ECLI:NL:RBDHA:2026:26494

ECLI:NL:RBDHA:2026:26494

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer NL25.5812 en NL25.46484
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

VA Somalië. Herhaalde asielaanvraag. De minister heeft de identiteit van eiseres niet geloofwaardig geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsplicht. Ontbreken 3 EVRM beoordeling in het terugkeerbesluit strijdig met non-refoulement beginsel. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres], eiseres en verzoekster, hierna: eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.5812 (beroep)

NL25.46484 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),

en

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Eiseres heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) verklaart het beroep dan ook gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 januari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft ook verzocht om bij voorlopige voorziening de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten zolang niet op haar beroep is beslist.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Y. Abdi Qadir als tolk in de Somalische taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vw met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw zoals deze golden tot 12 juni 2026 op de aanvraag van eiseres van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.

Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Zo is onder meer de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht voor wat betreft het asielrelaas zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.

Achtergrond

4. Eiseres is sinds 2012 in Nederland en heeft meerdere verblijfsrechtelijke procedures gevoerd. Gedurende haar verblijf in Nederland is eiseres getrouwd en heeft zij vier kinderen gekregen. Het huwelijk is inmiddels beëindigd. De kinderen van eiseres hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiseres heeft op 3 augustus 2012 haar eerste asielaanvraag ingediend. Bij beschikking is deze aanvraag afgewezen. Deze afwijzing is met een uitspraak van de Afdeling onherroepelijk geworden. Daaropvolgend heeft eiseres nog een aantal herhaalde asielaanvragen ingediend, evenals een aantal aanvragen voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM voor verblijf bij haar kinderen, die alle niet-ontvankelijk zijn verklaard of zijn afgewezen. In 2022 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor verblijf op grond van het arrest Chavez-Vilchez, die de minister heeft afgewezen. Het beroep tegen die afwijzing is nog in behandeling.

Het asielrelaas

5. Eiseres legt aan haar herhaalde asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1994. Zij stelt te behoren tot de stam [naam] en islamitisch te zijn. Ter onderbouwing heeft ze een Somalische identiteitskaart en paspoort overgelegd.

Het bestreden besluit

6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister het volgende relevante asielmotief:

- identiteit, nationaliteit en herkomst.

De minister acht het asielmotief niet geloofwaardig. De verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiseres heeft in haar eerste asielprocedure onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van haar reisroute en reisverhaal. Daarbij blijkt uit het rapport van de taalanalyse van 14 november 2012 dat eiseres zich niet coöperatief heeft opgesteld. Er was te weinig (spontane) spraak om tot een herkomstbepaling te komen. De door eiseres overgelegde documenten, te weten een paspoort en identiteitskaart, zijn door Bureau Documenten echt bevonden, maar zijn louter op basis van de eigen verklaringen van eiseres afgegeven. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres zijn daarom niet aannemelijk gemaakt.

Het beroep

Geloofwaardigheid identiteit, nationaliteit en herkomst

7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte haar identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig heeft geacht. Zij heeft haar identiteit aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft een door Bureau Documenten echt bevonden Somalisch paspoort overgelegd. Met de stelling van de minister dat Somalische documenten niet worden erkend, komt eiseres in een onhoudbare positie waarin zij alles heeft gedaan wat van haar verwacht kan worden om haar identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen, maar de minister vast blijft houden aan zijn standpunt. Dat de minister dit na veertien jaar in Nederland blijft tegenwerpen is onmenselijk. De minister gaat er ook ten onrechte aan voorbij dat eiseres documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar paspoortaanvraag. Verder is er geen enkele indicatie dat eiseres een andere nationaliteit heeft dan de Somalische.

De minister wijst op het Algemeen Ambtsbericht over Somalië van april 2025 en stelt zich op het standpunt dat het verifiëren van de authenticiteit van Somalische identiteitsdocumenten onmogelijk is, omdat er geen betrouwbaar registratiesysteem bestaat in Somalië en burgers met behulp van ‘fixers’ identiteitsdocumenten regelen. Dat Bureau Document het paspoort van eiseres echt heeft bevonden, zegt niets over de inhoud van het document. Uit verklaringen van eiseres blijkt dat de Somalische ambassade in Brussel het paspoort heeft afgegeven enkel op basis van haar eigen verklaringen en zonder verder verificatieonderzoek, wat maakt dat de minister niet uit kan gaan van de inhoud.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen de verzoeker om internationale bescherming (in dit geval eiseres) en de behandelaar van het verzoek (in dit geval de minister) geldt een samenwerkingsplicht. Deze samenwerkingsplicht vloeit voort uit bestaande internationale rechtsnormen en is bijvoorbeeld beschreven in de paragrafen 195 en 196 van het Handboek van de UNHCR. Het EHRM heeft bevestigd dat er een dergelijke ‘shared duty’ bestaat om de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan een asielverzoek vast te stellen en te beoordelen. De minister heeft ook in zijn eigen werkinstructie opgenomen dat de IND actief samenwerkt met de vreemdeling om de relevante feiten en omstandigheden te bepalen en aan te vullen, en de vreemdeling tegemoet kan komen in zijn bewijslast door zelf onderzoek te verrichten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsplicht. De rechtbank kan de stelling van de minister dat het paspoort door de Somalische ambassade is afgegeven zonder verificatieonderzoek, niet volgen. Eiseres heeft verklaard dat op de ambassade op informele wijze een taalanalyse heeft plaatsgevonden door middel van een gesprek, waarin haar ook vragen over haar herkomst zijn gesteld. Daarbij maakt de rechtbank uit het algemeen ambtsbericht op dat de ambassade een paspoortaanvraag naar de Somalische variant van de IND opstuurt. Wanneer een paspoortaanvraag wordt ingewilligd, stuurt de Somalische IND in Mogadishu het af te geven paspoort naar de Somalische ambassade in Brussel. Dat de Somalische autoriteiten het paspoort hebben afgegeven zonder verificatieonderzoek en enkel op basis van de door eiseres verstrekte gegevens, blijkt niet uit deze gang van zaken. In elk geval heeft een taalanalyse plaatsgevonden en verdere verificatie door de Somalische IND onttrekt zich aan de waarneming van de minister. Ook kan van eiseres niet worden verwacht dat zij over deze informatie beschikt. Verder is ook niet in geschil dat er geen indicaties zijn dat er in onderhavige zaak gebruik is gemaakt van een ‘fixer’ of anderszins sprake is geweest van corruptie.

De rechtbank merkt ook nog het volgende op. Uit het rapport van de taalanalyse die eiseres in haar eerste asielprocedure heeft gedaan blijkt dat eiseres geen coöperatieve houding heeft getoond en dat er geen herkomstbepaling mogelijk is geweest. Echter, er staat wel in het rapport dat eiseres Somalisch spreekt als moedertaal en dat het zowel zuidelijke als noordelijke elementen van de taal van dat land bevat. De rechtbank acht die vaststelling, in samenhang met de informele taalanalyse die is gedaan bij de ambassade en het echt bevonden paspoort dat door de Somalische IND is afgegeven, voldoende aanleiding voor de minister om in samenwerking met eiseres nader onderzoek te doen naar haar identiteit. Gelet op het feit dat eiseres in onderhavige procedure inspanningen heeft verricht om haar identiteit te onderbouwen, volgt de rechtbank de tegenwerping van de minister dat eiseres zich tijdens de taalanalyse in haar eerste asielprocedure niet coöperatief heeft opgesteld, niet. De beroepsgrond slaagt dan ook.

Refoulementbeoordeling terugkeerbesluit

8. Vervolgens toetst de rechtbank ambtshalve of de minister met het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement heeft nageleefd.

Het Hof heeft in het arrest Ararat verduidelijkt dat de minister verplicht is om een actuele beoordeling van het refoulementrisico te maken vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit.

De rechtbank stelt vast dat de minister aan eiseres met het oude terugkeerbesluit dat nu wordt gehandhaafd heeft opgedragen om terug te keren naar Somalië of een ander land. Verder stelt de rechtbank vast dat uit het bestreden besluit, de informatie in het dossier en uit hetgeen de gemachtigde van de minister ter zitting daarover heeft toegelicht, blijkt dat een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM niet is beoordeeld.

Uit bovenstaande jurisprudentie volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister bij het handhaven van een terugkeerbesluit een kenbare en actuele beoordeling moet maken van de vraag of terugkeer naar deze landen strijdig is met het non-refoulementbeginsel. Anders dan de minister stelt, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank óók als de nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet aannemelijk zijn geworden, nu bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn het beginsel van non-refoulement in elke fase van de terugkeerprocedure moet worden geëerbiedigd. De minister moet een kenbare en actuele beoordeling maken van de vraag of terugkeer naar Somalië, op grond van individuele op de specifieke persoon van eiseres betrekking hebbende omstandigheden en/of op grond van algemene informatie over dit land, strijdig is met het non-refoulement beginsel. Daarbij zal rekening moeten worden gehouden met de verklaringen van eiseres en met hetgeen algemeen bekend is over Somalië. De beroepsgrond slaagt.

Overige beroepsgronden

9. Omdat het beroep reeds hierom slaagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Daarmee is het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

11. Nu op het beroep is beslist, is bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.

11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.5812:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.46484:

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand