RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/11539
V-nummer: [v-nummer]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedag 1] 1997, met de Marokkaanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde])
en
(gemachtigde: mr. M. Hambarsumian).
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 30 augustus 2024 tot verlening van een visum kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 mei 2025 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag is gehandhaafd.
Op 3 juni 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.
Verweerder heeft op 3 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Referente, [referente], is schriftelijk gemachtigd om eiseres in beroep te vertegenwoordigen, maar is zonder voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen.
Met inachtneming van artikel 8:67 van de Awb heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft medegedeeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open staat.
Beslissing
De rechtbank:
Overwegingen
Besluitvorming
1. Referente, geboren op [geboortedag 2] 1990, is de zus van eiseres. Eiseres wil haar graag bezoeken in Nederland.
2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond door eiseres en dat eiseres niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. De visumaanvraag is verder afgewezen omdat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond dan wel gering is gebleken, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres (tijdig) het Schengengebied zal verlaten.
4. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard, heeft verweerder verder afgezien van het horen op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb.
Standpunt eiseres
5. Eiseres stelt dat zij de sociale en economische binding met Marokko wel degelijk voldoende heeft aangetoond. Eiseres heeft daarnaast aangeboden om een borgsom te deponeren in de kas van de Nederlandse ambassade in Marokko als garantie voor haar tijdige terugkeer naar het land van herkomst. Eiseres stelt verder dat verweerder haar ten onrechte in de bezwaarfase niet heeft gehoord.
Oordeel van de rechtbank
6. Uit het verweerschrift volgt dat verweerder in beroep uitsluitend de weigering handhaaft op de grond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Verweerder merkt daarnaast op dat referente geen rechtmatig verblijf (meer) heeft in Nederland. Verweerder heeft in dit verband haar verblijfsrechtelijke procedure geschetst en erop gewezen dat het besluit tot afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER in rechte vaststaat.
7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
8. Wat betreft de sociale binding volgt uit de stukken dat eiseres ten tijde van de aanvraag 27 jaar oud was, geen kinderen heeft, ongehuwd is en haar hele leven in Marokko heeft gewoond. Uit de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ volgt dat de vader en zus van eiseres in Marokko wonen. In het bezwaarschrift is naar voren gebracht dat zij de zorg draagt voor haar vader in Marokko en dat zij tijdig dient terug te keren om deze zorg voor hem te kunnen voortzetten. Wat betreft de economische binding volgt uit de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ dat eiseres als zelfstandig kapster werkt en daarmee een inkomen verdient van € 700,- per maand. Hieruit blijkt ook dat eiseres heeft verklaard dat zij tijdig terug wil keren naar Marokko voor haar klantenkring en dat zij vindt dat zij in Marokko voldoende geld verdient. Eiseres heeft in dit kader in bezwaar verder een kopie van haar kappersdiploma overgelegd. Verder volgt uit de overgelegde bankverklaringen in bezwaar dat zij op 28 augustus 2024 een banksaldo had van omgerekend €5.900,42 en op 15 november 2024 een banksaldo had van omgerekend €5.502,08.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres gezien het bovenstaande voldoende inspanningen verricht, voornamelijk wat betreft de economische binding, om de benodigde informatie te verkrijgen en kan niet op voorhand worden gezegd dat het bezwaar geen enkele kans van slagen heeft. Wat betreft de sociale binding is volgens verweerder onvoldoende onderbouwd dat eiseres daadwerkelijk de zorg voor haar vader op zich neemt. Dit betekent volgens de rechtbank niet zonder meer dat eiseres geen sociale binding met Marokko heeft en evenmin dat sprake is van een voornemen om zich in Nederland te vestigen. Voordat verweerder deze conclusie kan trekken, had hij eiseres in de gelegenheid moeten stellen hierover te worden gehoord. Er kunnen immers ook andere omstandigheden zijn die van belang zijn voor de beoordeling van haar sociale (en economische) binding met Marokko en daarmee voor de inschatting van haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Juist nu deze beoordeling in belangrijke mate betrekking heeft op het toekomstige gedrag van eiseres, had verweerder haar in bezwaar moeten horen. Tijdens een hoorzitting had eiseres de gelegenheid kunnen krijgen om de bestaande onduidelijkheden weg te nemen, haar sociale (en economische) binding met Marokko nader toe te lichten en verweerder ervan te overtuigen dat zij voornemens is tijdig terug te keren. Daarbij had verweerder ook onder meer nadere vragen kunnen stellen over de zorg die eiseres stelt te geven aan haar vader. Door van het horen af te zien, heeft verweerder eiseres de mogelijkheid onthouden om de gerezen twijfels weg te nemen. Dit geldt temeer nu eiseres zich bereid heeft verklaard een borgsom te stellen, hetgeen eveneens een omstandigheid is die verweerder bij zijn beoordeling had kunnen betrekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiseres in bezwaar had moeten horen. Verweerder had het bezwaar niet kennelijk ongegrond mogen verklaren.
10. De beroepsgrond slaagt.
11. Omdat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit.
12. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van een visum kort verblijf in stand blijft. Bij de beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, beoordeelt de rechtbank de zaak zoals deze op dit moment is. De rechtbank overweegt in dit verband dat inmiddels is gebleken dat referente geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de aanvraag alsnog zou moeten inwilligen.
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.