gehoord en het is zonder nader bewijs het woord van verzoeker (de vader) tegenover dat van de coördinator. Het College kan daarom alleen concluderen dat verzoekers er niet in zijn geslaagd om feiten aan te voeren die kunnen doen vermoeden dat verweerder tegenover hun dochter verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door haar discriminatoir te bejegenen.

Het college overweegt (onder 7.11-7.12) vervolgens als volgt.

Over de gekozen werkwijze blijkt uit de inhoud van het gesprek van 29 november 2024 en de verklaring van de juridisch medewerker tijdens de zitting dat het principe van hoor- en wederhoor niet juist is toegepast. De compliance officer heeft namelijk na de discriminatieklacht van verzoekers contact gezocht met de coördinator en de Jeugdcoach Instroomprogramma om te achterhalen wat er volgens hen is gebeurd, in plaats van eerst bij verzoekers uit te vragen wat er precies is voorgevallen en hoe zij dit hebben ervaren.

Vervolgens krijgt de informatie die bij de coördinator en de jeugdcoach instroomprogramma is opgehaald in het eerste (hoor)gesprek na de discriminatieklacht een vertaalslag, waarbij er door de compliance officer op een afwijzende en vooringenomen manier wordt gereageerd op het gebruik van termen als discriminatie en racisme, en al wordt gedeeld hoe ontdaan de collega is over wie de discriminatieklacht gaat. De juridisch medewerker heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat er in het halfjaar voorafgaand aan het gesprek op 29 november 2024 meer aan de hand was wat voor frustratie heeft gezorgd bij verweerder en dat het leek alsof de klacht werd gebruikt om iets voor elkaar te krijgen. Het College overweegt dat de compliance officer in het gesprek al conclusies heeft getrokken voordat er een inhoudelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en niet de objectieve en neutrale positie heeft ingenomen die van haar als klachtenbehandelaar mocht worden verwacht.

Het college komt (onder 7.21) vervolgens tot de conclusie dat de KNLTB tekort is geschoten in haar verplichting om de discriminatieklacht van [eiser 1] c.s. zorgvuldig te behandelen:

Het College concludeert dat verweerder tegenover de dochter van verzoekers verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij de klachtbehandeling. Het College merkt hierbij op dat de eerdere conclusie dat verzoekers er niet in zijn geslaagd om feiten aan te voeren die een vermoeden van onderscheid op grond van ras vestigen (zie overweging 6.8) deze conclusie niet anders maakt. ledere

discriminatieklacht moet - ongeacht de uitkomst of er daadwerkelijk sprake is geweest van discriminatie - zorgvuldig worden behandeld.

Het college komt tot het volgende (eind)oordeel (onder 9):

[De KNLB] heeft tegenover [ [naam dochter] ]:

 geen verboden onderscheid gemaakt op grond van ras bij de bejegening;

 verboden onderscheid gemaakt op grond van ras bij de klachtbehandeling;

 in strijd gehandeld met het verbod van victimisatie.

Partijen hebben omstreeks de datum van het oordeel van het college veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd en op 12 augustus 2026 heeft een bespreking in Alkmaar plaatsgevonden. Dat heeft voor [eiser 1] c.s. (vooralsnog) onvoldoende opgeleverd waarna zij dit kort geding zijn gestart.

3. Het geschil

[eiser 1] c.s. vorderen, na vermindering van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I. [ingetrokken op de mondelinge behandeling]

II. de KNLTB te veroordelen [naam dochter] onvoorwaardelijk en onmiddellijk (aldus uiterlijk binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis) toe te laten tot het regioprogramma in Vleuten;

III. de KNLTB te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis over te gaan tot het versturen van de als productie 19 overgelegde rectificatie welke dient ter normalisering van de positie van [eiser 1] c.s. binnen de tenniswereld;

IV. de KNLTB te veroordelen om binnen drie weken na dit vonnis een concreet plan van aanpak toe te sturen aan [eiser 1] c.s. waarin de KNLTB gedetailleerd aangeeft op welke wijze zij in de toekomst een veilig sportklimaat voor en eerlijke beoordeling van [naam dochter] zal waarborgen (en waarbij de KNLTB in ieder geval ingaat op de vraag hoe zij om zal gaan met eventuele nieuwe meldingen van discriminatie en welke objectieve criteria als waarborg zouden kunnen gelden voor deelname aan andere topsportprogramma's van de KNLTB, zoals de regiotrainingen en/of de KNLTB-selectie);

V. een en ander op straffe van een dwangsom;

VI. de KNLTB te veroordelen in de proceskosten.

[eiser 1] c.s. leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag.

Met het oordeel van het college dat de KNLTB in strijd heeft gehandeld met het verbod op victimisatie (en [naam dochter] van het instroomprogramma is uitgesloten vanwege de discriminatieklacht) is vast komen te staan dat de KNLTB jegens [eiser 1] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. De KNLTB heeft namelijk gehandeld in strijd met artikel 8a lid 1 Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), op grond waarvan het verboden is personen te benadelen vanwege het feit dat zij in of buiten rechte een beroep hebben gedaan op de Awgb. Daar komt bij dat door de uitsluiting en de mogelijk opgelopen achterstand in haar ontwikkeling, [naam dochter] ook nog geen zicht heeft gehad op deelname aan het regioprogramma. De eventueel opgelopen achterstand in [naam dochter] ’s talentontwikkeling als gevolg van de onrechtmatige gedraging van de KNLTB moet worden hersteld door onvoorwaardelijke toelating tot het regioprogramma. [eiser 1] c.s. hebben belang bij de door hen gevorderde voorlopige voorzieningen, omdat [naam dochter] de facto slachtoffer is van grensoverschrijdend gedrag (namelijk discriminatie, uitsluiting en pestgedrag). Dit kan zowel nu als in de toekomst ernstige gezondheid gerelateerde gevolgen hebben, waaronder mentale klachten, gevoelens van eenzaamheid, minder (zelf)vertrouwen, minder motivatie om te sporten, et cetera. Naarmate de uitsluiting van [naam dochter] langer voortduurt, zal de kans op (en ernst van) dergelijke klachten toenemen. Daarnaast hebben [eiser 1] c.s. ook een financieel belang bij [naam dochter] ’s onvoorwaardelijke deelname aan het instroomprogramma. Door deelname aan het instroomprogramma kunnen zij hun (als gevolg van de intrekking van het instroompredicaat en de uitsluiting kwijtgeraakte) sponsoring weer oppakken en mogelijk uitbreiden. Daar komt bij dat [eiser 1] c.s. in de afgelopen twee jaar alle kosten tot op heden zelf hebben voldaan, om de ontwikkeling van [naam dochter] niet volledig stil te laten vallen. Deelname aan het regioprogramma kan bijdragen aan het compenseren van de achterstand die [naam dochter] potentieel heeft opgelopen in haar ontwikkeling. Het besluit van de KNLTB om [naam dochter] uit te sluiten van deelname aan het instroomprogramma is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

De KNLTB voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Een vordering in kort geding is een voorlopige voorziening die toewijsbaar is als

voorshands aannemelijk is dat een bodemrechter de onderliggende vordering ook zou

toewijzen en van [eiser 1] c.s. in dit geval niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afachten. Bovendien moet een belangenafweging ertoe leiden dat de

voorlopige voorziening noodzakelijk is.

Het is niet op voorhand aannemelijk geworden dat de vorderingen van [eiser 1] c.s. door een bodemrechter zullen worden toegewezen. Dit betekent dat de voorlopige voorzieningen in dit kort geding worden afgewezen. Daartoe geldt het volgende.

vordering I

Op de mondelinge behandeling hebben [eiser 1] c.s. vordering I, die zag op toelating tot het instroomprogramma, ingetrokken. De KNLTB had immers bij e-mails van 16, 21 en 26 augustus 2026 aan de advocaat van [eiser 1] c.s. bevestigd dat [naam dochter] vanaf de start van seizoen 2026/2027 wordt toegelaten tot het instroomprogramma en bij e-mail van 28 augustus 2026 een uitnodiging gestuurd. Het belang van [eiser 1] c.s. bij deze vordering was dus voorafgaand aan de mondelinge behandeling vervallen. De voorzieningenrechter was door [eiser 1] c.s. niet op de hoogte gebracht van het bestaan van de eerste drie e-mails (waarvan twee van voor datum dagvaarden) en de laatste is zonder toelichting als nagekomen productie ingebracht. Dit is in strijd met artikel 21 Rv; de desgevraagde toelichting van de advocaat op de mondelinge behandeling maakt dit niet anders. Omdat de vordering is ingetrokken zal de voorzieningenrechter hier geen gevolgen aan verbinden.

vorderingen II, III en IV

De kern van de vordering zoals [eiser 1] c.s. die in dit kort geding voorleggen is dat omdat het college heeft geoordeeld dat sprake is van victimisatie de KNLTB dus onrechtmatig heeft gehandeld wat tot gevolg heeft dat [naam dochter] recht heeft om te worden toegelaten tot het regioprogramma (vordering II), de KNLTB verplicht is een rectificatie te versturen (vordering III) en de KNLTB verplicht is een concreet plan van aanpak op te stellen (vordering IV). Deze redenering gaat niet op.

