ECLI:NL:RBDHA:2026:26424

ECLI:NL:RBDHA:2026:26424

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer NL26.51558
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bewaring, grensdetentie, ervaringen eiser in land van herkomst onvoldoende meegewogen bij opleggen vrijheidsontnemende maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.51558

V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),

en

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Cetinkaya.

De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. In eisers geval is de rechtbank van oordeel dat de grensdetentie als onevenredig bezwarend moet worden aangemerkt. Daarbij is het volgende van belang. Eiser is in Nederland aangekomen met een goed bevonden ‘Nationaal Service Paspoort’, afgegeven door de Turkse autoriteiten. Tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel heeft hij aangegeven asiel te vragen omdat hij deel uitmaakt van de Gülen-beweging, daarvoor ook is veroordeeld en als gevolg daarvan in totaal

25 maanden heeft vastgezeten. Dit heeft hij de volgende dag ook met stukken weten te onderbouwen. Ook op zitting oogt eiser kwetsbaar en emotioneel op het moment dat zijn detentie in Turkije ter sprake komt.

4. Verder is de minister in het besluit tot oplegging van de maatregel wel ingegaan op het feit dat eisers zoon in Nederland woont en dat hij last heeft van suikerziekte en een te hoge bloeddruk en daarvoor ook medicatie gebruikt. De minister heeft in het besluit echter geen acht geslagen op de door eiser genoemde achtergrond voor zijn aanvraag en de mogelijke psychische gevolgen van de vrijheidsontneming in het licht van eisers eerdere detentie in Turkije. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het belang van het bewaken van de grens door de minister onvoldoende zorgvuldig is afgewogen ten opzichte van eisers belang.

5. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van

9 september 2026.

6. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontneming van 8 x € 120,-- (verblijf detentiecentrum) = € 960,--.

7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van

9 september 2026;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 960,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.H.G. Odink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand