RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22518
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Procesverloop
1. Bij besluit van 15 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrektermijn opgelegd. Eiser moet terugkeren naar zijn land van herkomst, Marokko.
Eiser is het niet eens met het opgelegde terugkeerbesluit en heeft daartegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
2. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026, tenzij anders aangegeven.
3. Eiser is op 7 november 2025 strafrechtelijk aangehouden en vervolgens veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen wegens overtreding van de Opiumwet. Op dat moment verbleef hij onrechtmatig in Nederland. Op 17 februari 2026 heeft hij een asielaanvraag ingediend die hij op 26 februari 2026 weer heeft ingetrokken. Vervolgens heeft de minister het voornemen uitgebracht om aan eiser een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen. In het bestreden besluit heeft de minister ervan afgezien een inreisverbod op te leggen en het voornemen voor het overige gehandhaafd.
Mocht de minister aan eiser een terugkeerbesluit opleggen?
4. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Volgens eiser is het opleggen van het terugkeerbesluit in strijd met zijn recht op gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat hij een kind in Frankrijk heeft met wie hij een omgangsregeling heeft. Daarnaast voert eiser aan dat Frankrijk om zijn overlevering heeft verzocht. Eiser bevindt zich ook in overleveringsdetentie. Volgens eiser had de minister hem daarom naar Frankrijk moeten sturen in plaats van een terugkeerbesluit dat ziet op Marokko moeten uitvaardigen.
De beroepsgrond slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ten tijde van het nemen van het terugkeerbesluit in Nederland geen rechtmatig verblijf had. Op grond van artikel 61 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) moet een vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft Nederland verlaten. Uit artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000, volgt vervolgens dat aan de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf een terugkeerbesluit wordt opgelegd. De minister stelt terecht dat deze bepaling een dwingendrechtelijk karakter heeft. Dat eiser zich beroept op artikel 8 van het EVRM maakt dit niet anders. Bij het nemen van een terugkeerbesluit hoeft de minister niet te beoordelen of terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Indien eiser meent op grond van dat artikel in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning, dan staat het hem vrij daarvoor een aanvraag in te dienen. Voor zover eiser aanvoert dat hij in Frankrijk in aanmerking komt voor rechtmatig verblijf, is het aan hem om daarvoor bij de Franse autoriteiten een aanvraag in te dienen. Niet in geschil is dat eiser op dit moment geen rechtmatig verblijf in Frankrijk heeft, zodat daarin ook geen grond is gelegen voor het oordeel dat de minister geen terugkeerbesluit mocht opleggen.
Verder is op de zitting gesproken over een overleveringsverzoek uit Frankrijk, waaruit volgens eiser zou volgen dat de Nederlandse autoriteiten eiser niet kunnen uitzetten naar Marokko, maar moeten overleveren aan Frankrijk. De minister heeft zich daarbij, in ieder geval nu het een beperkte periode van detentie betreft, terecht op het standpunt gesteld dat een strafrechtelijke detentie niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor een overleveringsverzoek. Een terugkeerbesluit ziet op de vaststelling dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en Nederland moet verlaten. Dat de feitelijke uitvoering daarvan mogelijk afhankelijk is van een eventuele overleveringsprocedure, doet aan de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit niet af. Ook een eventueel al door de Franse autoriteiten uitgevaardigd terugkeerbesluit staat niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit door de minister. Daar hoeft de minister dus geen nader onderzoek naar te doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister aan eiser een terugkeerbesluit mocht opleggen.
Mocht de minister de vertrektermijn onthouden?
5. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte geen vertrektermijn heeft gegund. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Daarbij voert eiser aan dat het onduidelijk is waar hij is aangehouden en dat niet kan worden uitgesloten dat hij voornemens was zich bij de Nederlandse autoriteiten te melden. Ook voert eiser aan dat stukken over zijn aanhouding en veroordeling ontbreken. Verder beroept eiser zich opnieuw op artikel 8 van het EVRM vanwege zijn kind in Frankrijk.
Op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000 kan de minister een vertrektermijn onthouden indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. In het terugkeerbesluit heeft de minister vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. De minister heeft er in het voornemen terecht op gewezen dat eiser ten tijde van zijn aanhouding onrechtmatig in Nederland verbleef. Eiser heeft in zijn zienswijze niet betwist dat sprake was van een onttrekkingsrisico en de aan het besluit ten grondslag gelegde gronden ook niet weersproken. Pas in beroep stelt hij dat onduidelijk is waar hij is aangehouden zodat niet kan worden uitgesloten dat hij voornemens was zich bij de Nederlandse autoriteiten te melden. Dit betoog slaagt niet omdat de minister op de zitting terecht heeft gewezen op het gehoor bij de politie van 4 december 2025, waarin eiser zelf heeft verklaard dat hij onrechtmatig Nederland is ingereisd, geen identiteitsdocumenten heeft en dat hij op dat moment al een maand en twintig dagen in Nederland verbleef. Dat houdt in dat hij vóór zijn aanhouding wegens drugshandel al ongeveer drie weken onrechtmatig in Nederland zou hebben verbleven. Zelfs áls eiser mogelijk voornemens was zich alsnog te gaan melden bij de Nederlandse autoriteiten, doet dat aan de feitelijke juistheid van deze grond dus niet af. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat kan worden volstaan met de feitelijke juistheid van zware grond 3a. Omdat de zware grond 3a feitelijk juist is, en de lichte gronden niet worden betwist, zijn deze gronden voldoende als grondslag voor het opleggen van het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn. Uit de gronden volgt dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Het beroep op artikel 8 van het EVRM leidt ook in dit verband niet tot een ander oordeel. Dat eiser een kind in Frankrijk heeft, maakt niet dat geen sprake is van een onttrekkingsrisico. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser heeft verklaard zijn kind al geruime tijd niet te hebben gezien, al langere tijd in Nederland verblijft en geen rechtmatig verblijf heeft in Frankrijk. Eiser heeft bovendien niet onderbouwd waarom de omstandigheid dat hij een kind in Frankrijk heeft ertoe zou moeten leiden dat hem alsnog een vertrektermijn wordt gegund.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.