RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2025 in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/6466
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM’ gebleven.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de zaak AWB 25/6465, op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer AWB 25/6465, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op 8 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: