RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51149
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
(gemachtigde: mr. K. Nuninga).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 1 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. S. Raissi als waarnemer van de gemachtigde van eiser, mevrouw S. Veerman als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
De rechtbank maakt uit de gronden van beroep op dat eiser de gronden a en f betwist. Daartoe stelt eiser dat de minister veel gewicht legt op het feit dat eiser een vals Moldavisch rijbewijs zou hebben gebruikt. Eiser heeft daarvoor een dagvaarding gekregen. Het enkele bestaan van een strafrechtelijke verdenking kan naar de mening van eiser niet zonder meer dienen als dragen reden voor de bewaring. Daarbij komt dat de minister niet heeft onderzocht of concreet heeft vastgesteld dat eiser het valse rijbewijs heeft gebruikt met het doel zich aan het vreemdelingentoezicht te onttrekken, zijn verblijf te verlengen of zijn uitzetting te belemmeren. Eiser heeft het valse document ook niet zelf aan de politie overhandigd toen hij werd staandegehouden. Het is aangetroffen toen zijn portemonnee werd doorzocht. Daarnaast werpt de minister eiser bij deze grond tegen dat aan hem door Italië een terugkeerbesluit en een inreisverbod zijn opgelegd en dat hij daaraan geen gevolg heeft gegeven. Tegelijkertijd stelt de minister dat niet vastgesteld kan worden of eiser daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven aan het terugkeerbesluit. Volgens jurisprudentie gaat het inreisverbod eerst in nadat de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Dat maakt dat de minister eiser dan ook niet zonder nadere motivering kan tegenwerpen dat hij reeds een lopen inreisverbod heeft genegeerd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van gronden a en f kan volstaan met een feitelijke toelichting.Dit betekent dat als de gronden feitelijk juist zijn, het onderduikrisico in beginsel is gegeven.
De rechtbank stelt vast dat de minister de feitelijke juistheid van de gronden a en f in de maatregel van bewaring voldoende heeft toegelicht. Uit deze toelichtingen volgt – samengevat – dat niet gebleken is dat eiser Nederland op de juiste wijze is binnengekomen, dat eiser is aangetroffen met een vals Moldavisch rijbewijs en dat eiser in Italië een terugkeerbesluit met inreisverbod is opgelegd. Dat is feitelijk juist. Voor wat betreft het terugkeerbesluit en het inreisverbod merkt de rechtbank allereerst op dat deze toelichting voor de grond f niet relevant is. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank ten aanzien van grond a dat eiser niet heeft kunnen aantonen dat hij daadwerkelijk gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit en de lidstaten van de Europese Unie heeft verlaten. Als de rechtbank zou aannemen dat eiser dat wel heeft gedaan, dan is het inreisverbod nog altijd van kracht en dat betekent dat eiser Nederland niet mocht inreizen en eiser dus ook niet is binnengekomen op voorgeschreven wijze. Als de rechtbank zou aannemen dat eiser niet heeft voldaan aan het terugkeerbesluit dan is het inreisverbod nog niet van kracht, maar rust op eiser nog steeds de plicht om de hierboven genoemde lidstaten te verlaten. Dat maakt dat het eiser niet was toegestaan om Nederland, een van die lidstaten, in te reizen. Ook dan is eisers binnenkomst in Nederland niet op de voorgeschreven wijze geweest. Tot slot overweegt de rechtbank dat een veroordeling voor het in het bezit hebben van een vals rijbewijs niet nodig is voor de vaststelling van de feitelijke juistheid van de beide gronden. Het mogelijke doel van het gebruik van een vals rijbewijs en het feit dat eiser het rijbewijs niet aan de politie zelf heeft overhandigd, doet aan de feitelijke juistheid immers niet af. De minister heeft deze gronden dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag mogen leggen. 3.5. Deze gronden, tezamen met de niet betreden gronden, zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Tegenstrijdige motivering
4. Eiser stelt dat de motivering ten aanzien van het lichter middel met betrekking tot zijn vriendin tegenstrijdig is. De minister stelt enerzijds dat eiser de relatie niet heeft aangetoond en haar naam niet heeft willen noemen en anderzijds dat deze vriendin vermoedelijk de Oekraïense nationaliteit bezit en vermoedelijk onder de tijdelijke beschermingsregeling valt. Als de minister niet heeft kunnen vaststellen wie de vriendin van eiser is, kunnen er niet zonder nadere toelichting conclusies worden getrokken over haar nationaliteit en verblijfsstatus. Dit deel van de belangenafweging berust dus grotendeels op aannames.
De rechtbank volgt eiser in die zin dat door de minister conclusies zijn getrokken over de mogelijke nationaliteit en verblijfsstatus van de partner van eiser zonder dat hierover voldoende informatie voorhanden is. Eiser heeft immers in zijn gehoor enkel voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij een partner heeft in Rotterdam en dat zij legaal in Nederland verblijft. Eiser wil haar naam niet noemen, omdat hij geen problemen wil veroorzaken.
De conclusie van de minister over de mogelijke nationaliteit en verblijfsstatus van de gestelde partner van eiser is in dit geval echter niet relevant voor een te maken belangenafweging. Deze informatie zal de rechtbank dan ook buiten beschouwing laten.De rechtbank zal hieronder ingaan op het lichter middel en daarbij tevens de door eiser gestelde partner in Nederland betrekken.
Lichter middel
5. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel, bijvoorbeeld een meldplicht, kon worden volstaan. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring immers uitdrukkelijk verklaard dat hij bereid is zelfstandig te vertrekken en dat hij akkoord is met terugkeer naar Moldavië. De enkele overweging in de maatregel van bewaring dat eiser mogelijk op andere gedachten zou kunnen komen, is onvoldoende concreet en te speculatief om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij de beoordeling van het lichter middel, onder meer, terecht het gedrag van eiser en de gronden en de daarop gegeven toelichtingen betrokken. Dat eiser zelfstandig wil terugkeren naar Moldavië maakt niet dat daarom met een lichter middel, zoals een meldplicht, zou moeten worden volstaan. Eiser heeft immers ook verklaard graag in Nederland te willen blijven en alhier een partner te hebben waarmee hij in de nabije toekomst gaat samenwonen en een gezin wil stichten. Ook ter zitting heeft eiser verklaard liever in Nederland te willen blijven voor een beter leven en om te werken. De minister hoeft dan ook niet het risico te lopen dat eiser zich bedenkt, onderduikt en niet verschijnt op de met hem gemaakte afspraken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
BeslissingDe rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.