ECLI:NL:RBDHA:2025:17058

ECLI:NL:RBDHA:2025:17058, Rechtbank Den Haag, 16-09-2025, NL25.41663

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL25.41663
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Bewaring, beroep, te late omzetting grondslag maatregel, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.41663

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 2 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Omzetting van de maatregel van bewaring

2. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet. Eiser verbleef in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw, omdat hij rechtmatig verblijf had in afwachting van de beslissing op zijn asielaanvraag van 28 augustus 2025. Anders dan in de aanbiedingsbrief van verweerder staat vermeld, heeft eiser niet op 1 september 2025 maar al bij e-email van zijn gemachtigde van vrijdag 29 augustus 2025 kenbaar gemaakt zijn asielaanvraag te willen intrekken en gewezen op de benodigde omzetting van de maatregel. Dat eiser op 1 september 2025 de verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ondertekend, doet daaraan niet af. Verweerder heeft vervolgens nagelaten om de maatregel binnen twee dagen na 29 augustus 2025 op te heffen, zodat de maatregel vanaf zondag onrechtmatig is geworden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de maatregel van bewaring voldoende voortvarend is omgezet naar een andere wettelijke grondslag. Verweerder vindt hierbij van belang dat in de e-mail van 29 augustus 2025 slechts is gesproken over een wens tot intrekking van de asielaanvraag, en dat de daadwerkelijke intrekking pas op 1 september 2025 heeft plaatsgevonden met de ondertekening door eiser van de intrekkingsverklaring. De maatregel van 28 augustus 2025 is binnen twee dagen na 1 september 2025, op 2 september 2025 opgeheven, waarna eiser aansluitend op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring is gesteld. De omzetting heeft aldus tijdig plaatsgevonden, aldus verweerder.

3. Volgens vaste rechtspraak dient verweerder, wanneer een maatregel van bewaring niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust en hij de bewaring wil voortzetten, de maatregel van bewaring binnen twee dagen om te zetten naar een andere grondslag. Op 29 augustus 2025 heeft eisers gemachtigde in een e-mail aan DT&V DC Rotterdam meegedeeld dat eiser aan hem te kennen had gegeven zijn asielaanvraag te willen intrekken. In de e-mail is verzocht eiser in de gelegenheid te stellen zijn asielaanvraag in te trekken, is aangegeven dat eiser zo snel mogelijk wil terugkeren naar Algerije en is verzocht om ontvangst van de omzetting van de maatregel. Nu middels deze e-mail duidelijk te kennen is gegeven dat eiser zijn asielaanvraag wilde intrekken, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank vervolgens binnen twee dagen moeten onderzoeken of de bewaring kon voortduren op de grondslag van artikel 59b dan wel moest worden omgezet naar een andere grondslag, en had verweerder de omzetting ook binnen deze zelfde periode van twee dagen moeten bewerkstelligen. De termijn van twee dagen eindigde op 31 augustus 2025. Verweerder heeft niet voldoende voortvarend gehandeld door pas op 1 september 2025 eiser de gelegenheid te bieden om de intrekkingsverklaring te ondertekenen en vervolgens op 2 september 2025 de maatregel van bewaring om te zetten naar een andere wettelijke grondslag. Het voorgaande betekent dat de maatregel van 28 augustus 2025 vanaf 1 september 2025 niet op de juiste wettelijke grondslag heeft voortgeduurd.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond, omdat de maatregel vanaf 1 september 2025 tot de opheffing ervan op 2 september 2025 onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank kent een schadevergoeding toe voor twee dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 200,-.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.E. Bos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand