RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51373
gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul,
en
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 23 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 5 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 7 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. Uit de uitspraak van 5 augustus 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 29 juli 2026 rechtmatig is.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend handelt, nu eiser vanaf 27 augustus 2026 kon worden verwijderd. De minister heeft weliswaar een vlucht aangevraagd, maar de minister had daar veel eerder een aanvang mee moeten maken zodat eiser op 28 augustus 2026 verwijderd had kunnen worden. Nu eiser inmiddels veertien maanden in bewaring zit is zijn belang ook heel zwaar gaan wegen ten opzichte van dat van de minister. Eiser meent dan ook dat zijn bewaring vanaf 28 augustus 2026 onrechtmatig is geworden. Ook handelt de minister onzorgvuldig door de rechtbank niet te informeren over de vluchtdatum die bij de minister bekend is, althans zo blijkt uit de M120. Mogelijk ligt deze datum zo ver in de toekomst dat de minister de vertrekdatum voor de rechtbank wil verbloemen.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er op 21 augustus 2026 een vluchtaanvraag is gedaan en op 26 augustus 2026 de vluchtgegevens voor 9 september 2026 zijn ontvangen. Omdat hiervoor escorts van de Koninklijke Marechaussee zijn vereist, duurt het regelen van de vlucht langer dan het geval zou zijn indien eiser zonder escort zou worden uitgezet. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de begeleide uitzetting van eiser sneller had moeten bewerkstelligen. De rechtbank volgt eiser evenmin in de stelling dat de minister de rechtbank niet zou hebben geïnformeerd over de vluchtdatum, nu deze informatie in de voortgangsrapportage (M120) staat vermeldt onder 12b. Vluchtgegevens. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Tot slot vraagt eiser zich af of de minister nog wel beschikt over een geldige laissez passer (lp) nu de bevestiging van eisers nationaliteit alweer van november 2025 dateert en Algerijnse lp's maar een geldigheid hebben van een maand. Mogelijk heeft de minister een vlucht geboekt zonder te verifiëren of de minister nog wel in het bezit is van een geldig lp.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er een lp-toezegging/noodpaspoort is gedaan. De rechtbank ziet, anders dan eiser, geen aanleiding te twijfelen aan de vraag of de minister in het bezit is van een lp of door de Algerijnse autoriteiten kort voor de vlucht in het bezit van een lp zal worden gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.