ECLI:NL:RBDHA:2026:26488

ECLI:NL:RBDHA:2026:26488

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer NL26.24762 en NL26.24763
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Dublin buiten zitting, Letland. Interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dublinverordening. Beroep kennelijk ongegrond.

Uitspraak

[eiser],

geboren op [geboortedag] 2005, van Soedanese nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

Bij besluit van 30 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54, eerste lid en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ook beoordeelt zij eisers verzoek om een voorlopige voorziening.

3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. Op deze zaak is het vóór 12 juni 2026 geldende recht van toepassing.

5. Eiser heeft op 22 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens de minister zijn de autoriteiten van Letland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een verzoek om internationale bescherming in Letland heeft ingediend. De minister heeft daarom op 30 maart 2026 de autoriteiten van Letland verzocht op eiser terug te nemen. Op 13 april 2026 hebben de Letse autoriteiten dit verzoek aanvaard.

6. Eiser betoogt dat de minister ten opzichte van Letland niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser blijkt het Letse asiel- en opvangsysteem aanzienlijk onder druk te staan. Zo wordt er melding gemaakt van beperkte opvangcapaciteit, procedurele achterstanden en problemen met de toegang tot adequate rechtsbijstand. Eiser wijst ter toelichting hiervan op recente rapporten van onder meer de European Union Agency for Asylum (EUAA) en internationale mensenrechtenorganisaties. Ten aanzien van de wijze waarop Letland omgaat met opvolgende asielaanvragen verwijst eiser ook naar drie beslissingen waarbij asielaanvragen van andere Soedanese vreemdelingen zijn afgewezen. Hieruit blijkt dat asielaanvragen van Soedanese vreemdelingen stelselmatig worden afgewezen, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag ten opzichte van Letland in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met bepalingen van het EU-Handvest, het EVRM en het Vluchtelingenverdrag zullen behandelen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Letland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat eiser na overdracht een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Letland nog steeds uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Letland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 (Jawo). De verwijzingen naar de aangehaalde bronnen zijn daarvoor onvoldoende, mede nu eiser niet heeft onderbouwd dat de daarin beschreven omstandigheden ertoe leiden dat hij na overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Ook eisers stelling dat zijn asielaanvraag in Letland als opvolgende aanvraag zal worden behandeld, leidt niet tot een ander oordeel. De door eiser overgelegde beschikkingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de Letse autoriteiten asielaanvragen van Soedanese vreemdelingen stelselmatig afwijzen en daarmee hun internationale verplichtingen niet nakomen. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij in Letland geen effectieve procedure met toegang tot een advocaat zal krijgen, volgt de rechtbank dit niet. Ook deze stelling heeft eiser niet nader onderbouwd. Indien eiser problemen ervaart na zijn overdracht aan Letland kan hij daarover klagen bij de (hogere) Letse autoriteiten dan wel bij het EHRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Verder voert eiser aan dat de minister zijn asielaanvraag in behandeling moet nemen. Eiser doet daarbij een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening.

Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in deze verordening. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De minister gebruikt deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser geschetste omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 februari 2025 verduidelijkt dat als de minister de individuele omstandigheden waarop de vreemdeling zich heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of er van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom de minister zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt en geen toepassing geeft aan artikel 17 van de Dublinverordening. Aangezien de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat voor Letland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, heeft de minister de door eiser aangevoerde omstandigheden reeds bij de beoordeling betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond.

9. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL26.24762:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL26.24763:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.H.G. Odink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand