RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.50493
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 30 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1996, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Duivesteijn als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte concludeert dat het risico bestaat dat hij zal onderduiken. In dat verband betwist hij bovengenoemde gronden van de maatregel.
De minister heeft ter zitting erkend dat hij de gronden a en h ten onrechte heeft tegengeworpen. Hij handhaaft de overige gronden van de maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de overige gronden heeft kunnen tegenwerpen. Eiser heeft immers geen gevolg gegeven aan het terugkeerbesluit van
24 november 2025 en hij heeft verklaard geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben en evenmin te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Deze drie gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser (weer) zal onderduiken.
5. Eiser betoogt dat de minister desondanks een lichter middel had moeten opleggen, omdat hij heeft laten zien te willen meewerken aan zijn vertrek. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de bewaring erkend dat hij eerder had moeten vertrekken en zijn vriendin is zijn paspoort komen brengen. Eiser heeft een serieuze relatie met zijn (Nederlandse) vriendin. De minister had daarom kunnen volstaan met een meldplicht, aldus eiser.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Aan eiser is eind 2025 al een meldplicht opgelegd, maar hij is destijds niet verschenen en heeft zich ook daarna niet meer gemeld bij de autoriteiten. Eiser is pas weer in beeld gekomen nadat hij bij een verkeerscontrole staande was gehouden. Dat maakt het niet aannemelijk dat eiser bij het opleggen van een lichter middel nu wel zal gaan werken aan zijn vertrek. Dat eiser een serieuze relatie zegt te hebben met zijn Nederlandse vriendin maakt dat niet anders. Niet is gesteld of gebleken dat eiser in afwachting van zijn vertrek bij haar kan verblijven en ook is niet gebleken dat zij op enige wijze garant kan staan voor eiser. De minister heeft daarom geen lichter middel hoeven opleggen.
6. Eisers betoog dat de staandehouding en daarom ook de daaropvolgende vreemdelingenbewaring onrechtmatig zijn, slaagt evenmin. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat eiser bij een algemene verkeerscontrole is gevorderd zijn rijbewijs te tonen, maar dat hij enkel een Colombiaans rijbewijs bij zich had. Daarop is eiser gevorderd een geldig identiteitsbewijs te tonen. Toen eiser dat niet deed is hij aangehouden voor het niet kunnen tonen van een geldig identiteitsbewijs. Uit deze gang van zaken blijkt voldoende duidelijk dat de aanleiding voor de eisers staandehouding strafrechtelijk van aard was. De rechtmatigheid van deze strafrechtelijke staandehouding en aanhouding kan de rechtbank in deze procedure niet toetsen en gesteld noch gebleken is van redenen waarom de staandehouding overigens onrechtmatig zou moeten worden geacht.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.