Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaken tussen
[eiseres] SE, gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/1983, SGR 24/1984, SGR 24/1989 en SGR 24/1991
(gemachtigde: mr. J.W.J.M. Huenges Wajer),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 (2016), 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 (2017), 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (2018) en 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 (2019) naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Voor de tijdvakken 2017, 2018 en 2019 zijn voorts aan eiseres betaalverzuimboetes opgelegd. Ook is aan eiseres ten aanzien van alle naheffingsaanslagen belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikkingen).
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 december 2023 de naheffingsaanslagen, verzuimboetes en rentebeschikkingen in stand gelaten.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026.
Namens eiseres zijn verschenen de gemachtigde, mr. M. Marinc en mr. C. Evers en als toehoorders: [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
Namens verweerder zijn mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2] verschenen.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is de moedermaatschappij van een internationaal concern. Haar activiteiten bestaan uit het houden van aandelen, het tegen vergoeding verrichten van managementdiensten en het optreden als treasury-entiteit. Tot 2018 fungeerde eiseres ook als costpooling-entiteit. De drie Europese hoofdkantoren van het concern en derden brachten hun kosten in rekening aan eiseres waarna eiseres deze kosten verdeelde over de diverse divisies. Vanaf 2018 is een andere entiteit binnen het concern de costpooling-entiteit.
2. Om haar activiteiten te financieren en te verzekeren trekt het concern financiering en verzekeringen aan van zogenoemde export credit agencies, waaronder [agency 1] gevestigd in het Verenigd Koninkrijk), [agency 2] gevestigd in Frankrijk) en [agency 3] gevestigd in Duitsland).
3. Het concern is verplicht om aan deze export credit agencies bepaalde informatie te verstrekken met betrekking tot de contracten en activiteiten die gefinancierd en verzekerd moeten worden. Daaronder valt ook informatie met betrekking tot de tussenpersonen (ook wel business partners genoemd) waar de commerciële divisie mee samenwerkte voor het leggen van contacten tussen haar en haar (potentiële) klanten. De tussenpersonen vielen tot 2017 onder verantwoordelijkheid van de afdeling Strategy and Marketing Organisation (SMO). De informatie wordt daarnaast gebruikt voor het verkrijgen ITAR-licenties.
4. Op 24 april 2015 heeft [agency 1] het concern geïnformeerd over haar anti corruptie due dilligence procedures met betrekking tot tussenpersonen en over haar plicht om verdachte omstandigheden te melden aan de Serious Fraud Office (SFO). Ook is aan het concern meegedeeld dat er een gebrek aan informatie was over een externe tussenpersoon in Sri Lanka.
5. Eind 2015 heeft het concern een intern onderzoek uitgevoerd naar de juistheid en volledigheid van alle verklaringen inzake het gebruik van tussenpersonen in aanvragen bij exportkredieten. Uit dat interne onderzoek is naar voren gekomen dat bepaalde aanvragen die zijn gedaan bij het [agency 1] onvolledig waren en dat het concern in een aantal gevallen [agency 1] onjuiste en verkeerde informatie heeft verschaft betreffende de identiteit van tussenpersonen en/of de hoogte van de ontvangen vergoedingen van de tussenpersonen die het concern heeft gebruikt bij het tot stand komen van transacties. Het concern heeft de onregelmatigheden in januari en maart 2016 gemeld bij [agency 1]. Het concern was hiertoe ook contractueel verplicht.
6. [agency 1] heeft vervolgens een vermoeden van fraude gemeld aan SFO en zij heeft [agency 2] en [agency 3] op de hoogte gesteld. Het concern heeft op 1 april 2016 ook zelf een melding gemaakt bij SFO.
7. Daarop zijn diverse strafrechtelijke onderzoeken gestart in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Nadat het strafrechtelijk onderzoek in het Verenigd Koninkrijk openbaar was geworden, heeft het concern ook bij het Amerikaanse Department of Justice (DOJ) en de Department of State (DOS) gemeld dat er onregelmatigheden waren gepleegd. Zowel de DOJ, als de DOS zijn een (strafrechtelijk) onderzoek gestart naar overtredingen van de Foreign Corrupt Practices Act en/of overtredingen van de ITAR-regelgeving.
8. Eind januari 2020 heeft eiseres met de bovengenoemde autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Verenigde Staten schikkingen getroffen (hierna aangeduid als DPA’s; Deferred Prosecution Agreements) om strafvervolging te voorkomen. Met de DOS is een ‘Consent Agreement’ getroffen, Eiseres heeft met betrekking tot voornoemde beschikkingen omvangrijke bedragen betaald van in totaal (en omgerekend) ongeveer € 3,6 miljard.
9. In de DPA met SFO wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“The Indictment and Acceptance of Responsibility
1. (…)
2. [ Het concern] agrees that the Statement of Facts is true and accurate to the best of its knowledge and belief.
3. In the event of it becoming necessary for the SFO to pursue the prosecution that is
deferred by this Agreement, [het concern] agrees that it will not contest the admissibility of, nor
contradict, the Statement of Facts in any such proceedings. The Statement of Facts will
be treated as an admission by [het concern] of the facts stated therein under Section 10 of the
Criminal Justice Act 1967 in any criminal proceedings brought against [het concern] for the
alleged offences contained in the Indictment.”
10. De Statement of Facts is als bijlage bij de DPA gevoegd. Hierin staat onder meer:
“2. The SFO-investigated conduct demonstrated that in order to increase sales, persons who performed services for and on behalf of [eiseres] offered, promised or gave financial advantages to others intending to obtain or retain business, or an advantage in the conduct of business, for [eiseres]. The SFO alleges that those financial advantages were intended to induce those others to improperly perform a relevant function or activity or were intended to reward such improper
performance.
3. [ Eiseres] did not prevent, or have in place at the material times adequate procedures designed to prevent those persons associated with [eiseres] from carrying out such conduct.”
11. In de Statement of Facts in de DPA met de DOJ wordt voorts het volgende vermeld:
“ Business Partners and the Strategy and Marketing Organization
17. From in or about and between 2008 and 2015, [eiseres], through its employees,
executives, and agents, including members of the Strategy and Marketing Organization (“SMO”)
and others, engaged in and facilitated a massive scheme to offer and pay bribes to decision makers
and other influencers, including to foreign officials in multiple countries, in order to obtain
improper business advantages and to win business from both privately owned enterprises and
entities that were state-owned and state-controlled. In furtherance of the corrupt bribery scheme,
[het concern] employees and agents, among other things, sent emails while located in the United States and traveled to the United States.
(…)
“22. From in or about and between 2008 and 2015, [het concern], through its employees,
executives, and agents, engaged in and facilitated a scheme to offer and pay bribes to decision
makers and other influencers, including to foreign officials in multiple countries, in order to obtain improper business advantages and to win business from both privately owned enterprises and entities that were state-owned and state-controlled.
23. In order to conceal and to facilitate the corrupt bribery scheme, [het concern] engaged
certain business partners, in part, to assist in the bribery scheme, and to offer and make the bribe
payments to foreign officials.
24. In order to conceal the amount of money corrupt business partners received, among
other things, [het concern] Executive 3 and others funneled payments to business partners from bank accounts not directly affiliated with [het concern], including by making payments through other business partners and using loan schemes. The business partners that were used as intermediaries for payments to other business partners would keep a portion of the amount as payment for services that were falsely described in contracts and invoices and that were never provided. (…)”
12. Eiseres heeft niet in Nederland gevestigde advocaten, adviseurs en andere dienstverleners ingeschakeld om haar bij te staan en te verdedigen bij de strafrechtelijke onderzoeken en om strafrechtelijke vervolging af te wenden door het treffen van voornoemde schikkingen en ook voor adviezen over het verbeteren en implementeren van een compliance- en ethiekprogramma. De met deze diensten gemoeide kosten bedragen in de jaren 2016 tot en met 2019 in totaal € 294.409.128 (de juridische kosten).
13. Eiseres heeft voor de jaren 2016 en 2017 een ‘Costst Rechargement Agreement’ afgesloten met de commerciële divisie waarin eiseres wordt aangeduid als ‘the Parent’ en de commerciële divisie als ‘the Affiliate’. In de overeenkomst voor 2016, welke is vastgesteld op 27 juni 2017, en de gelijkluidende van 2017, welke is vastgesteld in maart 2018 wordt, voor zover hier van belang, vermeld:
“In the context of review and enhancement of its internal compliance improvement programme
[het concern] discovered irregularities relating to information provided in respect of third party
consultants in certain applications for export credit financing for [het concern] customers. In early 2016 [het concern] informed the relevant Export Credit Agencies (“ECAs”) of the irregularities discovered and made a similar disclosure to the UK Serious Fraud Office ("SFO”). In August 2016, the SFO informed [het concern] that it had opened an investigation into allegations of fraud, bribery and corruption in the (…) business of [het concern] relating to irregularities concerning third party consultants. [het concern] is cooperating fully with the SFO.
[Het concern] is accordingly in the process of revising and implementing improved procedures,
including those with respect to its engagement of consultants and other third parties, in
particular in respect of sales support activities and is conducting enhanced due diligence on
suppliers.
The Parent has therefore engaged legal, investigative, and forensic accounting expertise of the
highest caliber to undertake a comprehensive review of all relevant third party business
consultant relationships and related subject matters (the Expert Review).
The affiliate has provided on request of [het concern] since February 2009, support to the [het concern] commercial campaigns and to the development of its commercial activity and footprint
worldwide. In this context, the affiliate is responsible for determining the appropriate means to
assist and support [het concern]. The affiliate has to define, implement and develop the best conditions and strategy, including but not limited to entering into agreements with appropriate consultants or third parties able to provide the required support as referred to and in compliance with [het concerns] Business Ethic Policy and Rules. Therefore, the Affiliate is fully supporting the Expert Review regarding the relationships for which the affiliate is responsible
The Parties believe that the resulting enhancements to its controls and practices will best
position it for the future, particularly in light of advancements in regulatory standards.
NOW, THEREFORE, IT IS HEREBY AGREED AS FOLLOWS:
1. The Affiliate hereby acknowledges that the Expert Review is made with the consent of
the Affiliate and in its direct corporate interest, in the frame of the commercial support it provides
to [het concern] and in accordance with the general purpose of the internal compliance improvement programme as described above.
2. As a result of the foregoing, and as already agreed verbally between the Parties, the
Affiliate agrees that the Parent shall recharge at cost the Affiliate for the fees incurred by the
Parent in the context of the Expert Review, to the extent those fees were incurred for sound
business purposes of the Affiliate (the Recharged Costs). The Recharged Costs shall be
defined as the total costs incurred by the Parent in 2016 [2017] less refunds received from insurance coverage for the Expert Review and recorded by the Parent in Cost Center 22200060.
The Parent shall compute the amount of the Recharged Costs in respect of the Affiliate in
accordance with the above definition, and shall send a corresponding invoice to the Affiliate with
a table detailing the recharged costs per consultant and a copy of their invoices.
3. The Affiliate shall pay the Recharged Costs forthwith to the Parent.
4. The amount of the Recharged Costs is deemed to be exclusive of any VAT (or other
similar tax). If VAT (or other similar tax) is chargeable on the Recharged Costs and is payable
by the Parent, the Affiliate must pay to the Parent (in addition to the Recharged Costs) an
amount equal to such VAT (or other similar tax). If VAT (or other similar tax) is chargeable on
the Recharged Costs and is payable by the Affiliate, the Affiliate shall be responsible for the
payment of such VAT (or other similar tax) to the relevant tax authorities.
(…)”
14. Voor 2018 en 2019 zijn er geen Costst Recharge Agreements. Wel heeft eiseres op 12 januari 2020 met de rechtsopvolger van de commerciële divisie een ‘General Services Agreement’ afgesloten, met als ingangsdatum 1 januari 2018. In deze overeenkomst wordt eiseres aangeduid als ‘the Service Provider’ en wordt de rechtsopvolger van de commerciële divisie aangeduid als ‘the Beneficiary’. In deze overeenkomst is, kort samengevat, vastgelegd dat eiseres jegens de commerciële divisie bepaalde diensten tegen vergoeding verricht. Volgens Schedule 1 bij de General Services Agreement bestaan die diensten onder meer uit ‘legal and corporate secretary services’.
15. Aan eiseres is ter zake van de onder 12 vermelde diensten (de juridische diensten) in totaal € 61.825.916 aan omzetbelasting in rekening gebracht. Eiseres heeft deze omzetbelasting in haar aangiften voor de jaren 2016 tot en met 2019 als verlegde omzetbelasting aangegeven. Voorts heeft zij deze omzetbelasting conform een eerder met de belastingdienst afgesproken (pre) pro rata in aftrek gebracht. De in aftrek gebrachte omzetbelasting bedraagt € 55.156.433.
16. Ook heeft eiseres bij de berekening van het pro rata percentage voor 2019 de doorbelasting van de juridische kosten aan de commerciële divisie opgenomen als een vergoeding voor handelingen die recht geven op aftrek van voorbelasting.
17. Bij brief van 21 april 2020 heeft eiseres aan verweerder een voorstel gedaan voor de berekening van de pre pro rata en de pro rata voor de jaren 2019 tot en met 2025. In deze brief komen ook de juridische kosten ter sprake en de doorbelasting hiervan aan de commerciële divisie.
18. Bij brief van 29 mei 2020 heeft eiseres verweerder geïnformeerd over de schikkingsbedragen en verzocht om deze buiten het bereik van de omzetbelasting te houden.
19. Bij brief van 2 juli 2020 heeft verweerder onder meer aan eiseres meegedeeld dat hij zich op het standpunt stelt dat de juridische kosten die ter zake van het fraudeonderzoek in 2019 aan de commerciële divisie zijn doorbelast geen vergoeding zijn voor een door eiseres verrichte prestatie. Dit bedrag mag daarom niet in de berekening van het pro rata worden opgenomen. Dit is nog eens bevestigd tijdens een telefonisch overleg tussen eiseres en verweerder op 22 juli 2020. Tijdens dat overleg heeft verweerder daarnaast meegedeeld dat hij zich op het standpunt stelt dat de omzetbelasting op de juridische kosten niet voor aftrek in aanmerking komt.
20. Bij e-mail van 25 november 2020 heeft eiseres nadere informatie verstrekt over de juridische kosten en de achtergrond daarvan.
21. Tijdens een bespreking op 15 december 2020 heeft verweerder verzocht om een splitsing te maken van de juridische kosten in:
i. i) kosten voor juridisch advies/vertegenwoordiging inzake de strafrechtelijke
onderzoeken en;
ii) kosten die verbruikt zijn om de interne compliance te verbeteren.
22. Na een herhaald verzoek heeft eiseres bij e-mail van 17 mei 2021 geantwoord:
“Op basis van de gesprekken met de betrokken juridische kantoren aangaande de splitsing in juridische kosten is [het concern] nog steeds van mening dat alle gemaakte juridische kosten in beginsel direct of indirect hun oorsprong vinden in de verbetering van de compliance positie van [het concern].
Desalniettemin is [het concern] er op basis van gedetailleerd onderzoek in geslaagd een splitsing te maken tussen compliance gerelateerde kosten en bepaalde niet-compliance gerelateerde kosten, waarbij de niet-compliance gerelateerde kosten vooral betrekking hebben op juridisch advies dat is ingewonnen om verdere vervolging van specifieke [naam concern] werknemers te voorkomen.”
Het concern komt tot de volgende percentages:
23. Eiseres heeft op verzoek van verweerder op 1 juni 2021 de zogeheten engagementletters met de (juridische) dienstverleners verstrekt, alsmede enkele facturen van die dienstverleners.
24. In een memo van 26 augustus 2021 heeft verweerder vermeld dat hij zich op het standpunt stelt dat de juridische kosten in eerste instantie zijn gemaakt in het kader van de strafrechtelijk onderzoeken en niet in verband met een verbetering van het interne compliance proces. De door eiseres gemaakte onderzoekskosten kunnen slechts ten dele als compliance kosten worden aangemerkt. Op basis van de verstrekte informatie heeft verweerder de kosten verdeeld in vijf categorieën. In de memo wordt ten aanzien van deze categorieën het volgende vermeld:
“Onderzoekskosten
(…) Gelet op alle feiten en omstandigheden in dit specifieke geval concludeert de Belastingdienst dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt om 66,67% van de onderzoekskosten aan te merken als compliance kosten. De ten aanzien van dit deel van de onderzoekskosten verschuldigde btw komt als algemene kosten bij [eiseres] voor aftrek van voorbelasting in aanmerking.
Verdedigingskosten
(…) Gelet op alle feiten en omstandigheden in dit specifieke geval concludeert de Belastingdienst dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt om 33,33% van de verdedigingskosten aan te merken als compliance kosten. De ten aanzien van dit deel van de onderzoekskosten verschuldigde btw komt als algemene kosten bij [eiseres] voor aftrek van voorbelasting in aanmerking.
Compliance kosten
De btw verschuldigd ter zake van de compliance kosten komt als algemene kosten bij [eiseres] als voorbelasting voor aftrek in aanmerking. De Belastingdienst is van mening dat de compliance kosten ook door [eiseres] zelf zijn verbruikt als moedermaatschappij van het (…) concern in het kader van haar aansturing van het concern. De doorbelasting van de compliance kosten kan niet als een vergoeding voor een door [eiseres] verrichte prestatie worden aangemerkt.
Personeelskosten
De btw verschuldigd ter zake van de juridische advies/vertegenwoordigingskosten van huidige en voormalig personeel komt niet voor aftrek in aanmerking. De Belastingdienst is van mening dat de juridische kosten door [eiseres] zelf zijn verbruikt als moedermaatschappij van het (…) concern. De doorbelasting van de personeelskosten kan niet als een vergoeding voor een door [eiseres] verrichte prestatie worden aangemerkt.
Niet benoemd
De kosten opgenomen in deze rubriek zijn buiten beschouwing gelaten.”
25. Partijen hebben daarna over en weer gecorrespondeerd en overleg gehad. Dit heeft niet geleid tot een ander standpunt van verweerder. Bij brief van 23 november 2021 deelt verweerder met onderbouwing mee dat hij voornemens is om naheffingsaanslagen op te leggen.
26. Eiseres heeft op het voornemen van verweerder gereageerd bij brief van
14 december 2021.
27. Bij brief van 23 december 2021 heeft verweerder meegedeeld dat hij bij zijn standpunt blijft zoals verwoord in de brief van 23 november 2021. De te corrigeren omzetbelasting zal daarom worden nageheven.
28. Met dagtekening 29 december 2021 is aan eiseres ter behoud van rechten een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2016. De nageheven omzetbelasting bedraagt € 2.373.301 en de in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 446.259.
29. Met dagtekening 28 april 2022 is aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2017. De nageheven omzetbelasting bedraagt € 8.320.515, de belastingrente bedraagt € 1.342.653. en de verzuimboete bedraagt € 5.278.
30. Met dagtekening 28 april 2022 is aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2018. De nageheven omzetbelasting bedraagt € 7.958.319, de belastingrente bedraagt € 965.874 en de verzuimboete bedraagt € 5.278.
31. Met dagtekening 28 april 2022 is aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2019. De nageheven omzetbelasting bedraagt € 11.774.317, de belastingrente bedraagt € 958.036 en de verzuimboete bedraagt € 5.278.
Geschil 32. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of en, zo ja, in hoeverre eiseres recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die aan haar in rekening is gebracht ter zake van de juridische diensten. Niet in geschil is dat in ieder geval een deel van de juridische kosten is aan te merken als compliance kosten en dat de omzetbelasting op die kosten in zoverre aftrekbaar is.
33. Eiseres stelt primair dat de omzetbelasting op de juridische kosten volledig aftrekbaar is, omdat de doorbelasting van de juridische kosten aan de commerciële divisie rechtstreeks en onmiddellijk verband houdt met een belaste prestatie van eiseres aan de commerciële divisie.
Subsidiair stelt eiseres dat de omzetbelasting op de juridische kosten aftrekbaar is volgens de eerder met verweerder overeengekomen pre pro rata en pro rata, omdat de kosten zijn gemaakt ten behoeve van haar algemene economische activiteiten.
Verder stelt eiseres dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
34. Verweerder stelt primair dat de omzetbelasting op een bedrag van in totaal € 23.910.676 aan juridische kosten (te weten: € 7.592.272 onderzoekskosten en € 16.318.404 advocaatkosten) niet aftrekbaar is, omdat die kosten rechtstreeks en onmiddellijk toerekenbaar zijn aan handelingen die in de EU onder een volstrekt verbod vallen.
Subsidiair stelt verweerder dat de omzetbelasting op de juridische kosten die zijn gemaakt ter bijstand van individuele werknemers niet in aftrek kan worden gebracht.
Verweerder weerspreekt dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder betwist in beroep niet langer dat de kostendoorbelastingen aan de commerciële divisie zijn betaald.
Beoordeling van het geschil
Houden de kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband met absoluut verboden handelingen?
35. Verweerder stelt primair dat de omzetbelasting op een bedrag van € 7.592.272 aan onderzoekskosten en een bedrag van € 16.318.404 aan advocaatkosten niet aftrekbaar is. Hij voert daartoe aan dat de SFO, de Franse autoriteiten, de DOS en de DOJ (strafrechtelijke) onderzoeken hebben ingesteld naar handelingen - omkoping en corruptie - van het concern die wereldwijd strafbaar zijn gesteld. Deze handelingen zijn handelingen die absoluut niet in het economische en commerciële circuit van de EU mogen plaatsvinden. De juridische kosten die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met deze handelingen maken daarom geen deel uit van de economische activiteiten van eiseres en zijn niet aftrekbaar. Verweerder verwijst daarbij naar jurisprudentie van het Hof van Justitie in de zaken Einberger en Happy Family.
36. De bewijslast dat sprake is geweest van absoluut verboden handelingen rust op verweerder. Daarin is hij niet geslaagd. De DPA’s en het feit dat eiseres omgerekend ongeveer € 3,6 miljard heeft betaald om strafrechtelijke vervolging te voorkomen, is daartoe onvoldoende. Overigens ook als dat wel zo was geweest, volgt daaruit niet zondermeer dat de omzetbelasting op de juridische kosten die daarmee verband houden, niet aftrekbaar is. Anders dan verweerder meent, volgt dat niet uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie. De in die zaken weergeven feiten en omstandigheden zijn niet, althans onvoldoende, vergelijkbaar met de onderhavige situatie.
Zijn de kostendoorbelastingen aan de commerciële divisie een vergoeding voor door eiseres aan de commerciële divisie verrichte diensten?
37. Eiseres stelt primair dat de omzetbelasting op de juridische kosten geheel aftrekbaar is, omdat de kostendoorbelastingen aan de commerciële divisie rechtstreeks verband houden met een door haar jegens de commerciële divisie verrichte prestatie.
38. De rechtbank stelt voorop dat de doorbelasting van kosten op zichzelf nog geen belaste dienst is. Van een belaste dienst is alleen sprake als een dienst onder bezwarende titel wordt verricht. Dat is het geval wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de prestatie een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat hieraan is voldaan. Eiseres heeft daartoe aangevoerd, dat op grond van de Costst Recharge Agreements en de General Services Agreement over en weer prestaties worden uitgewisseld. De diensten die eiseres heeft verricht voor de commerciële divisie bestaan uit het leiden van het compliance project en het initiëren en coördineren van de aanbesteding en inkoop van de diensten van de specialisten. De kostendoorbelasting weerspiegelt de werkelijke waarde van die diensten.
39. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres hiermee niet aannemelijk gemaakt dat zij een belaste dienst heeft verricht jegens de commerciële divisie. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Costs Recharge Agreements en de General Services Agreement achteraf zijn opgesteld. Bovendien heeft eiseres aangifte omzetbelasting gedaan conform haar subsidiaire standpunt, te weten dat de omzetbelasting op de juridische kosten pro rata aftrekbaar is omdat de kosten verband houden met haar algemene economische activiteiten.
Ook dat wijst erop dat de insteek niet was dat eiseres een dienst verrichte jegens de commerciële divisie.
Houden de juridische kosten verband met de algemene economische activiteiten van eiseres?
40. Eiseres stelt subsidiair dat de juridische kosten verband houden met haar algemene economische activiteiten en dat de omzetbelasting op die kosten daarom pro rata in aftrek mag worden gebracht.
41. Verweerder stelt daar tegenover dat in ieder geval de omzetbelasting op de juridische kosten die zijn gemaakt voor het personeel van aftrek is uitgesloten op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (het BUA).
42. Artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het BUA sluit de aftrek van omzetbelasting uit voor zover de goederen of de diensten worden gebezigd voor persoonlijke doeleinden van het personeel. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2020 hierover opgemerkt dat onder dergelijke diensten in beginsel is te begrijpen de rechtsbijstand bij strafrechtelijke vervolging van een eigen werknemer. De toepassing van artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het BUA blijft evenwel buiten toepassing indien bijzondere omstandigheden de werkgever dwingen tot het afnemen van de diensten. Die uitzondering doet zich voor indien de uitgaven voor die diensten primair worden gedaan in het belang van de onderneming en het persoonlijke voordeel van de werknemer, zo al aanwezig, voor de werkgever van ondergeschikt belang is.
43. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de kosten van bijstand aan werknemers zijn gemaakt zodat die werknemers vrijuit zouden kunnen praten, hetgeen in het belang was van het interne onderzoek en de te sluiten DPA’s. De bijstand aan werknemers ziet niet op een eventuele vervolging van individuele werknemers. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat er nooit een tegenstrijdig belang heeft plaatsgevonden tussen haar en de werknemers.
44. Gelet op de geloofwaardige verklaring van eiseres acht de rechtbank aannemelijk dat de kosten van bijstand aan werknemers primair zijn gemaakt ten behoeve van eiseres en niet ten behoeve van individuele werknemers. Enig persoonlijk voordeel van de werknemers is voor eiseres van ondergeschikt belang geweest. Artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het van het BUA blijft daarom buiten toepassing.
45. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres zich genoodzaakt zag juridische diensten af te nemen om strafrechtelijke vervolging te voorkomen en zodoende de economische activiteiten van het concern veilig te stellen. Een strafrechtelijke vervolging zou immers grote gevolgen kunnen hebben voor het verkrijgen van exportkredieten, ITAR-licenties en nieuwe opdrachten, of het voortbestaan van het concern. De kosten zijn zodoende gemaakt om de economische activiteiten van het concern te kunnen voortzetten en daarmee ook de economische activiteiten van eiseres. Daaraan doet niet af dat, naar verweerder stelt, die gevolgen niet zeker zijn. Eiseres kon dat risico immers niet nemen. Hieruit volgt dat de kosten voor de juridische diensten zijn gemaakt ten behoeve van de algemene economische activiteiten van eiseres. De omzetbelasting op de juridische kosten is daarom pro rata aftrekbaar.
Slotsom
46. Nu de omzetbelasting op de juridische kosten pro rata aftrekbaar is, heeft eiseres voor de in geschil zijnde tijdvakken op juiste wijze aangifte heeft gedaan. De naheffingsaanslagen, verzuimboeten en rentebeschikkingen kunnen daarom niet in stand blijven. De stelling dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel behoeft dan geen bespreking meer.
Proceskosten
47. Eiseres heeft verzocht om een integrale vergoeding van de proceskosten. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten in beginsel forfaitair vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Bpb opgenomen tarief. Artikel 2, derde lid, van het Bpb bevat de mogelijkheid van de forfaitaire kostenvaststelling af te wijken in het geval sprake is van bijzondere omstandigheden.
48. Voor toekenning van een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (‘tegen beter weten in procederen’) of indien verweerder het verwijt treft dat hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.
49. Eiseres heeft met wat zij heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt dat verweerder één van deze hiervoor vermelde verwijten treft. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen.
50. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Bpb vast op € 11.001 voor de vier zaken tezamen (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 2 voor de zwaarte van de zaken en factor 1,5 omdat sprake is van vier samenhangende zaken).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de rentebeschikkingen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 11.001;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, mr. E. Kouwenhoven en mr. D.M. Drok, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).