uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
[verzoekster],
geboren op [geboortedag] 2008, van Eritrese nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. M.F. Aly).
Inleiding
1. In het besluit van 21 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister besloten dat verzoekster niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Verzoekster heeft op 6 augustus 2026 verzocht om uitstel van vertrek. De minister heeft het verzoek met het besluit van 21 augustus 2026 afgewezen, omdat verzoekster niet aan de voorwaarden van artikel 64 van de Vw voldoet. Gebleken is dat verzoekster sinds 17 augustus 2022 internationale bescherming geniet in Zweden. De asielaanvraag van verzoekster in Nederland is daarom met het besluit van 1 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft dit in de uitspraak van 11 juli 2025 bevestigd. Volgens de minister kan artikel 64 van de Vw niet bij de overdracht aan Zweden worden toegepast, aangezien uit paragraaf A3/7.4.4 van de Vc volgt dat de minister artikel 64 van de Vw niet toepast als iemand uit een lidstaat van de Europese Unie komt. Verzoekster mag het besluit op haar bezwaar en de uitspraak op de voorlopige voorziening niet in Nederland afwachten, omdat zij niet heeft meegewerkt aan de eerder geplande overdracht op 13 mei 2026.
4. Verzoekster heeft op 28 augustus 2026 bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij op 10 augustus 2026 is bevallen via een (spoed)keizersnede, en na haar ontslag weer is opgenomen in het ziekenhuis vanwege een baarmoederlijke infectie. Vanwege haar medische situatie meent verzoekster dat reizen op dit moment niet mogelijk is en zij daarom in aanmerking komt voor uitstel van vertrek.
5. Op 3 september 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen omdat zij op dit moment verwijderbaar is. Zij verzoekt de voorzieningenrechter de werking van het bestreden besluit op te schorten en te bepalen dat verzoekster de uitkomst van de connexe procedure in Nederland mag afwachten.
6. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is uit Nederland, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat er nog geen concrete plannen voor overdracht bestaan, is daarvoor niet relevant.
7. De minister heeft op 7 september 2026 op deze gronden gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. Uit het beleid van de minister volgt dat artikel 64 van de Vw in dit geval niet van toepassing is, aangezien de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er van uit mag gaan dat de noodzakelijke medische voorzieningen in Zweden beschikbaar en toegankelijk zijn. Verzoekster heeft in dit geval niet aangevoerd of aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Zweden de voor haar noodzakelijke medische zorg in Zweden niet beschikbaar of toegankelijk is. Voor zover verzoekster betoogt dat zij vanwege haar huidige medische situatie feitelijk niet in staat is om te reizen, heeft de minister er terecht op gewezen dat er, gelet op de huidige medische situatie van verzoekster, op dit moment nog geen overdracht aan Zweden gepland staat. De minister zal bij een toekomstige overdracht rekening moeten houden met de op dat moment bestaande medische situatie van verzoekster. Verzoekster kan in het kader van de concrete overdracht alsdan naar voren brengen waarom reizen op dat moment niet mogelijk is. Daar is in dit geval echter nog geen sprake van.
9. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.