ECLI:NL:RBDHA:2025:22122

ECLI:NL:RBDHA:2025:22122, Rechtbank Den Haag, 24-11-2025, NL25.54838

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-11-2025
Datum publicatie 24-11-2025
Zaaknummer NL25.54838
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

vervolgberoep – bewaring – artikel 59.1.a Vw – zicht op uitzetting – lichter middel – verzwaarde belangenafweging – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.54838

[V-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

Procesverloop

De minister heeft op 30 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 17 november 2025.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 8 oktober 2025.

4. Eisers stelling dat ten onrechte geen verzwaarde belangenafweging is uitgevoerd omdat hij al sinds 1 mei 2025 in detentie verblijft, slaagt niet. Uit het dossier van eiser volgt dat hij is staandegehouden op 26 augustus 2025 nadat hij door de Zwitserse autoriteiten aan Nederland is overgedragen op grond van de Dublinverordening. Eiser is vervolgens strafrechtelijk gedetineerd van 26 augustus 2025 tot 25 september 2025, waarna hij in bewaring is gesteld. Dit betekent dat eiser korter dan zes maanden in Nederland is gedetineerd, waardoor verweerder niet is gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken.

5. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast, oordeelt de rechtbank dat zij hierover al een oordeel heeft gegeven in haar eerder genoemde uitspraak van 14 oktober 2025. In wat eiser in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Het eerder vastgestelde onttrekkingsrisico is onverminderd van toepassing. Verweerder is daarnaast niet gehouden om in de voortgangsrapportage te motiveren of een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast.

6. Tot slot ziet de rechtbank in de enkele omstandigheid dat nog geen presentatie in persoon is ingepland geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. In zijn algemeenheid bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aanvraag om een laissez-passer op 4 september 2025 is ingediend en het tijdsverloop daarom ook geen concreet aanknopingspunt biedt voor een andersluidende conclusie.

7. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot de opheffing op enig moment onrechtmatig is geweest.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 24 november 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. R. de Mul

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand