RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50221
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en
Procesverloop
1. De minister heeft op 22 juli 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op dit eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 5 augustus 2026.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om een schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 4 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Uit de uitspraak van 5 augustus 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 31 juli 2026) rechtmatig is.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister al op 20 augustus 2026 een toezegging voor een laissez-passer (lp) heeft ontvangen. Uit het dossier blijkt niet dat er inmiddels een vlucht voor eiser is geboekt terwijl er bijna twee weken zijn verstreken.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is juist dat op 20 augustus 2026 een toezegging voor een lp is ontvangen. Uit het voortgangsrapport volgt verder dat op 26 augustus 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser, dat op 27 augustus 2026 een vluchtaanvraag is gedaan, op 28 augustus 2026 een escortopdracht is ontvangen en verzonden naar de reisagent en dat de minister in afwachting is van de vluchtgegevens. Daarmee werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
Moet de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvallen?
4. Eiser voert vervolgens aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. De minister heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de (steeds zwaarder wegende) belangen van eiser bij opheffing van de maatregel van bewaring. De maatregel trekt een steeds zwaardere wissel op eiser. Dit klemt te meer nu uit het verslag van het vertrekgesprek blijkt dat eiser ook bereid is om vrijwillig te vertrekken.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. De enkele stelling dat eiser bereid is om vrijwillig te vertrekken is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. Dat eiser daadwerkelijk daartoe bereid is, blijkt bovendien niet uit het verslag van het vertrekgesprek van 26 augustus 2026. Daarin staat dat eiser niet heeft meegewerkt aan de presentatie op 19 augustus 2026 en dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij zich op 25 augustus 2026 heeft ingeschreven bij het IOM, maar de regievoerder daar nog niets van heeft vernomen. Gelet hierop en op de aangevraagde vlucht, komt aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel meer gewicht toe dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet langer is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.