RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4051
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van de afwijzing van de asielaanvraag in stand kunnen blijven. De minister heeft terecht de politieke activiteiten en de bekeringen en de daaruit volgende problemen ongeloofwaardig geacht. De eerdere detenties heeft de minister ten onrechte niet als zelfstandig asielmotief aangemerkt en evenmin de geloofwaardigheid van dit asielmotief op de juiste wijze beoordeeld. De rechtbank oordeelt echter dat dit asielmotief onvoldoende zwaarwegend is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Welk recht?
3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag van 1 juli 2023 het volgende ten grondslag. Eiser heeft tot 1999 als journalist gewerkt in China. Hij heeft tussen 1999 en 2009 meerdere perioden vastgezeten in zowel de gevangenis als in psychiatrische inrichtingen. In 2010 is eiser voor het eerst uit China vertrokken en in november 2021 is hij naar China teruggekeerd. Eiser heeft nadien in China deelgenomen aan protesten vanwege de coronamaatregelen. De autoriteiten kwamen maandelijks langs en gaven aan dat eiser na de pandemie weer in een psychiatrische inrichting geplaatst zou worden. In Nederland is eiser in oktober 2024 een politieke organisatie begonnen tegen de Chinese communistische partij. Eiser is betrokken bij het organiseren van activiteiten, waaronder protesten bij de Chinese ambassade. Ook heeft hij deelgenomen aan een protest op de Dam in Amsterdam. Verder is eiser christen, maar ook geïnteresseerd in de Kerk van de Almachtige God. Bij terugkeer vreest eiser dat hij door de autoriteiten wordt opgepakt en naar een psychiatrische inrichting of gevangenis wordt gestuurd.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst
2. politieke activiteiten en de daaruit volgende problemen
3. bekeringen en de daaruit volgende problemen
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst deels geloofwaardig zijn. Eisers politieke activiteiten en de daaruit volgende problemen zijn niet geloofwaardig geacht door de minister. Verder acht de minister de bekering en de daaruit volgende problemen ook niet geloofwaardig. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Opmerking vooraf over de door eiser in beroep zelf ingediende stukken
6. De rechtbank merkt op dat eiser in de beroepsfase meermalen zelf stukken heeft ingediend bij de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat zij de belangrijkste stukken aan het digitale dossier heeft toegevoegd en de rest niet meegenomen hoeft te worden in de beoordeling.
Is het beroep ontvankelijk?
7. De minister heeft bij brief van 20 april 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser Nederland zelfstandig heeft verlaten. Daarbij is de rechtbank verzocht om te beoordelen of er nog sprake is van procesbelang. Tijdens de zitting is gebleken dat er weliswaar onduidelijkheid is over de precieze verblijfplaats van eiser (hij bevindt zich vermoedelijk in het buitenland voor een medische behandeling), maar dat de gemachtigde van eiser nog wel in contact staat met eiser en eiser heeft aangegeven dat hij het beroep wenst voort te zetten. De minister heeft daarom tijdens de zitting aangegeven zijn standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is niet langer te handhaven. Ook de rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen reden voor een niet-ontvankelijkheidsverklaring van het beroep.
Bijzondere kwetsbaarheid
8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bijzondere kwetsbaarheid. Op verschillende momenten tijdens de procedure is naar voren gekomen dat er mogelijk beperkingen zijn in eisers capaciteiten om te kunnen verklaren en dat hij psychische klachten heeft of had. Ook de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) heeft geconcludeerd dat eiser bekend is met klachten die verband houden met zijn gevangenneming en marteling. De minister heeft hier onvoldoende op doorgevraagd en heeft nagelaten om tijdig de bijzondere kwetsbaarheid van eiser vast te stellen en te onderzoeken of eiser bijzondere waarborgen behoeft. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De minister had passende steun moeten bieden. Daarnaast is de medische verklaring van de GZA onvoldoende kenbaar betrokken in de besluitvorming. Aan het document waaruit blijkt dat eiser een bipolaire stoornis heeft, is onvoldoende waarde gehecht. Kopieën dienen ook meegenomen te worden in de besluitvorming.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister namelijk voldoende onderzoek gedaan naar de vraag of bijzondere waarborgen en passende steun moet worden geboden. Daarbij is ook tijdens het gehoor en de besluitvorming voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. Er is voorafgaand aan het nader gehoor door MedTadvies een medisch advies uitgebracht over de vraag of eiser gehoord kan worden en of er beperkingen zijn op grond van medische problematiek die van invloed kunnen zijn op het nader gehoor. Uit dit medisch advies volgt dat er geen klachten zijn geconstateerd en er geen sprake is van beperkingen die relevant zijn voor het horen en/of beslissen. Ook blijkt uit de gehoren dat de hoormedewerker voldoende aandacht heeft besteed aan de situatie van eiser. Zo heeft de hoormedewerker meerdere pauzes ingelast tijdens de gehoren en is er meermaals gevraagd of eiser zich in staat voelt om het gehoor te doen. Anders dan eiser stelt, blijkt uit de verslagen van de gehoren niet dat eiser dusdanig warrig verklaarde dat de gehoren niet langer doorgang konden vinden of aanvullend medisch advies nodig was. De hoormedewerker heeft bij onduidelijkheden doorgevraagd en verhelderende vragen gesteld. Ook heeft eiser correcties en aanvullingen op de gehoren kunnen indienen om eventuele onduidelijkheden te corrigeren.
Ook de brief van GZA van 4 juli 2025 leidt niet tot een ander oordeel. Dit stuk dateert van ná de gehoren, zodat de minister daar voorafgaand of tijdens de gehoren geen rekening mee kon houden. Uit deze brief volgt dat eiser psychische klachten heeft die verband houden met zijn asielrelaas. Eiser is behandeld met medicatie (mirtazapine) en bij de POH-GGZ geweest. Uit deze brief volgt niet dat eiser niet gehoord had kunnen worden of dat specifieke bijzondere waarborgen benodigd waren. In de brief is niet toegelicht op welke wijze de medische problematiek verband houdt met het kunnen verklaren door eiser.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de stelling dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de bipolaire stoornis niet slaagt. Eiser verwijst ter onderbouwing naar de in kopie overgelegde verklaring van de politie van Guangzhou uit 2006 waarin zou staan dat eiser een bipolaire stoornis heeft. De rechtbank overweegt dat nog daargelaten dat dit stuk slechts in kopie is overgelegd waardoor de authenticiteit daarvan niet kan worden vastgesteld, eiser zelf heeft verklaard dat dit document is opgesteld om hem, ten onrechte, in een psychiatrische inrichting te kunnen plaatsen. De rechtbank acht verder van belang dat eiser een bipolaire stoornis niet met andere (medische) stukken heeft onderbouwd en dat uit het medische advies van MedTadvies (en de brief van GZA) niet blijkt dat eiser (mogelijk) een bipolaire stoornis heeft.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
9. Eiser betoogt dat de door de minister gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling die volgt uit Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Hierbij verwijst eiser naar het gegeven dat over deze kwestie prejudiciële vragen zijn gesteld.
De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank ziet, overeenkomstig de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025, geen aanleiding voor het oordeel dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank ziet in de gestelde prejudiciële vragen geen aanleiding voor een ander oordeel.
Identiteit
10. Eiser voert aan dat zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Eiser heeft immers een echt bevonden identiteitskaart overgelegd. Daarnaast zijn eisers verklaringen over zijn identiteit niet tegenstrijdig, want er was sprake geweest van miscommunicatie. Eiser heeft daarnaast psychische klachten die van invloed waren op zijn vermogen om te kunnen verklaren. De minister had hem dus het voordeel van de twijfel moeten geven.
De rechtbank stelt vast dat de minister naar aanleiding van de overgelegde identiteitskaart in het bestreden besluit het volgende heeft overwogen:
“Voorop staat dat u uw identiteitskaart inmiddels hebt aangeleverd en deze door Bureau Documenten is gecontroleerd op echtheid. Hieruit wordt geconcludeerd dat uw identiteit geloofwaardig wordt geacht.”
Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat dit een kennelijke verschrijving betreft en dat de minister de identiteit van eiser nog steeds ongeloofwaardig acht. Uit het onderzoek van Bureau Documenten volgt volgens de minister alleen dat de identiteitskaart (technisch) echt is. Of het document inhoudelijk juist is, heeft Bureau Documenten niet kunnen vaststellen. Daarom heeft de minister conform stap 2b uit de WI 2024/6 getoetst of aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt voldaan. Dat blijkt volgens de minister niet het geval, zodat de identiteit (nog steeds) ongeloofwaardig wordt geacht.
De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit onduidelijk is over de geloofwaardigheid van de identiteit van eiser. Enerzijds stelt de minister in het besluit dat naar aanleiding van het onderzoek van Bureau Documenten de identiteit geloofwaardig wordt geacht (zie onder 10.1), maar anderzijds toetst de minister in het besluit vervolgens aan artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 en concludeert ‘dat het voornemen stand houdt’. De rechtbank is van oordeel dat deze onduidelijkheid en tegenstrijdigheid in het bestreden besluit voor rekening en risico komt van de minister. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister in het bestreden besluit expliciet en onomwonden schrijft dat de identiteit geloofwaardig wordt geacht. Ook heeft de minister de gestelde kennelijke verschrijving niet, nadat hij ermee bekend is geworden, gecorrigeerd met een verbeterd besluit. Onder deze omstandigheden kan de minister niet eerst tijdens de zitting terugkomen op een geloofwaardig bevonden identiteit. Te meer nu er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Ook het gegeven dat, zoals de minister tijdens de zitting heeft toegelicht, uit interne stukken zoals de minuut zou blijken dat de minister de identiteit van eiser niet gelooft, maakt dat niet anders. Deze stukken liggen immers niet ter toetsing voor en zijn ook niet overgelegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de minister de identiteit van eiser geloofwaardig acht.
Detentie als zelfstandig asielmotief?
11. Eiser stelt dat de minister ten onrechte de detentie niet als zelfstandig asielmotief heeft aangemerkt. Eiser heeft immers aangegeven twee jaar in de gevangenis te hebben gezeten en meerdere malen (gedwongen) in een psychiatrische inrichting te hebben verbleven. Uit de brief van GZA blijkt dat eiser klachten heeft die verband houden met zijn gevangenneming en marteling. Hieruit volgt dat eiser dit is overkomen. Eiser heeft door de detentie eerder een behandeling ondervonden die in strijd is met artikel 3 EVRM. Het is aan de minister om aan te tonen waarom hij dit risico bij terugkeer niet weer zou lopen. Die beoordeling heeft de minister nagelaten.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet wordt gevolgd dat de detentie een zelfstandig asielmotief had moeten zijn. Eisers verklaringen over zijn detentie zijn namelijk voldoende meegenomen in het asielmotief over eisers politieke activiteiten en de daaruit volgende problemen. De detentie is immers het gevolg van de politieke activiteiten. Daarom hoeven de verklaringen over de detentie niet als een apart element te worden aangemerkt. Aangezien de politieke activiteiten een direct verband houden met de door eiser gestelde problemen, is er geen aanleiding om deze omstandigheden apart van elkaar te beoordelen.
Deze beroepsgrond slaagt. De minister heeft de detenties ten onrechte niet aangemerkt als zelfstandig asielmotief. De rechtbank acht daarvoor het volgende van belang. Een “asielmotief” wordt in WI 2024/6 omschreven als een feit of omstandigheid die voor een vreemdeling reden vormt voor het aanvragen van bescherming. Er kan sprake zijn van meerdere asielmotieven die los van elkaar staan. Voor de inwerkingtreding van 2024/6 – toen “asielmotief nog een “relevant element” werd genoemd – werd het als volgt gedefinieerd: een relevant element is een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en die in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 EVRM. Eiser heeft verklaard dat hij in de periode tussen 1999 en 2009 herhaaldelijk is vastgezet vanwege zijn politieke overtuiging, zowel in gevangenissen als in psychiatrische ziekenhuizen en dat hij bij terugkeer weer vreest te worden vastgezet. De minister heeft echter alleen de verklaringen van eiser over zijn politieke activiteiten beoordeeld die dateren van na 2021. Deze politieke activiteiten vertegenwoordigen een geheel andere periode en context dan de eerdere detenties. Gezien het verschil in tijdsperiode en de aard van de gebeurtenissen, hadden de detenties uit het verleden en de recente politieke activiteiten ieder apart beoordeeld moeten worden. Dat de detenties het gevolg zijn van politieke activiteiten en direct verband houden met de later (vanaf 2021) gestelde problemen en huidige politieke overtuiging en activiteiten is slechts een aanname van de minister en op geen enkele wijze onderbouwd en onderzocht (zie ook hierna). Het nalaten van het beoordelen van de detenties als zelfstandig asielmotief betekent dat de minister de asielmotieven onzorgvuldig in kaart heeft gebracht. In zoverre is er sprake van een gebrek.
De minister heeft de detenties in de periode 1999-2009 met name niet geloofwaardig geacht omdat eiser deze detenties niet met documenten heeft onderbouwd en daar geen goede verklaring voor heeft gegeven. De brief van de politie uit 2007 waarbij beslist is dat de borgtocht wordt opgeheven, vermeldt volgens de minister niet waarom eiser is gedetineerd en heeft dus niet de beoogde bewijswaarde. Bovendien betreft het document een kopie, waar maar beperkte waarde aan wordt gehecht. Eiser zou zich verder onvoldoende hebben ingespannen om documenten die mogelijk (nog) aanwezig zijn bij UNHCR in Maleisië te overleggen. Ook heeft eiser geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij heeft vastgezeten in een psychiatrische inrichting. De brief uit 2006 waaruit zou blijken dat eiser een bipolaire stoornis heeft, is slechts in kopie overgelegd. Kopieën zijn volgens de minister echter geen objectief bewijs.
De rechtbank overweegt dat als van een document de authenticiteit niet kan worden vastgesteld de minister niet zonder meer waarde mag ontzeggen aan dat document. De minister moet dan de waarde van het document bezien mede in het licht van de door een vreemdeling afgelegde verklaringen en tegen de achtergrond van dat wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst. De rechtbank overweegt dat de minister het asielmotief over de eerdere detenties slechts zeer marginaal in kaart heeft gebracht. Tijdens de gehoren zijn er nauwelijks vragen gesteld over bijvoorbeeld de aanleiding voor de detenties en de detenties zelf. Het is daardoor onduidelijk welke politieke activiteiten tot de detenties hebben geleid en daarmee is ook onduidelijk of er enig verband zit tussen die politieke activiteiten en de politieke activiteiten vele jaren later nadat eiser in 2021 is teruggekeerd naar China en zou hebben geprotesteerd tegen coronamaatregelen. Deze onzorgvuldigheid van de minister maakt dat de overgelegde kopieën niet kunnen worden bezien in het licht van de door eiser afgelegde verklaringen over die detenties. De minister heeft er namelijk nauwelijks vragen over gesteld. Dat betekent dat de besluitvorming ook op dit punt een gebrek kent en dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting hierna uitleggen waarom zij in dit geval aanleiding ziet om in het kader van finale geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat de rechtbank bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van de asielmotieven en, indien deze geloofwaardig zijn, of deze zwaarwegend genoeg zijn om voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking te komen. De rechtbank maakt in deze zaak gebruik van die bevoegdheid. De rechtbank heeft daarom partijen tijdens de zitting gevraagd naar hun standpunt over de zwaarwegendheid. De rechtbank komt tot het volgende oordeel. Gelet op wat onder 11.4 is overwogen, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om een oordeel te geven over de geloofwaardigheid van de detenties in de periode 1999-2009. De rechtbank acht het echter wel van belang, gelet op de duur van de procedure en de individuele omstandigheden van eiser zoals die uit het dossier blijken, dat het geschil finaal wordt beslecht. Door de handelwijze van de minister kan de rechtbank echter niet vaststellen of het asielmotief geloofwaardig is. Bij een rechterlijke toetsing kan de vraag of een asielmotief geloofwaardig is niet in het midden worden gelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat in de gevallen waarin de minister de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven in het midden laat en deze feiten en omstandigheden enkel beoordeelt in het kader van de zwaarwegendheid, het er bij de rechterlijke toetsing van dit standpunt voor moet worden gehouden dat de minister de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. De rechtbank acht die situatie naar analogie van toepassing op deze procedure. Dat betekent dat de rechtbank bij de rechtelijke toetsing uitgaat van de geloofwaardigheid van de detenties. De rechtbank zal hierna beoordelen of deze detenties zwaarwegend genoeg zijn om eiser internationale bescherming te verlenen. Daarbij is de eerste vraag of de vermoedens van eiser over wat hem bij terugkeer naar zijn land van herkomst te wachten staat, aannemelijk zijn. Eiser vreest namelijk bij terugkeer weer te worden opgesloten al dan niet in een psychiatrische kliniek.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer als gevolg van de detenties en zijn (toenmalige) politieke overtuiging in de periode 1999-2009 een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Daarvoor is allereerst van belang dat deze detenties 17 tot 27 jaar geleden hebben plaatsgevonden en nadien niet is gebleken dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Chinese autoriteiten. Zoals de rechtbank namelijk verderop in deze uitspraak zal oordelen heeft de minister de (overige) politieke activiteiten en de daaruit volgende problemen terecht niet geloofwaardig geacht. Dat geldt ook voor de gestelde bekeringen. Verder is van belang dat eiser nadien een nieuw paspoort (en ook een identiteitskaart) heeft aangevraagd en gekregen, waarover eiser heeft verklaard dat de autoriteiten in China zijn gegevens hebben gecontroleerd. Ook is van belang dat het algemeen ambtsbericht China vermeldt dat bij de afgifte van een paspoort wordt gecontroleerd of de aanvrager wordt gezocht door de Chinese autoriteiten. Eiser is in 2021 China legaal en uit eigen beweging met zijn familie ingereisd en heeft daar vervolgens een tijd gewoond. Zoals gezegd, de minister heeft de problemen met de autoriteiten die zich in die periode zouden hebben voorgedaan terecht ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft vervolgens zonder problemen China in 2023 legaal en na te zijn gecontroleerd, verlaten.
Eiser voert weliswaar terecht aan dat het gegeven dat hij in het verleden bloot is gesteld aan vervolging dan wel ernstige schade een duidelijke aanwijzing is dat zijn vrees bij terugkeer voor herhaling van die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel. Dit volgt uit artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000. Dit vermoeden kan echter worden weerlegd als er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Uit voornoemde omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser als gevolg van hetgeen heeft plaatsgevonden tussen 1999-2009 bij terugkeer een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Het vermoeden is daarmee weerlegd.
Politieke overtuiging en activiteiten en de daaruit volgende problemen
12. Eiser voert aan dat ten onrechte zijn politieke activiteiten ongeloofwaardig zijn geacht. Eiser is journalist geweest. Uit algemene landeninformatie blijkt dat journalisten risico lopen op vervolging in China, dan wel op ernstige schade. Eiser heeft dit reeds in het verleden aan den lijve ondervonden.
Tijdens de zitting heeft eiser de beroepsgrond dat hij journalist is geweest en daarom bij terugkeer een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade niet langer gehandhaafd. Deze grond behoeft dan ook geen verdere bespreking.
Eiser heeft zijn verklaringen over de problemen vanwege zijn politieke activiteiten niet onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c en e, van de Vw 2000. Eiser heeft namelijk onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Ook vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. En ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister eiser terecht heeft tegengeworpen dat de geloofwaardigheid van de verklaringen en de behoefte aan internationale bescherming op voorhand is aangetast door het gegeven dat eiser Nederland meermalen heeft verlaten om in meerdere andere landen asiel aan te vragen. Zowel in Nederland als bij de asielaanvragen in andere lidstaten heeft eiser gebruik gemaakt van meerdere aliassen. Eiser blijft nog steeds naar Duitsland gaan, waarna hij weer aan Nederland wordt overdragen. Daar komt bij dat eiser heeft verklaard dat hij na jarenlang in het buitenland te hebben verbleven in november 2021 weer China is ingereisd. Uit de door hem overgelegde identiteitskaart blijkt echter dat deze al in januari 2021 in China is afgegeven. Ook dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser. Eiser heeft deze omstandigheden niet betwist.
Wat betreft eisers politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen oordeelt de rechtbank verder als volgt. De rechtbank stelt vast dat de minister eisers politieke mening niet heeft ontkend. Eisers verklaringen met betrekking tot zijn politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen vormen echter geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister stelt terecht dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn inreis in China in 2021. Eiser heeft verklaard dat zijn Vietnamese vrouw en kind een DNA-test moesten doen om aan te tonen dat zij familie van hem zijn. Eiser heeft uren bij de grens moeten wachten, terwijl zijn vrouw en kind dat niet hoefden. Het is ongerijmd dat alleen eiser aan de grens moest wachten, terwijl zijn vrouw en kind, die voor de vraag of ze familie van eiser waren en als zodanig toegang tot China zouden krijgen afhankelijk waren van de uitslag van de DNA-test, zonder problemen China al mochten inreizen.
Eiser heeft verder vaag verklaard over zijn sociale media accounts. Eiser stelt zich tussen 2021 en 2023 op meerdere platforms kritisch te hebben uitgelaten over de Chinese autoriteiten. Eiser weet echter niet wat de namen van zijn accounts waren en of de accounts nog bestaan. Ook weet hij de inloggegevens niet meer. De minister heeft hierover terecht gesteld dat van eiser, gelet op zijn referentiekader, de risico’s die eiser liep en het gegeven dat de problemen met de Chinese autoriteiten de kern van zijn asielrelaas is, mag worden verwacht dat hij hierover kan verklaren. De enkele stelling van eiser dat het voor hem niet relevant is om dit te onthouden, heeft de minister terecht niet gevolgd. Te meer nu eiser ook stelt dat de uitingen die hij deed voor hem van groot belang waren. De rechtbank stelt in aanvulling op het voorgaande vast dat eiser in beroep weliswaar allerlei stukken heeft overgelegd, maar geen stukken waaruit het bestaan en het gebruik van de sociale media accounts door eiser in de periode 2021-2023 blijkt.
Ook stelt de minister terecht dat eiser inconsistent heeft verklaard over het contact tussen zijn familie en de Chinese autoriteiten. Eiser heeft verschillend verklaard over de aanwezigheid van zijn vrouw op 4 juni 2025 toen de autoriteiten bij zijn moeder zijn langs geweest. Ook heeft eiser wisselend verklaard over de data waarop het bezoek van de autoriteiten aan zijn moeder zou hebben plaatsgevonden. Dit bezoek vond slechts enkele weken voor het aanvullend gehoor plaats, zodat van eiser mag worden verwacht dat hij hier consistent over verklaart.
De minister stelt ook terecht dat eisers verklaringen over zijn politieke activiteiten in Nederland vaag zijn. Uit de verklaringen van eiser volgt dat de politieke partij die door hem zou zijn opgericht niet veel meer is dan een WhatsApp-groep. Bovendien bestond deze WhatsApp-groep langer dan de partij zelf, waarbij eiser niet duidelijk heeft gemaakt wat nu het verschil is tussen de oorspronkelijke WhatsApp-groep en zijn politieke partij. Eiser heeft ook geen documenten overgelegd die zijn betrokkenheid bij een politieke partij onderbouwen. Die betrokkenheid blijkt in ieder geval niet uit de overgelegde WhatsApp-berichten, alleen al niet omdat eiser stelt gebruik te maken van een alias en nergens uit blijkt dat dit alias aan eiser is te linken.
De foto’s over deelname aan demonstraties die eiser heeft overgelegd tijdens de besluitvormingsfase zijn niet verifieerbaar. De persoon op de foto’s is onherkenbaar. De foto’s die eiser in beroep heeft overgelegd, waarbij hij tijdens een demonstratie op 28 september 2025 herkenbaar is, doen hieraan niet af. Uit de deelname aan één demonstratie blijkt in het licht van de overige verklaringen, die blijk geven van summiere activiteiten, geen politieke overtuiging die actief wordt uitgedragen.
Tot slot heeft de minister de verklaringen van eiser over zijn politieke activiteiten in Nederland tegenstrijdig en vaag ten opzichte van zijn verklaringen over zijn idealen kunnen achten. In China nam eiser naar hij stelt veelvuldig deel aan protesten en was hij op sociale media kritisch op de Chinese autoriteiten met alle gevaren van dien. Eiser heeft verklaard dat hij universele waarden heeft en dat hij deze idealen wil realiseren. Eiser heeft verder verklaard dat deze waarden voor hem belangrijker zijn dan zijn leven. In Nederland, waar hij de vrijheid heeft om zijn politieke mening te uiten, is eiser echter veel minder actief. In 2023 is eiser gestopt met het uiten van zijn mening op social media. Eiser heeft ook maar één protest in Nederland bijgewoond. De stelling dat demonstraties in Duitsland plaatsvonden en hij daarom niet kon deelnemen, wordt niet gevolgd. Ook in Nederland worden dergelijke demonstraties gehouden. Dit doet afbreuk aan de zwaarte van eisers politieke overtuiging.
De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Dat betekent dat de minister eiser terecht niet heeft gevolgd in de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden als gevolg van zijn politieke activiteiten. Dat eiser een politieke mening heeft wordt door de minister niet ontkend. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat het enkel hebben van een politieke mening onvoldoende is om een politieke overtuiging die actief wordt uitgedragen geloofwaardig te achten.
De bekeringen en de daaruit volgende problemen
13. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zijn bekering tot het christendom ongeloofwaardig is. De minister heeft niet uitgelegd waarom van eiser een diepgewortelde religieuze overtuiging wordt verlangd en/of waarom hier geen sprake van is. Eiser is immers 30 jaar geleden bekeerd, leest de Bijbel en neemt soms deel aan kerkdiensten. Ook verdiept hij zich in andere (door de autoriteiten) verboden religies.
Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen vanwege zijn bekeringen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vw 2000.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eisers bekeringen en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig zijn. Eisers verklaringen vormen gelet op het navolgende namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel en hij kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.
Ook ten aanzien van dit asielmotief geldt dat de minister eiser terecht heeft tegengeworpen dat op voorhand afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid en de behoefte aan internationale bescherming gelet op het meermalen vanuit Nederland in andere landen asiel aanvragen en het meermalen gebruik maken van een alias. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen zij onder 12.3 heeft overwogen
De minister stelt verder terecht dat uit eisers verklaringen niet volgt dat hij een diepgewortelde overtuiging heeft. Eiser verklaart namelijk dat hij zowel in het protestants christendom als in de Kerk van de Almachtige God gelooft, wat inhoudt dat hij in twee verschillende religies met tegenstrijdige leerstellingen gelooft. Eiser acht dit zelf ook tegenstrijdig, maar vindt het belangrijker om de communistische partij omver te werpen. Eiser verklaart verder dat zijn politieke overtuigingen zwaarder wegen dan zijn religieuze overtuiging. Ook dit duidt erop dat eiser geen diepgewortelde religieuze overtuiging heeft, maar eerder affiniteit met elementen van beide religies. Eiser is ook nog niet bekeerd tot de Kerk van de Almachtige God en weet niet of hij dat gaat doen. Eiser ziet religie seculier en vanuit een realistisch perspectief, wat bevestigt dat hij zich oriënteert en geen sterke innerlijke religieuze overtuiging heeft. Eiser verklaart verder oppervlakkig over hoe hij in aanraking is gekomen met protestantisme en/of de Kerk van de Almachtige God. Eiser verklaart dat hij in 1998 is bekeerd tot het christendom nadat hij in 1996 een Bijbel van zijn tante kreeg en via een vriend naar de kerk ging. Eiser heeft echter niet uitgelegd hoe dit bekeringproces precies verliep of wat zijn motivatie was om aan te sluiten bij de kerk. Evenzo is eiser recentelijk per toeval in aanraking gekomen met de Kerk van de Almachtige God in Duitsland en is hij na terugkomst in Nederland door anderen opgeroepen deze kerk te bezoeken. Eiser heeft niet toegelicht waarom hij hierop is ingegaan, ondanks dat hij al bij een andere religie was aangesloten. Eisers verklaringen over deze recente religieuze oriëntatie en de leer van de Kerk van de Almachtige God zijn oppervlakkig. Eiser verklaart over een rood (leer)boekje, maar weet niet hoe dit boek heet of wat er in staat.
Verder stelt de minister terecht dat eisers verklaringen over zijn kerkbezoek in Nederland vaag zijn. Eiser stelt dat hij eens in de drie weken naar de Chinese kerk gaat, maar weet niet hoe de kerk heet of wie de voorganger is van de kerk. Eiser heeft verder wisselend verklaard over de lessen van de Kerk van de Almachtige God. In Nederland is hij bovendien nog niet naar de kerk van Kerk van de Almachtige God geweest, hij heeft alleen contact gehad via WhatsApp. Tot slot worden eisers beweringen over problemen vanwege kerkbezoek in China terecht niet gevolgd. Eiser heeft niet concreet gemaakt welke problemen hij heeft ondervonden of waarom monitoring tot daadwerkelijke problemen leidde. Eiser verklaarde zelf dat zijn problemen met autoriteiten politiek van aard waren.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit (zie onder 11.2 en 11.4). De rechtbank maakt gebruik van de bevoegdheid om zelf een oordeel te geven over de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Omdat de rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten (onder 11.6).
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.