RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18872
(gemachtigde: mr. E. Gorsselink),
en
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. De minister heeft bij het horen en beslissen voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dat de seksuele gerichtheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is homoseksueel en heeft in Guinee een relatie gehad met [persoon 1] . Zij zijn, nadat zij bij [persoon 1] thuis seks hadden, door de moeder van [persoon 1] betrapt, waardoor hun relatie aan het licht is gekomen. Eiser en [persoon 1] zijn toen mishandeld en uitgescholden. Eiser is vervolgens aangehouden door de politie en in de gevangenis geplaatst, waar hij is mishandeld en uitgehongerd. Na een week werd hij door een bewaker vrijgelaten, vluchtte hij naar een naastgelegen dorp en is hij met de hulp van [persoon 2] – een bewoonster uit dat dorp – het land ontvlucht. Eiser vreest dat hij bij terugkeer opnieuw in de gevangenis zal worden gezet of zal worden vermoord, omdat hij homoseksueel is.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar dat de homoseksuele gerichtheid en de problemen als gevolg daarvan niet geloofwaardig zijn. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt een verblijfsvergunning asiel. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen.
Heeft de minister bij het horen en beslissen voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser?
5. Eiser betoogt dat de minister bij het horen en beslissen onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser stelt in de eerste plaats dat het nader gehoor niet is afgestemd op zijn persoonlijke situatie. Eiser is kwetsbaar, zeer laaggeschoold, heeft mogelijk een licht verstandelijke beperking en heeft moeite met het uiten van gevoelens. Hierdoor is het voor hem moeilijk om openheid over zijn seksuele gerichtheid te geven. Daarnaast bestond tijdens de eerste dag van het nader gehoor een taalbarrière (waardoor de minister geen verklaringen uit dat deel van het nader gehoor mag tegenwerpen) en was eiser tijdens de tweede dag van het nader gehoor vermoeid. Volgens eiser heeft de hoormedewerker tijdens het nader gehoor bovendien steeds dezelfde vragen herhaald, waardoor onvoldoende ruimte is geboden om zijn persoonlijke verhaal te vertellen. De minister had volgens eiser de vraagstelling meer op zijn persoonlijke situatie moeten afstemmen en daarbij gebruik moeten maken van een meer “creatieve” vraagstelling. In het verlengde hiervan vindt eiser dat het hem was toegestaan om zijn verklaringen door middel van de correcties en aanvullingen uitgebreider aan te vullen. Eiser erkent dat dit eigenlijk onwenselijk is, maar benadrukt dat de schriftelijke aanvulling nodig is vanwege de wijze van horen. Bovendien is de aanvulling juist in het belang van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister had daarom ook meer waarde moeten hechten aan de correcties en aanvullingen dan hij nu heeft gedaan.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat hij bij het horen en beslissen voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser.
De minister heeft in het voornemen, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, vermeld dat eiser een 21-jarige man is, geen opleiding heeft gevolgd en geen werkervaring heeft opgedaan, en op basis daarvan geconcludeerd dat van eiser geen details worden verwacht, maar wel dat hij zijn authentieke verhaal kan vertellen. In zoverre heeft de minister in de besluitvorming betrokken dat eiser laaggeschoold is. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij daarnaast (ook) kwetsbaar is of (mogelijk) een licht verstandelijke beperking heeft. De enkele stelling van eiser en de ontslagbrief van GGZ Centraal van 10 oktober 2025 – waaruit geen daartoe strekkende diagnose volgt – zijn daartoe onvoldoende. Dat het voor eiser niet gebruikelijk is om over zijn seksuele gerichtheid te verklaren, is evenmin van doorslaggevend belang. De wijze van horen in asielzaken waar een lhbti-motief naar voren is gebracht, is immers zo ingericht dat de vreemdeling – ook bij onwennigheid – in de gelegenheid wordt gesteld om daarover te verklaren. Bovendien is de rechtbank uit het verslag van het nader gehoor niet gebleken dat eiser zich geremd heeft gevoeld om over zijn seksuele gerichtheid te verklaren.
Verder volgt uit het verslag van het nader gehoor dat eiser in eerste instantie is gehoord met de hulp van een tolk Frans. Dat komt de rechtbank niet vreemd voor, omdat eiser op de eerste dag van het nader gehoor (desgevraagd) meerdere keren heeft verklaard dat hij de tolk Frans goed kon verstaan en begrijpen en het aanmeldgehoor ook heeft plaatsgevonden in het Frans. Dat eiser het Frans onvoldoende machtig zou zijn, kan dan ook niet worden gevolgd. Toen gedurende het gehoor bleek dat eiser moeite had om in het Frans over zijn gevoelens te praten, is het gehoor alsnog afgebroken en is het nader gehoor een dag later in de voorkeurstaal van eiser (Maninka) voortgezet. Op de tweede dag van het nader gehoor heeft de hoormedewerker, waar nodig, vragen ter verduidelijking gesteld over onderwerpen die op de eerste dag van het nader gehoor door de inzet van een tolk Frans onvoldoende duidelijk waren geworden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet is benadeeld door de aanvankelijke inzet van een tolk Frans. Het is daarnaast voorstelbaar dat eiser het vermoeiend vond om twee dagen lang gehoord te worden, maar deze vermoeidheid blijkt niet uit het verslag van het nader gehoor en bovendien is het in het belang van eiser om zijn asielrelaas zo goed mogelijk naar voren te kunnen brengen, zodat het juist van zorgvuldigheid getuigt dat het nader gehoor in totaal twee dagen heeft geduurd. Eiser heeft bovendien niet toegelicht op welke manier de gestelde vermoeidheid van invloed is geweest op zijn verklaringen en de rechtbank ziet ook geen aanwijzingen dat de verklaringen van eiser anders zouden zijn geweest als hij deze dagen als minder zwaar zou hebben ervaren.
De minister stelt zich tot slot terecht op het standpunt dat de vraagstelling voldoende op de situatie van eiser is toegespitst. Met eiser zijn de relevante onderwerpen uit de WI 2019/17 besproken en de verklaringen van eiser zijn vervolgens in het voornemen gewogen. Hoewel de hoormedewerker op basis van de WI 2019/17 de mogelijkheid heeft om “creatief” te zijn in de vraagstelling tijdens het nader gehoor, betreft dit geen verplichting. Het gaat erom dat de minister eiser voldoende in de gelegenheid stelt om zijn persoonlijke, authentieke verhaal te vertellen. Dat heeft de minister voldoende gedaan. De hoormedewerker heeft immers herhaaldelijk aan eiser gevraagd of hij over gegeven antwoorden “meer kan vertellen”, met het kennelijke doel om eiser op een open manier in de gelegenheid te stellen zijn persoonlijke verhaal te delen. Bovendien heeft eiser ook niet verduidelijkt welke “creatieve” vraagstelling hij van de hoormedewerker had verwacht en welke vragen volgens hem hadden moeten worden gesteld. In het verlengde hiervan stelt de minister terecht dat de correcties en aanvullingen bedoeld zijn om verklaringen te corrigeren of een korte aanvulling te geven, en niet om geheel nieuwe en uitgebreide verklaringen toe te voegen aan het asielrelaas en verklaringen uit de gehoren te vervangen, zoals eiser heeft gedaan door acht pagina’s aan aanvullende verklaringen in te dienen. De minister heeft dit dan ook niet hoeven te betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
Mocht de minister de seksuele gerichtheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen (het tweede asielmotief) ongeloofwaardig vinden?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, omdat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser enkel betwist dat de minister ten onrechte stelt dat eiser onvoldoende kennis heeft over en betrokken is bij lhbti-organisaties in Nederland. De overige standpunten van de minister zijn niet gemotiveerd betwist, namelijk dat eiser wisselend en algemeen heeft verklaard over het ontdekken van zijn gerichtheid, niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de relatie met [persoon 1] ontwikkelde van vriendschap tot liefde, algemeen heeft verklaard over [persoon 1] , beknopt heeft verklaard over zijn geloof en gerichtheid, wisselend heeft verklaard over de betrapping en tot slot dat niet aannemelijk verklaard over de ontsnapping aan de gevangenis
De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordelen of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en de problemen die hij daardoor heeft ondervonden geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Kennis over lhbti-organisaties in Guinee en Nederland
7. Eiser betoogt dat de minister niet is ingegaan op wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd over zijn kennis van en betrokkenheid bij lhbti-organisaties in Guinee en Nederland. De minister had aan eiser moeten vragen naar documenten waaruit blijkt dat hij lid is van de lhbti-gemeenschap in Nederland, zodat deze meegestuurd hadden kunnen worden, temeer omdat eiser hier gedetailleerd over heeft verklaard en hij hiervan beelden heeft op zijn telefoon.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de kennis van eiser over de situatie voor lhbti-ers in Guinee en Nederland, en de betrokkenheid van eiser bij de lhbti-gemeenschap in Nederland de tekortkomingen in zijn overige verklaringen niet kunnen compenseren. Allereerst is tijdens het nader gehoor aan eiser gevraagd of hij zijn deelname aan lhbti-activiteiten in Nederland kan onderbouwen, waarop hij negatief antwoordde. Later bleken er toch documenten te zijn, maar die heeft eiser pas in beroep overgelegd. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser hier geen verschoonbare reden voor heeft gegeven. Eiser is sinds 2023 in Nederland en was op het moment van het nader gehoor al drie of vier maanden lid was van het netwerk ‘Grown up Proud’ van het COC Midden-Nederland, waardoor eiser ruimschoots in de gelegenheid is geweest om reeds in de besluitvormingsfase documenten te overleggen. Dat de minister hier actief naar had moeten vragen, volgt de rechtbank niet. Het is immers aan eiser om zijn asielrelaas zo veel mogelijk uit eigen beweging te onderbouwen en niet aan de minister om actief naar documenten te vragen. Verder volgt uit de brief van ‘Grown up Proud’ alleen dat eiser het afgelopen jaar bijeenkomsten heeft bezocht, school leuk vindt en zou willen werken als buschauffeur. Uit de verklaringen van eiser blijkt verder dat ‘Grown up Proud’ activiteiten organiseert, zoals bowlen en tekenen. Daarom kan uit deze brief, in combinatie met de door eiser afgelegde verklaringen, slechts worden afgeleid dat eiser naar bijeenkomsten is geweest en dat er activiteiten worden georganiseerd. Dit vormt echter geen onderbouwing van de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser.
Brief van mentor van eiser
8. Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft eiser nog een e-mail van de mentor van eiser van de opleiding Entree voor anderstaligen van het MBO Amersfoort aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank ziet in deze e-mail geen aanleiding om het onderzoek te heropenen, omdat deze e-mail slechts bevestigt dat eiser zijn gestelde homoseksuele gerichtheid aan zijn mentor heeft verteld, maar verder geen nader inzicht geeft in de door de minister geconstateerde (en overigens onbetwiste) tekortkomingen in de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor. Daarom kan deze e-mail, anders dan eiser stelt, niet dienen ter nadere onderbouwing van de gestelde seksuele gerichtheid van eiser.
Conclusie over deze beroepsgrond
9. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de seksuele gerichtheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. De minister heeft eiser daarom ook terecht een terugkeerbesluit opgelegd.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.