RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38028
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit en het inreisverbod dat de minister aan eiser heeft uitgevaardigd en over de signalering van eiser in het Schengen Informatie Systeem (SIS). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank het opgelegde terugkeerbesluit, het inreisverbod en de signalering in het SIS.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het terugkeerbesluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is uitgevaardigd. Op het moment van uitvaardigen was namelijk onvoldoende duidelijk of eiser zich nog in Nederland bevond. De minister had daarom ook aan eiser geen inreisverbod kunnen opleggen en hem ook niet mogen signaleren in het SIS. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op deze zaak is het recht van toepassing zoals deze gold voor 12 juni 2026.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 juli 2026 deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Verder heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Ook heeft de minister eiser gesignaleerd in het SIS.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
3. Het bestreden besluit bevat onder meer het buiten behandeling stellen van de aanvraag van eiser. Daar richt het beroep zich niet tegen De rechtbank beoordeelt het buiten behandeling stellen daarom niet.
Mocht de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitvaardigen?
4. Eiser betoogt dat de minister hem geen terugkeerbesluit had mogen opleggen. De minister kan namelijk slechts een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen een derdelander die illegaal in Nederland verblijft. Eiser verbleef ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit niet meer in Nederland. Begin 2026 heeft eiser de opvang verlaten en heeft hij (via zijn gemachtigde) de minister laten weten dat hij Nederland had verlaten en dat hij in Duitsland verblijft. Hij heeft daarbij een brief van 21 april 2026 overgelegd van een adresregistratie in [plaats] in Duitsland.
De minister stelt dat hij terecht aan eiser een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat het enkele overleggen van een Duitse adresregistratie onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiser zich ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit niet meer in Nederland bevond. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij nog andere documenten zou kunnen overleggen. In dat kader verwijst de minister naar een uitspraak van 17 juli 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De beroepsgrond slaagt. De rechtmatigheid van een terugkeerbesluit moet worden beoordeeld naar de feiten die op het moment van het nemen van dat besluit bekend waren of redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit was bij de minister bekend dat eiser op 3 april 2026 met onbekende bestemming was vertrokken uit zijn opvanglocatie. In de zienswijze van 23 juni 2026 heeft eiser vervolgens via zijn gemachtigde laten weten dat hij in Duitsland verblijft. Als onderbouwing heeft eiser een brief van 21 april 2026 overgelegd waarin staat dat eiser zich in de stad [plaats] in Duitsland zou hebben ingeschreven.
Gelet hierop had de minister nader onderzoek moeten doen naar de verblijfplaats van eiser alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Het beroep van de minister op de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026 maakt dit niet anders. In die zaak stond betrokkene namelijk op het moment van het opleggen van het terugkeerbesluit nog op een adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in beginsel van de juistheid van deze gegevens in het BRP mag worden uitgegaan. Daaraan kon in die zaak de hoeveelheid en aard van documenten die waren overgelegd niet afdoen. Maar in het geval van eiser beroept de minister zich niet op een inschrijving van eiser in de BRP. Dat eiser ten tijde van het nemen van het terugkeerbesluit in de BRP stond ingeschreven, is ook niet gebleken. Eiser heeft daarentegen een bewijs van inschrijving in de registers van de stad [plaats] overgelegd. Dit is een belangrijk verschil met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026. De vergelijking die de minister maakt met die zaak, voor zover het gaat om de hoeveelheid en aard van de documenten die eiser had moeten overleggen om aannemelijk te maken dat hij niet meer in Nederland verbleef, gaat daarom niet op.
Omdat de minister zonder nader onderzoek naar de verblijfplaats van eiser geen terugkeerbesluit had mogen uitvaardigen, mocht hij ook geen inreisverbod aan eiser kunnen uitvaardigen. Omdat het opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod onrechtmatig zijn, mocht de minister eiser ook niet signaleren in het SIS.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser, gelet op wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen, gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de SIS-signalering.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten vergoeden. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op€ 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 1.868 en een wegingsfactor 1).Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.