ECLI:NL:RBDHA:2026:26416

ECLI:NL:RBDHA:2026:26416

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer NL25.61356
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Einduitspraak na tussenuitspraak. Asiel, Belarus. Beroep gegrond, de minister heeft niet alle in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken hersteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.61356

V-nummer: [v-nummer]

geboren op [geboortedag] 1988, van Belarussische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

Eiser heeft op 17 februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van

11 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, E. Batalova als tolk in de Russische taal, en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

In de tussenuitspraak van 27 mei 2026 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde.

De tussenuitspraak

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder overwegingen 11.1., 16.1., 20.1., 25.1. en 28.1. geoordeeld dat het bestreden besluit meerdere motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken kent. Zo heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser zijn identiteitsdocumenten uit Duitsland had kunnen laten opsturen, waarom de verklaringen over de wijze waarop hij met behulp van een reisagent Belarus heeft verlaten ongeloofwaardig zijn, waarom aan de verklaringen van eisers ouders geen waarde toekomt en waarom de sociaaleconomische omstandigheden niet relevant zijn voor de belangenafweging in het kader van het inreisverbod. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen over zijn ontsnapping uit het ziekenhuis gezien zijn medische situatie ongerijmd zijn en op basis waarvan hij dit concludeert. De rechtbank heeft de minister de gelegenheid gegeven deze gebreken te herstellen met een aanvullende motivering of een aanvullend besluit. Op de zitting van 30 april 2026 heeft de minister een aantal tegenwerpingen laten vallen. In het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft de rechtbank de minister ook opgedragen om in de aanvullende motivering de nog overeind gebleven tegenwerpingen opnieuw in onderlinge samenhang te bezien. Ook dient de minister in te gaan op de vraag in hoeverre het hersenletsel uit 2009 relevant is op het moment dat eiser in 2020 opnieuw hersenletsel heeft opgelopen als gevolg van het op hem toegepast geweld bij een demonstratie, en in welke mate dit doorwerkt in de beoordeling.

3. De minister heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de gebreken te herstellen. Op 23 juni 2026 heeft de minister een aanvullende motivering overgelegd waarin hij ingaat op de gebreken uit de tussenuitspraak en tot de conclusie komt bij de afwijzing van de asielaanvraag te blijven. Hieronder bespreekt de rechtbank de afzonderlijke gebreken en de herstelpogingen van de minister.

Identiteitspapieren uit Duitsland laten opsturen

4. In de aanvullende motivering stelt de minister zich op het standpunt dat niet valt in te zien waarom eiser geen brief naar het adres in Duitsland had kunnen sturen, of daartoe inspanningen had kunnen verrichten, nu eiser heeft verklaard dat hij weet waar de persoon woont in Osnabrück. In de zienswijze heeft eiser gesteld dat hij niet heeft verklaard dat hij beschikt over het adres, maar alleen dat hij, wanneer hij in Osnabrück is, de route naar de woning kent.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de aanvullende motivering voldoende onderbouwd waarom eiser de documenten had kunnen laten opsturen. Op de zitting heeft eiser, zoals de minister terecht opmerkt, verklaard te weten waar de persoon woont. De minister heeft daarom van eiser mogen verwachten dat hij inspanningen had verricht om aan de contactgegevens te komen zodat hij de documenten had kunnen laten opsturen. Dat eiser stelt dat hij alleen de route naar de woning kent wanneer hij in Osnabrück is, betekent nog niet dat hij niet op een andere manier aan het adres had kunnen komen, bijvoorbeeld via Google Maps.

Verklaringen over ontsnapping uit het ziekenhuis

5. Ten aanzien van de ontsnapping, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij, gelet op zijn lichamelijke toestand, kon ontsnappen. De verklaringen van eiser dat hij niet weet of hij bewaakt werd en dat zijn raam openstond, stroken volgens de minister niet met zijn verklaringen dat hij na de mishandeling door de militie aan het ziekenhuis was overgedragen, voortdurend door militie werd gevolgd en dat er altijd militie aanwezig was bij de afdeling voor letsels, traumatologie of intensive care.

Eiser voert hiertegen aan dat de minister ten onrechte betrekt dat eiser uit een coma zou zijn ontwaakt. Eiser is bewusteloos geraakt, maar heeft niet in coma gelegen. Dat was alleen het geval toen hij 19 jaar oud was en voor het eerst hersenletsel heeft opgelopen. Ook betoogt eiser dat nog steeds onvoldoende gemotiveerd is waarom de wijze van ontsnapping gezien eisers medische situatie ongerijmd was. Verder benadrukt eiser dat hij heeft verklaard dat op de afdeling in het algemeen permanent militie aanwezig is, maar dat hij niet weet of hij op het moment van de ontsnapping bewaakt werd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister nog steeds niet onderbouwd op basis waarvan wordt geconcludeerd dat de wijze van ontsnapping gezien eisers medische situatie ongerijmd was. Bovendien voert eiser terecht aan dat hij over het incident in 2020 niet heeft verklaard dat hij in coma lag, maar dat hij bewusteloos raakte. Daarnaast sluiten de verklaringen van eiser over de bewaking in het algemeen en over zijn specifieke geval elkaar naar het oordeel van de rechtbank niet uit. De minister heeft het gebrek dan ook niet hersteld.

Verklaringen over de reisagent

6. De rechtbank stelt vast dat de minister heeft nagelaten om het geconstateerde motiveringsgebrek ten aanzien van de verklaringen over de reisagent te herstellen. In de aanvullende motivering van is de minister namelijk niet op dit punt ingegaan.

Risico bij terugkeer en verklaringen ouders

7. In de aanvullende motivering stelt de minister dat de verklaringen van eisers ouders dat eiser in de negatieve aandacht van de autoriteiten zou staan, onvoldoende zijn om die negatieve aandacht aannemelijk te maken. De minister vindt die verklaringen namelijk niet onderbouwd en weinig concreet. Ook heeft eiser de oproepen die zijn moeder zou hebben ontvangen niet overgelegd. Ten aanzien van de lijst met gezochte mensen stelt de minister zich op het standpunt dat van eiser mocht worden verwacht dat hij via zijn vriend nadere onderbouwing had geprobeerd te verkrijgen voor de gestelde negatieve aandacht.

Eiser voert aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom aan de verklaringen geen bewijskracht toekomt en ook niet hoe deze verklaringen zich verhouden tot de informatie op de Vyasna-lijst. Daarnaast vormt de omstandigheid dat aanvullende stukken ontbreken, geen toereikende motivering om de verklaringen van de ouders terzijde te schuiven. Ook kan niet verwacht worden dat eiser via die vriend onderbouwing had kunnen krijgen van de aanwezigheid van zijn naam op een andere lijst.

Uit de motivering dat de verklaringen niet zijn onderbouwd en weinig concreet zijn, maakt de rechtbank op dat daaraan beperkte bewijswaarde toekomt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister met zijn aanvullende motivering voldoende heeft onderbouwd welke waarde aan de verklaringen toekomt. Wel is de rechtbank met eiser eens dat de minister ten onrechte niet is ingegaan op hoe die verklaringen zich verhouden tot de informatie op de Vyasna-lijst. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister het geconstateerde gebrek onvoldoende heeft hersteld.

Oplegging van het inreisverbod

8. De minister erkent in de aanvullende motivering dat sociaaleconomische omstandigheden relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de duur van het inreisverbod. Echter heeft eiser de omstandigheden die hij naar voren heeft gebracht niet nader onderbouwd. Bovendien werkte eiser voor het laatst in 2017 in Polen en heeft hij ook niet aangetoond dat hij op dit moment over een geldig werkvisum voor Polen beschikt. De minister stelt zich dan ook op het standpunt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet maken dat het inreisverbod onevenredig is.

Eiser voert daartegen aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom aan de verklaringen van eiser moet worden getwijfeld. Ook vindt eiser dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de sociaaleconomische omstandigheden onvoldoende zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn voor het oordeel dat de oplegging van het inreisverbod onevenredig zou zijn.

Hersenletsel uit 2009

9. De rechtbank stelt vast dat de minister geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank in te gaan op de vraag in hoeverre het hersenletsel uit 2009 nog relevant is op het moment dat eiser in 2020 als gevolg van het op hem toegepast geweld bij een demonstratie opnieuw hersenletsel heeft opgelopen, en in welke mate dit (nog) doorwerkt in de beoordeling.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

10. Gelet op wat in overweging 5.2., 6., 7.2., is overwogen, concludeert de rechtbank dat de minister de geconstateerde gebreken met de aanvullende motivering onvoldoende heeft hersteld. Ook is de minister niet ingegaan op de vraag in hoeverre het hersenletsel uit 2009 nog relevant is, en in welke mate dit doorwerkt in de beoordeling. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat de minister, zoals hiervoor is overwogen, meerdere gebreken niet heeft hersteld, ziet de rechtbank geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Ook ziet de rechtbank geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. In het nieuw te nemen besluit dient de minister de nog overeind gebleven tegenwerpingen opnieuw in onderlinge samenhang te bezien.

11. Omdat het beroep gegrond is, dient de minister de door eiser gemaakte proceskosten te vergoeden. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-.

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr.L.C.C. Bakx, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.F.A.M. Smeets

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand