RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53522
(gemachtigde: mr. G. Tuenter),
en
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit van eiser en de gedwongen rekrutering door de Ethiopische autoriteiten terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Verder heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening stond gepland op de zitting van 26 november 2025. Op 25 november 2025 heeft de minister verzocht om aanhouding van de behandeling ter zitting, omdat eiser in beroep digitaal een geboorteakte en een vertaling daarvan heeft overgelegd. De minister heeft eiser toen verzocht de originele geboorteakte op te sturen, zodat de minister het stuk kon laten onderzoeken door Bureau Documenten. De rechtbank heeft daarop de zaak aangehouden.
Op 12 maart 2026 heeft de minister het onderzoeksrapport van Bureau Documenten overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening vervolgens op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026, tenzij anders aangegeven.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is van Ethiopische afkomst, behoort tot de Oromo-bevolkingsgroep en stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006. Hij heeft verklaard dat hij in februari 2022 is opgepakt door Ethiopische militairen om in het leger te dienen. Vervolgens heeft hij drie maanden in een militair kamp verbleven. Nadat dit kamp werd beschoten door de gewapende groepering OLF, is eiser gevlucht. Hij is naar zijn oom gegaan en vanuit daar heeft hij in mei 2022 Ethiopië verlaten. Via Soedan, Libië en Italië is hij in november 2023 in Nederland aangekomen en heeft hij asiel aangevraagd. Eiser heeft verder op 28 november 2024 in Den Haag deelgenomen aan een demonstratie tegen de moord op mensen van zijn bevolkingsgroep. Bij terugkeer naar Ethiopië vreest eiser voor de Ethiopische autoriteiten en militairen.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft zijn verklaringen daarover niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen geldige reden heeft. Daarnaast vormen zijn verklaringen over zijn identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat het tweede asielmotief - de deelname aan een demonstratie in Nederland - geloofwaardig is. Het derde asielmotief - de gedwongen rekrutering door de Ethiopische autoriteiten - is volgens de minister niet geloofwaardig. Ook ten aanzien van dit asielmotief heeft de minister gesteld dat eiser zijn verklaringen daarover niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Is eisers gestelde identiteit aannemelijk?
6. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit van eiser, en in het bijzonder zijn leeftijd, ongeloofwaardig is. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen daarover niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom, en omdat de minister twijfel heeft over eisers gestelde minderjarigheid, heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dit niet het geval, omdat uit een Eurodac-registratie een afwijkende geboortedatum volgt en de verklaringen van eiser over zijn geboortedatum geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zijn identiteit ongeloofwaardig is. Volgens eiser is zijn juiste geboortedatum [geboortedag] 2006. De geboortedatum [geboortedag] 1999, die voor hem in Italië is geregistreerd, is volgens eiser onjuist. Eiser voert aan dat bij de registratie in Italië een onjuiste omzetting van de Ethiopische kalender naar de Gregoriaanse kalender heeft plaatsgevonden. Volgens eiser komt het vaker voor dat bij een dergelijke omzetting fouten worden gemaakt. Eiser wijst daarbij op de omstandigheid dat zelfs de tolk bij het nader gehoor zijn geboortedatum onjuist had omgerekend.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen authentieke documenten heeft overgelegd die zijn identiteit aantonen. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat de overgelegde geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Tussen partijen is ook niet in geschil dat deze overgelegde geboorteakte niet echt is. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of het overleggen van deze geboorteakte als contra-indicatie moet worden aangemerkt. De minister stelt zich namelijk op het standpunt dat eiser met dit document heeft geprobeerd zijn gestelde geboortedatum te onderbouwen, terwijl deze niet echt is. Gelet op dat wat hierna wordt overwogen, kan de rechtbank echter in het midden laten of het overleggen van de geboorteakte terecht als contra-indicatie is aangemerkt. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister zich, ook zonder deze gestelde contra-indicatie, terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank licht dit toe.
De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Eiser stelt minderjarig te zijn. Bij eisers intake heeft de AVIM op basis van een leeftijdsschouw geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Vervolgens heeft bij de IND een schouw plaatsgevonden, die de minister tot de conclusie heeft gebracht dat er twijfels zijn over de minderjarigheid van eiser. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van een vreemdeling dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. Dat betekent dat de minister dan van het vermoeden moet uitgaan dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarige moet behandelen. Het is dan aan de minister om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Hier is uit Eurodac-gegevens gebleken dat eiser in Italië geregistreerd staat als meerderjarige.
Als de minister, zoals in dit geval, een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, dan mag hij die bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. In dit geval ligt aan de leeftijdsregistratie een eigen verklaring van eiser ten grondslag. De minister moet in zo’n geval informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken.
De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij van de in Italië opgegeven geboortedatum, en daarmee van de meerderjarigheid van eiser, mag uitgaan. De minister heeft bij zijn beoordeling terecht betrokken dat eiser geen poging heeft gedaan om de geboortedatum in Italië te corrigeren, terwijl niet alleen het geboortejaar, maar ook de geboortemaand en -dag volgens eiser verkeerd zijn. Dat eiser heeft verklaard dat hij ten tijde van de registratie in Italië ziek was en zijn vrienden daarom zijn registratie hebben geregeld, is onvoldoende om niet van de in Italië geregistreerde geboortedatum uit te gaan. Dat tussen de Gregoriaanse kalender en de Ethiopische kalender een verschil bestaat, maakt het voorgaande ook niet anders. De minister stelt daarbij terecht dat uit de wisselende verklaringen van eiser blijkt dat hij ook geen duidelijk inzicht heeft in de Ethiopische kalender. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat zijn vrienden in Italië zijn geboortedatum volgens de Ethiopische kalender hebben opgegeven en dat er zeven jaar verschil tussen zit. Eiser heeft tijdens het nader gehoor daarnaast verklaard dat hij op [geboortedag] 2006 volgens de Gregoriaanse kalender is geboren. In de correcties en aanvullingen bij het nader gehoor heeft eiser vervolgens verklaard dat zijn geboortedatum volgens de Ethiopische kalender [geboortedag] 1999 is, dat hem is verteld dat de westerse (Gregoriaanse) kalender zeven jaar verschilt van de Ethiopische, maar dat is gebleken dat dat niet helemaal juist is en dat zijn geboortedatum volgens de Gregoriaanse kalender omgerekend [geboortedag] 2007 moet zijn. Hiermee is eisers eerdere verklaring, dat zijn vrienden zijn geboortedatum volgens de Ethiopische kalender hebben opgegeven, geen verklaring voor het opgeven van de datum van [geboortedag] 1999 in Italië. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat de identiteit van eiser, gelet op het samenstel van het hiervoor genoemde, ongeloofwaardig is. Eiser heeft geen authentieke documenten overgelegd, staat in Italië met een andere geboortedatum geregistreerd, heeft geen poging gedaan om deze registratie te laten corrigeren en bovendien vormen zijn verklaringen over zijn geboortedatum geen samenhangend en aannemelijk geheel. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het aannemelijk dat eiser gedwongen is gerekruteerd?
7. De minister stelt zich op het standpunt dat de gedwongen rekrutering door de Ethiopische autoriteiten ongeloofwaardig is. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen daarover niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dit niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft daarvoor een aantal redenen gegeven die eiser betwist.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zijn gedwongen rekrutering in februari 2022 door de Ethiopische autoriteiten ongeloofwaardig is. Hij verwijst daarbij naar het algemeen ambtsbericht Ethiopië van 2022 waaruit blijkt dat in die periode gedwongen rekruteringen plaatsvonden. Volgens eiser blijkt uit dit ambtsbericht dat vooral jongeren worden gerekruteerd, wat ook aansluit bij zijn verklaringen nu hij zelf ook jong was en is meegenomen toen hij onderweg naar school was. Ten aanzien van zijn ontsnapping uit het militaire kamp voert eiser aan dat zijn verklaringen daarover niet onsamenhangend of ongeloofwaardig zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat de gedwongen rekrutering door de Ethiopische autoriteiten ongeloofwaardig is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij hiervoor onder 6.6 heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van eiser, waaronder zijn geboortedatum, ongeloofwaardig is. Daarmee is ook zijn jongere leeftijd tijdens de gestelde gedwongen rekrutering niet aannemelijk. Uitgaande van de geboortedatum van [geboortedag] 1999 was eiser tijdens de gestelde rekrutering 23 jaar. Dit is volgens de rechtbank van belang, omdat de informatie waar eiser naar verwijst ziet op gedwongen rekruteringen van minderjarigen en jongeren in de leeftijdsgroep van 15-18 jaar en niet op volwassenen. Nu de minister de gestelde minderjarigheid van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht, onderbouwt deze informatie niet eisers gestelde gedwongen rekrutering. De vraag op welke periode het ambtsbericht precies ziet, behoeft daarom geen bespreking meer. Nu de gedwongen rekrutering niet geloofwaardig is, komt de rechtbank ook aan de bespreking van de gestelde ontsnapping uit het militaire kamp niet toe. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico op ernstige schade?
8. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij verwijst naar het algemeen ambtsbericht Ethiopië van januari 2024, waaruit volgens hem blijkt dat terugkeerders risico lopen op negatieve aandacht en slechte behandeling door de Ethiopische autoriteiten. Dit hangt volgens eiser mede af van het profiel van de terugkeerder, zoals de reden van vertrek uit Ethiopië (economisch of politiek). Eiser voert daarom aan dat de minister had moeten onderzoeken of tot de categorie ‘vertrek om politieke redenen’ ook asielzoekers worden gerekend die zich aan de militaire dienst hebben onttrokken en daardoor mogelijk als niet-loyaal worden beschouwd. Hij wijst daarbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, waarin werd geoordeeld dat een Ethiopische vreemdeling een reëel risico liep op ernstige schade, omdat hij bekendstond bij de autoriteiten. Daarnaast voert eiser aan dat uit het ambtsbericht ook blijkt dat de Ethiopische autoriteiten soms weigeren mee te werken aan de terugkeer van vreemdelingen uit Europa zonder geldige documenten, wat kan leiden tot nog meer negatieve behandeling door de autoriteiten. Eiser voert aan dat in zijn geval van belang is dat de minister nagaat waar precies op wordt gecontroleerd als asielzoekers terugkeren uit Europa, omdat hij niet beschikt over geldige (reis)documenten. Tot slot voert eiser aan dat hij een risico loopt op ernstige schade, omdat hij in Nederland heeft deelgenomen aan een demonstratie.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit het ambtsbericht van 2024 volgt namelijk niet dat jonge mannen die stellen gedwongen gerekruteerd te zijn, bij terugkeer door de autoriteiten worden gezocht of als niet-loyaal worden beschouwd. Dat uit het ambtsbericht wel volgt dat terugkeerders in algemene zin kunnen worden ondervraagd om hun identiteit of reisverloop vast te stellen, vormt op zichzelf geen aanwijzing dat eiser persoonlijk een risico loopt op detentie of mishandeling. Daarnaast stelt de minister terecht dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot de categorie ‘vertrek om politieke redenen’. Dat eiser heeft verklaard dat hij zich aan gedwongen rekrutering heeft onttrokken, maakt dit niet anders. De minister heeft de gedwongen rekrutering bovendien, zoals overwogen onder 7.2, terecht ongeloofwaardig geacht. De door eiser aangehaalde uitspraak leidt ook niet tot een ander oordeel. Die zaak is namelijk niet vergelijkbaar, omdat de vreemdeling in die procedure daadwerkelijk bekend stond bij de Ethiopische autoriteiten vanwege een eerdere detentie en politieke activiteiten. Daar zijn bij eiser geen aanwijzingen voor. De minister heeft verder terecht overwogen dat de deelname van eiser aan een demonstratie in Nederland ook onvoldoende is om aan te nemen dat hij zal worden aangemerkt als iemand die publieke kritiek heeft geuit op de Ethiopische autoriteiten of als activist zal worden aangemerkt. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk niet dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn van de deelname aan de demonstratie. Ook is niet gebleken dat eiser in Nederland structureel contact heeft onderhouden met oppositiegroepen in Ethiopië of zich op sociale media of andere wijze politiek heeft geprofileerd.
Ook het betoog van eiser dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt omdat hij niet over geldige reisdocumenten beschikt, volgt de rechtbank niet. De minister heeft op de zitting toegelicht, en de rechtbank kan de minister daarin volgen, dat uit het ambtsbericht een wisselend beeld bestaat van de behandeling door de Ethiopische autoriteiten van ongedocumenteerde vreemdelingen bij terugkeer, en dat het gelet op eisers persoonlijke omstandigheden niet aannemelijk is dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt. Er zijn geen aanwijzingen dat juist eiser in het vizier is van de Ethiopische autoriteiten. Hij heeft slechts aan één demonstratie deelgenomen. Overigens zal eiser voor een terugkeer met hulp van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) door de Ethiopische autoriteiten in het bezit moeten worden gesteld van een geldig reisdocument. Hij zal dus met een reisdocument terugkeren. Dit betekent dat de aangehaalde passage, die gaat over personen die terugkeren zonder reisdocument, op hem geen betrekking heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.