ECLI:NL:RBDHA:2025:12704

ECLI:NL:RBDHA:2025:12704, Rechtbank Den Haag, 23-04-2025, NL25.16889

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-04-2025
Datum publicatie 15-07-2025
Zaaknummer NL25.16889
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring, beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel. Zicht op uitzetting, lopende lp-aanvraag. Verweerder werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.16889

[v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. S. Faber),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring twee keer eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 17 februari 2025. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 21 maart 2025.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het vooronderzoek is op 16 april 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 maart 2025 (in de zaak NL25.11030) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 14 maart 2025) rechtmatig is.

Ontbreekt het zicht op uitzetting?

3. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt. Er loopt sinds 31 januari 2025 een aanvraag om afgifte van een laissez-passer (lp) voor eiser bij de Algerijnse autoriteiten. Er wordt door de Algerijnse autoriteiten helemaal niets gedaan en er is geen aanwijzing dat het onderhavige dossier alsnog voortvarend zal worden opgepakt. Niet gezegd kan worden dat er momenteel een kans op terugkeer is binnen redelijke termijn (naar Algerije). Op het moment dat er geen zicht meer is op uitzetting binnen redelijke termijn dient de vreemdelingenbewaring te worden opgeheven. De maatregel van bewaring dient dan ook onmiddellijk te worden opgeheven met

toekenning van een schadevergoeding.

4. De rechtbank heeft deze beroepsgrond eerder getoetst. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 3 van de uitspraak van 21 maart 2025. Ook uit de nieuwe voortgangsrapportage blijkt niet dat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet meer in behandeling hebben. Nog steeds geldt dat de Algerijnse autoriteiten enige tijd moet worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken. Hiermee zijn vaak meerdere maanden gemoeid. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder meer zou moeten doen en dat het sturen van rappels onvoldoende zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting?

5. Eiser betoogt ook dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er loopt sinds 31 januari 2025 een aanvraag om afgifte van een laissez-passer (lp) voor eiser bij de Algerijnse autoriteiten. Verweerder heeft diverse malen gerappelleerd ten aanzien van deze openstaande lp-aanvraag. Tot op heden heeft verweerder echter geen ontvangstbevestiging of reactie ontvangen van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag. De rappels die verweerder heeft verstuurd zijn in een bulk e-mail verstopt met rappels van vele andere vreemdelingen, dit heeft op dossierniveau geen enkele zin. Het is louter het afvinken van een taakje dat verweerder moet doen om te verantwoorden dat er actie is ondernomen richting de Algerijnse autoriteiten. Nu eiser al sinds eind januari 2025 in bewaring zit mag van verweerder verwacht worden dat hij meer op dossierniveau bij de Algerijnse autoriteiten aandacht vraagt voor eiser. Nu dat wordt nagelaten handelt verweerder niet voortvarend met betrekking tot de uitzetting en de bewaring dient dan ook te worden opgeheven.

6. Ook deze beroepsgrond heeft de rechtbank eerder getoetst. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 5 van de uitspraak van 21 maart 2025. In de voortgangsrapportage van 14 april 2025 staat dat verweerder op 2 april 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Uit de voortgangsrapportage van 14 april 2025 blijkt verder dat verweerder na eerdere rappels nog op 20 maart 2025 en 10 april 2025 heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten ten aanzien van de openstaande lp-aanvraag. Hiermee werkt verweerder naar het oordeel van de rechtbank nog steeds voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep ongegrond;

 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr.T.M.M. Plukaard, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand