RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.30431
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen)
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 11 juli 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 14 juli 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 18 juli 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op 6 mei 1983 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
4. Eiser betwist in beroep alle zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Hiertoe voert hij aan dat hij is overgedragen vanuit België. Daarnaast is hij als asielzoeker naar Nederland gekomen en wil hij hier een toekomst opbouwen. Hij heeft medische klachten en wil niet terugkeren naar Algerije. Verder is eiser niet op de hoogte van een eerdere aanzegging om Nederland te verlaten. Eiser heeft (nog) geen documenten, maar zal deze overleggen wanneer deze voorhanden zijn om eventueel legaal verblijf te kunnen krijgen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3b volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij bij zijn eerste binnenkomst in Nederland in 2019 in het bezit was van een geldig reis- of identiteitsdocument. Verder is eiser meermaals met onbekende bestemming vertrokken, hetgeen door eiser ook niet wordt betwist. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de andere zware en lichte gronden behoeft daarom geen bespreking.
Lichter middel
6. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel vanwege zijn gezondheid. De maatregel van bewaring valt eiser zeer zwaar en hij voelt zich lichamelijk slecht. Verder is geen sprake van onttrekking aan het toezicht, omdat eiser in Nederland bescherming heeft gevraagd en hier een toekomst wil opbouwen. Eiser had dan ook in een AZC kunnen worden geplaatst.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarnaast heeft eiser aangegeven niet terug te willen keren naar Algerije en is hij eerder met onbekende bestemming vertrokken. Voorts heeft eiser zijn medische gesteldheid niet met stukken onderbouwd en heeft verweerder bij de belangenafweging terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 25 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.