RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51249
V-nummer: [v-nummer], eiseres (de vreemdeling heeft in een gesprek ter voorbereiding van de asielaanvraag aangegeven zich meer man dan vrouw te voelen. De rechtbank ziet hierin aanleiding haar ook als vrouw aan te spreken),
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Kolodyazhna. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiseres is een transgender vrouw afkomstig uit Rusland. Zij heeft zich gemeld om asiel te vragen met overlegging van een goed bevonden Russisch paspoort. Haar asielaanvraag kan een zekere kansrijkheid niet worden ontzegd.
4. Daarnaast is eiseres transgender en dient zij in een gevangenissituatie waarbij mannen en vrouwen niet gescheiden zijn als kwetsbaar te worden betiteld.
5. Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat zij zich, ondanks dat zij een aparte cel heeft gekregen waarin zij alleen de nacht kan doorbrengen, in detentie ongemakkelijk voelt, omdat mannen en vrouwen in dezelfde gezamenlijke ruimtes verblijven. Eiseres voelt zich niet vrij en veilig om te zijn wie zij is. Eiseres haalt in dit verband een opmerking van een medewerker van het detentiecentrum aan waarin haar is aangeraden haar geaardheid voor zich te houden. Eiseres kan kennelijk niet verwachten door andere gedetineerden te worden behandeld met het respect dat zij mag verwachten. Terwijl zij zich daar niet aan kan onttrekken omdat zij gedetineerd zit.
6. De rechtbank vraagt zich af hoe ver het grensbewakingsbelang van de minister moet reiken voordat de grensdetentie niet langer als evenredig kan worden gezien. De rechtbank betrekt hierbij dat het gaat om iemand die aan asiel aanvraagt, waarbij het denkbaar is dat zij in haar land van herkomst al onder onveilige en bedreigende omstandigheden heeft geleefd.
7. Het beroep is gegrond en de maatregel is onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van vandaag. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.