RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51255
V-nummer: [v-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Achamlale.
De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser betoogt dat de maatregel onvolledig, onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is. Volgens de minister zijn de medische en psychische klachten van eiser geen reden om af te zien van de vrijheidsontneming, vanwege de medische voorzieningen in het detentiecentrum. Daarmee wordt volgens eiser echter voorbijgegaan aan de vraag of eiser wel geschikt is voor grensdetentie, omdat niet is onderzocht of hij de stress van de opsluiting aankan gelet op zijn psychische klachten.
2. De Uniewetgever heeft in artikel 8, lid 5 onder a) van Verordening 2024/1356 uitdrukkelijk bepaald dat de screening mede bestaat uit een voorlopige medische controle en voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid. In artikel 12, lid 1, van deze verordening wordt uitdrukkelijk bepaald dat de voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel. In lid 3 van hetzelfde artikel wordt bepaald dat de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid door gespecialiseerd daartoe opgeleid personeel dient te worden uitgevoerd. Deze bepalingen zijn gedetailleerd en dwingend voorgeschreven.
3. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat een voorlopige medische controle en controle van de kwetsbaarheid een essentiële fase in de screening is en een waarborg voor derdelanders die gescreend worden dat hun medische en psychische problematiek bij de keuze voor de te volgen procedure wordt betrokken.
4. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 1 september 2026 blijkt dat eiser is gevraagd naar bijzondere of persoonlijke omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat wordt afgezien van het behandelen van de asielaanvraag in het detentiecentrum.
Voor zover hier van belang is het volgende besproken:
“Ik heb angst-problemen, ik weet niet waar ik terecht kom, ik blijf liever op afstand van andere mensen.
(…)
V: Heeft u last van ander ziektes, lichamelijk aandoeningen of beperkingen waar u last van heeft en zo ja, welke zijn dat en kunt u dit aannemelijk maken:
A: "Ik heb last van Colitis Ulcerosa en ik lijdt aan een Sociale angststoornis."
V: Gebruikt u op het moment medicijnen en zo ja, welke en waartegen?
A: "Nee."”
5. In het besluit tot oplegging van de maatregel is over de door eiser aangevoerde medische en psychische omstandigheden het volgende overwogen:
“Op het Aanmeldcentrum Schiphol (JCS) zijn voldoende medische voorzieningen beschikbaar die de vreemdeling medisch kunnen beoordelen. Derhalve is ervoor gekozen om geen lichter middel toe te passen.”
6. Hoewel aannemelijk is dat de betrokken grenswachter in voorkomende gevallen in staat is om de situatie te onderkennen waarbij onmiddellijke medische zorg noodzakelijk is, is hier sprake van een andere situatie. Juist in het geval van psychische problemen zal
gekwalificeerd (medisch) personeel eerder in de gaten hebben wanneer doorgevraagd moet worden, ook omdat zij op andere omstandigheden dan de gegeven antwoorden letten.
Door in dit geval geen verder onderzoek te doen naar de door eiser aangevoerde omstandigheden is de oplegging van de vrijheidsontneming onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
7. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van
10 september 2026.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontneming van 10 x € 120,-- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,--.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van
10 september 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.200,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.