RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [X] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48846
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
(gemachtigde: mr. P. van Ittersum).
Procesverloop
1. De minister heeft op 26 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op dit eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 12 mei 2026. Op het tweede beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 5 augustus 2026.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Zijn gemachtigde is niet verschenen, met bericht van afwezigheid. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Uit de uitspraak van 5 augustus 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 31 juli 2026) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. De aanvraag voor een laissez-passer dateert van 27 oktober 2025 en er wordt al vanaf 6 november 2025 gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, terwijl er nog geen presentatie heeft plaatsgevonden. Ondanks dit handelen van de minister, is er nog geen reactie van de Algerijnse autoriteiten. Er is dus geen perspectief op verstrekking van een laissez-passer of op andere wijze medewerking van de Algerijnse autoriteiten.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het algemeen ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Algerije niet, ook niet voor Algerijnse vreemdelingen die niet over (kopieën van) geldige grensoverschrijdingsdocumenten beschikken. De rechtbank is van oordeel dat dit in het specifieke geval van eiser ook nu niet het geval is. De enkele omstandigheid dat sinds de aanvraag van de laissez-passer op 29 oktober 2025, nog geen reactie is verkregen van de Algerijnse autoriteiten ondanks herhaalde schriftelijke rappellen, is onvoldoende voor de conclusie dat het zicht op uitzetting in het geval van eiser nu ontbreekt. De Algerijnse autoriteiten hebben immers niet te kennen gegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven. Zoals de rechtbank ook in de uitspraak van 5 augustus 2026 heeft geoordeeld mag aan de Algerijnse autoriteiten tijd worden gegund om de afgifte van een laissez-passer in orde te maken en te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. De minister moet daarom nog de gelegenheid worden geboden een reactie van de Algerijnse autoriteiten af te wachten. Daarbij is van belang dat de minister ter zitting heeft aangegeven dat de ervaring leert dat ook na lange tijd nog een reactie wordt verkregen van de Algerijnse autoriteiten. Verder heeft de minister toegelicht dat een presentatie vaak plaatsvindt als de nationaliteit is vastgesteld, hetgeen bij eiser niet het geval is. Ook heeft de minister aangegeven dat, als na een jaar geen reactie wordt verkregen, er reden kan zijn om op dossierniveau navraag te doen. Die termijn is nog niet verstreken. Het weegt ook zwaar dat eiser nog steeds geen meewerkende houding vertoont. Zo staat in het laatste vertrekgesprek van 14 augustus 2026 opgenomen dat eiser naar Frankrijk wil en zijn tante daar hem zal helpen om zijn identiteitsbewijs aan te vragen. Dat duidt erop dat hij wel een identiteitsbewijs kan verkrijgen waarmee hij de afgifte van een laissez-passer kan bespoedigen, maar ervoor kiest dat niet te doen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.