Het eindoordeel van het college is niet iets om lichtvaardig mee om te gaan. Immers, daarin concludeert het college dat volgens haar de KNLTB verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van ras bij de klachtbehandeling van de ouders van [naam dochter] en dat in strijd is gehandeld met het verbod van victimisatie. Maar daarmee is niet gezegd dat vaststaat dat de KNLTB onrechtmatig heeft gehandeld. Naast het gegeven dat een oordeel van het college niet bindend is, betekent het eindoordeel van het college niet dat bepaalde gedragingen van de KNLTB als onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW hebben te gelden. Bovendien ziet het oordeel van het college op de uitsluiting van [naam dochter] uit het instroomprogramma en in dat programma is [naam dochter] juist weer toegelaten (zie hiervoor). Ook van een schending van de Awgb is voorshands niet gebleken. Dat hier tijdig een beroep op is gedaan staat niet vast en dat de discriminatieklacht van 22 november 2024 al zodanig heeft te gelden evenmin. Onrechtmatigheid volg ook niet uit de onzorgvuldige klachtbehandeling door de KNLTB: met het college wil de voorzieningenrechter wel aannemen dat de klachtbehandeling in dit geval zorgvuldiger had gekund, maar dat levert nog geen onrechtmatige gedraging op die recht geeft op toewijzing van de voorlopige voorzieningen zoals in dit kort geding gevorderd.

Ten aanzien van de specifieke vorderingen wordt nog het volgende opgemerkt.

Met vordering II wordt gevraagd [naam dochter] als compensatie toe te laten tot het regioprogramma met voorbij gaan aan het gebruikelijke voorselectie- en beoordelingsproces. Dat [naam dochter] daar recht op heeft is onvoldoende gebleken. Bovendien heeft de KNLTB terecht aangevoerd dat toelating van [naam dochter] tot het regioprogramma zonder het gebruikelijke voorselectie- en beoordelingsproces afbreuk doet aan de objectieve selectieprocedure die voor alle spelers geldt. Het is vanuit sportief en organisatorisch oogpunt onwenselijk om voor één speler af te wijken van de toelatingsvoorwaarden die wel voor alle overige kandidaten worden gehanteerd. Een bevel van de voorzieningenrechter tot toelating aan het regioprogramma zou dan feitelijk in de plaats treden van de sporttechnische beoordeling die is voorbehouden aan de daarvoor verantwoordelijke trainers en begeleiders. Bovendien heeft de KNLTB aangegeven dat [naam dochter] toegelaten kan worden tot het regioprogramma als zij zich daarvoor kwalificeert.

Bij vordering III (rectificatie) ontbreekt de grondslag. Van (dreigende) onrechtmatigheid, wat in beginsel nodig is om iemand tot een rectificatie te veroordelen, is niet gebleken.

Vordering IV ontbeert eveneens een grondslag. Van de KNLTB mag verwacht worden dat zij na de uitspraak van het college maatregelen neemt om te voorkomen dat wat (procedureel) rondom [naam dochter] heeft plaatsgevonden niet meer gebeurt. Uit het dossier volgt dat de KNLTB hier mee aan de slag is gegaan en daarvoor initiateven neemt. Daarbij is van belang dat de KNLTB te kennen heeft gegeven datvoor alle betrokkenen eenzelfde kader (gebaseerd op gedragscodes, preventiebeleid, meldpunten inclusief vertrouwenspersonen, reglementen en trainingen die zijn gericht op het bevorderen van een veilig sportklimaat) geldt. Waarom een afzonderlijk en specifiek veiligheids- en beoordelingsplan voor [naam dochter] nodig is en waarom KNLTB daartoe veroordeeld zou moeten worden is niet, althans onvoldoende onderbouwd.

vordering V

Omdat vorderingen II tot en met IV niet kunnen worden toegewezen, bestaat er ook geen aanleiding voor een dwangsomveroordeling.

proceskosten

[eiser 1] c.s. worden in het ongelijk gesteld. Daarom moeten zij de proceskosten (inclusief nakosten) van de KNLTB betalen. Deze proceskosten worden begroot op € 735 aan griffierecht.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevraagde voorzieningen,

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten van € 735 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiser 1] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.

Coll: MV

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.P. Raats

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand