ECLI:NL:RBDHA:2026:26487

ECLI:NL:RBDHA:2026:26487

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer NL26.3216
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Eiser is gevlucht uit Syrië vanwege de algemene onveilige situatie in Syrië en omdat hij als Christen werd gediscrimineerd vanwege zijn geloofsovertuiging. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft terecht geoordeeld dat in Syrië geen sprake is van groepsvervolging van christenen. Onvoldoende is echter onderbouwd waarom christenen niet als risicoprofiel zijn aangemerkt in het landenbeleid voor Syrië. De minister heeft ook onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De situatie is na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus is. Van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is onvoldoende gebleken. De minister lijkt dat zelf ook te erkennen nu hij niet overgaat tot herbeoordeling van al verleende verblijfsvergunningen. Ook heeft de minister de slechte humanitaire situatie in Syrië niet op de juiste wijze meegewogen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.3216

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),

en

(gemachtigde: mr. J. Kennis).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft terecht geoordeeld dat geen sprake is van groepsvervolging van christenen. Wel heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom christenen niet als risicoprofiel zijn aangemerkt. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van het laagste niveau van willekeurig geweld in Syrië. Verder heeft de minister niet op de juiste wijze de slechte humanitaire situatie in Syrië meegewogen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 4 volgen het asielrelaas van eiser en een samenvatting van het bestreden besluit. De bespreking van de gronden volgt vanaf 5. De rechtbank zal daarbij eerst ingaan op het beroep van eiser op groepsvervolging van christenen. Daarna zal de rechtbank bespreken of christenen als risicoprofiel dienen te worden aangemerkt. Vervolgens zal de rechtbank bespreken wat partijen hebben aangevoerd over de algemene veiligheidssituatie. Tot slot zal de rechtbank bespreken welk gewicht toekomt aan de humanitaire situatie in Syrië. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting van de meervoudige kamer behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Ball-Ponne als tolk in het Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Syrische nationaliteit, hij is geboren op [geboortedag] 1997 en hij is christen. Eiser is gevlucht uit Syrië omdat hij werd gediscrimineerd vanwege zijn geloofsovertuiging. In november 2022 heeft eiser een incident meegemaakt op zijn werk waarbij collega’s zich negatief uitlieten over christenen. Eiser is daar toen gestopt. In april 2023 ging eiser tijdens de ramadan eten in een parkje. Hij is toen aangevallen en uitgescholden door drie moslim jongens. Daarnaast beroept eiser zich op de algemene onveilige situatie in Syrië.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

De minister acht beide elementen geloofwaardig. De minister meent echter dat het relaas onvoldoende zwaarwegend is. De situatie van christenen in Syrië is niet geweldig, maar er is geen sprake van vluchtelingenrechtelijke vervolging van deze groep. Ook is geen sprake van discriminatie die dusdanig van aard is dat deze met vervolging gelijk moet worden gesteld.

Volgens de minister is er in heel Syrië sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat betekent dat eiser persoonlijke omstandigheden moet aanvoeren op grond waarvan hij meent dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van dit geweld. Daarin is hij niet geslaagd. Om die redenen heeft de minister de asielaanvraag als ongegrond afgewezen.

Het juridisch kader

5. In de uitspraak van 17 juli 2024 heeft de Afdeling het toetsingskader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn naar aanleiding van het arrest X en Y van het Hof uiteengezet. Uit dit arrest volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Het Hof legt verder uit dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook betrekking kan hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.

De minister neemt als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 in zijn beleid drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld. De drie gradaties zijn:

uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

relatief hoger niveau van willekeurig geweld;

relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Het beleid vermeldt verder dat, als er sprake is van een relatief hoger of relatief lager niveau van willekeurig geweld, de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het betreffende gebied op zichzelf niet meer voldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De vreemdeling moet in dat geval aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat:

de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en

juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Deze omstandigheden kunnen met name zien op het privé-, beroeps- of familieleven. Dit betekent overigens niet dat alleen al door de aanwezigheid van risicoverhogende factoren een reëel risico op ernstige schade aannemelijk is. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 16 juli 2025 de feiten en omstandigheden besproken die relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling noemt - onder verwijzing naar verschillende arresten van het Hof - de volgende elementen:

- De algemene veiligheidssituatie;

- De regionale spreiding van het geweld;

- De gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers;

- De veiligheidsstructuur;

- Het gebied van terugkeer;

- De ontheemden;

- De humanitaire omstandigheden.

Groepsvervolging van christenen / aanwijzing als risicoprofiel

6. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er in Syrië sprake is van groepsvervolging van christenen. Ter onderbouwing heeft eiser gewezen op het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van 2026 en de daar genoemde incidenten die hebben plaatsgevonden in Syrië. Zo is er een aanval geweest van IS op een kerk in [locatie], een wijk in Damascus, die heeft geleid tot 25 doden en 60 gewonden. Ook is sprake van intimidatie van christenen in de vorm van salafistische predikers die in christelijke buurten opriepen tot bekering en beledigende graffiti op kerken in Damascus en ruraal Damascus.

De beroepsgrond van eiser faalt. Uit het algemeen ambtsbericht blijkt inderdaad van incidenten gericht op christenen. Het aantal en de intensiteit van de incidenten is echter niet zodanig dat op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat christenen als groep te vrezen hebben voor vervolging. Hoewel met name de aanval op de kerk in [locatie] zeer ernstig is, vormt dat onvoldoende grondslag voor het aannemen van groepsvervolging. Evenmin kan worden geoordeeld dat christenen zodanig worden gediscrimineerd in Syrië, dat deze discriminatie als vervolging is aan te merken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de autoriteiten hebben toegezegd de vrijheid van de verschillende bevolkingsgroepen, inclusief de christenen, te prioriteren. Na de aanslag op de kerk in [locatie] zijn er ook veiligheidstroepen bij de kerk gestationeerd. Hoewel er dus verschillende incidenten hebben plaatsgevonden, is niet gebleken dat het voor christenen onmogelijk is om te leven en hun geloof te uiten in Syrië.

Dat neemt overigens niet weg dat de incidenten op zichzelf wel de kwetsbare positie van christenen in Syrië duidelijk maken. Met name in het licht van de onrustige veiligheidssituatie, waarop de rechtbank hieronder verder zal ingaan, had de minister nader moeten motiveren waarom christenen als kwetsbare minderheid niet worden aangemerkt als risicoprofiel. Op dat onderdeel is het besluit dus onvoldoende gemotiveerd.

De algemene veiligheidssituatie in Syrië

7. Tot 10 juni 2025 stelde de minister zich op het standpunt dat in Syrië sprake was van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld en dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in Syrië een reëel risico liep op ernstige schade. In een brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 heeft de minister naar aanleiding van het in mei 2025 verschenen algemeen ambtsbericht inzake Syrië het nieuwe landgebonden beleid voor Syrië aangekondigd. Vanaf dat moment gaat de minister voor heel Syrië uit van de laagste gradatie (‘relatief lager niveau’) van willekeurig geweld. Volgens deze brief was de primaire bron van onveiligheid het regime van president Assad en dat regime is op

8 december 2024 gevallen. Volgens de minister is sinds de val van het regime sprake van een redelijke verbetering van de algemene veiligheidssituatie.

Ook in deze zaak gaat de minister uit van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister onderbouwt dat – kort weergegeven – als volgt. In het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van 2025 blijkt dat er weliswaar sprake is van geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat deze van incidentele en kortstondige aard zijn. Uit het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van 2026 blijkt dat het aantal geweldsincidenten tussen 1 januari 2025 en 31 december 2025 sterk is gedaald. Verder verwijst de minister naar de Country Guidance inzake Syrië van 2 december 2025 van het EUAA. Uit dat rapport blijkt dat de situatie in ruraal Damascus weliswaar complex is, maar dat het aantal veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers laag is. Verder volgt uit het rapport dat een groot aantal Syriërs terugkeert, met name ook naar deze regio. Het EUAA concludeert dat er sprake is van willekeurig geweld, maar niet op hoog niveau.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser wijst er terecht op dat de situatie na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus is. Hoewel het geweld in de loop van 2025 inderdaad is afgenomen, in de zin dat er eind 2025 minder geweldsincidenten waren dan begin 2025, is het totale aantal burgerslachtoffers in 2025 bijna viermaal zo hoog als in 2024. Bovendien zijn de uitbarstingen van geweld die in die periode hebben plaatsgevonden, heftig en onvoorspelbaar geweest. Van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is dus onvoldoende gebleken. Daaraan doet niet af dat zich – zoals de minister op zitting heeft aangevoerd – in de eerste weken van 2026 een verdere daling heeft voorgedaan. De situatie

is nog altijd instabiel. De groepen die bij eerdere oplaaiingen van het geweld betrokken waren, zoals de Druzen, de Koerden en IS, zijn er nog altijd.

Ook de minister lijkt overigens te erkennen dat geen sprake is van een bestendig verbeterde veiligheidssituatie, nu dat juist als argument is aangevoerd in de brief van 12 juni 2025 om niet over te gaan tot de herbeoordeling van al verleende verblijfsvergunningen. Op grond van artikel 3.37g van het VV moet een wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter hebben om het reële risico op schade weg te nemen, wil kunnen worden overgegaan tot intrekking van een al verleende verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming. De rechtbank ziet niet in waarom voor een afwijzing van een verblijfsvergunning op diezelfde grond een ander toetsingskader zou moeten gelden.

De verwijzing van de minister naar andere lidstaten die veel Syrische vreemdelingen terugsturen, kan de minister in dit kader niet baten. Het is immers onduidelijk welke gradatie van willekeurig geweld deze lidstaten aanhouden en op welke informatie dat is gebaseerd. De feitelijke vaststelling dat veel Syriërs worden teruggestuurd maakt bovendien niet dat deze terugkeer de rechterlijke toets ook kan doorstaan. Daarnaast heeft de minister erkend dat terugkeerders niet tot nauwelijks worden gemonitord. Daarmee is veelal onbekend wat Syrische vreemdelingen bij terugkeer staat te wachten.

De humanitaire situatie in Syrië

8. Verder is tussen partijen in geschil welke rol de slechte humanitaire omstandigheden kunnen spelen bij de vaststelling van het niveau van willekeurig geweld en daarmee bij de vraag of eiser in aanmerking zou moeten komen voor subsidiaire bescherming.

De minister heeft zich onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 op het standpunt gesteld dat de humanitaire omstandigheden kunnen worden meegewogen bij de vaststelling of al dan niet sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Daarvoor moeten deze omstandigheden direct of indirect voortkomen uit het handelen of nalaten van één van de strijdende partijen. Daarvan is in dit geval volgens de minister geen sprake omdat het regime van Assad, dat grotendeels verantwoordelijk is voor de slechte humanitaire situatie, niet langer betrokken is bij het gewapend conflict. De humanitaire situatie is dus niet in overwegende mate te wijten aan de huidige actoren bij het gewapend conflict en kan dus bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld geen rol spelen, aldus de minister. De minister heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar twee uitspraken van deze rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank berust het standpunt van de minister op een onjuiste lezing van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De rechtbank begrijpt deze uitspraak zo, dat niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict moeten worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Alleen als slechte humanitaire omstandigheden niet in verband staan met het willekeurig geweld, zijn deze bij de vaststelling van het niveau van willekeurig geweld niet relevant.

De omstandigheid dat het regime van Assad na 8 december 2024 geen rol meer heeft gespeeld in het gewapend conflict, betekent overigens ook niet dat het actieve gewapende conflict een compleet ander conflict is dan voor 8 december 2024. Het huidige conflict vloeit rechtsreeks voort uit de jarenlange oorlog tijdens het regime van Assad en hoewel de machtsverhouding is gewijzigd zijn de actoren, met uitzondering van het regime van Assad, niet veranderd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, die in soortgelijke zin heeft geoordeeld.

De conclusie is dan ook dat de minister de humanitaire situatie in Syrië had moeten betrekken bij de vraag welk niveau het willekeurig geweld nu heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat de humanitaire situatie in Syrië heel erg slecht is. Uit het algemeen ambtsbericht van 2026 volgt dat in Syrië sprake is van grootschalige verwoesting van infrastructuur en woningen, dat veel Syriërs behoefte hebben aan humanitaire hulp, dat naar schatting 90% van de bevolking onder de armoedegrens leeft en dat meer dan de helft kampt met voedselonzekerheid. Verder zijn er veel problemen met de basisvoorzieningen: het stroomnetwerk werkt amper, er is tekort aan water, een groot gebrek aan functionerende gezondheidszorg en enorme problemen in het onderwijs.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als ongegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom christenen niet worden aangemerkt als risicoprofiel en waarom hij uitgaat van het laagste niveau van willekeurig geweld in Syrië, nu nog geen sprake is van een bestendige verbetering van de veiligheidssituatie. Verder heeft de minister ten onrechte de zeer slechte humanitaire situatie in Syrië niet betrokken bij de vraag van welk niveau van willekeurig geweld dient te worden uitgegaan. Het beroep is dus gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 januari 2026;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. M.B. de Boer en mr. Y. Moussaoui, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand