RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32605
(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eiser met de Houthi’s terecht ongeloofwaardig geacht. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen risico loopt op vervolging vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. Verder heeft de minister in het beleid, zoals vastgelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20 terecht aangenomen dat zich in Sana’a in Jemen niet het hoogste niveau van willekeurig geweld voordoet. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, in Sana’a wegens risicoverhogende omstandigheden het slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Het beroep is wel gegrond, omdat het bestreden besluit gebaseerd is op het eerdere beleid (WBV 2024/9). Dat beleid heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) niet houdbaar geacht. Daarmee bevat het besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal de rechtgevolgen van het besluit in stand laten, omdat de minister het gebrek in beroep alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In 2019 is eiser slachtoffer geworden van een gewapende overval, nadat hij en zijn vader ruzie kregen met El Moeshref, de leider van de Houthi’s. Een dag later werd zijn vader ontvoerd. De vader van eiser is na zes maanden vrijgekomen omdat eiser geld heeft betaald aan El Moeshref. Eiser is door de Houthi’s gedwongen om gascilinders uit te delen aan gezinnen. In 2022 is eiser gaan werken in een honingwinkel. Hier is ingebroken door vermoedelijk de Houthi’s. Eiser is toen naar Taiz gereisd om documenten te regelen zodat hij kon vertrekken. Bij terugkeer bleek dat zijn gezin geen gas had gekregen. El Moeshref was niet gediend van de vraag van eiser waarom dit het geval was. Eiser is toen ontvoerd en is 10 dagen vastgehouden in Beit Bout. Ook is eiser toen mishandeld. Hij moest voor El Moeshref werken, anders werd hij naar het front gestuurd. Eiser is daarna vertrokken uit Jemen. In Nederland heeft eiser demonstraties bijgewoond. Bij terugkeer vreest eiser voor El Moeshref, de Houthi’s en voor andere milities omdat hij voor de Houthi’s heeft gewerkt.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. persoonlijke problemen met de Houthi’s;
3. politieke overtuiging en politieke activiteiten.
Het eerste asielmotief en het derde asielmotief zijn geloofwaardig geacht door de minister. Met betrekking tot het tweede asielmotief - de persoonlijke problemen van eiser met de Houthi’s - heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat dit asielmotief niet alsnog geloofwaardig is, omdat de verklaringen van eiser hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Om die reden voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De geloofwaardig geachte asielmotieven leiden niet tot een inwilliging van de asielaanvraag van eiser, omdat eiser geen vluchteling is zoals is bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en omdat eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister de persoonlijke problemen van eiser met de Houthi’s ongeloofwaardig mogen achten?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn problemen met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn.
Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met de Houthi’s niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Volgens de minister is het asielmotief niet alsnog geloofwaardig is, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser in dat kader allereerst tegengeworpen dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat niet hij, maar zijn vader problemen had met de Houthi’s. De minister heeft daartoe naar voren gebracht dat eiser screenshots heeft overgelegd van de bedreigingen vanuit de Houthi’s aan het adres van zijn vader, dat de aanval in Tahrier op eisers vader was gericht en niet op eiser en dat de vader van eiser is opgepakt en vastgezet en niet eiser zelf. Ten tweede heeft de minister eiser tegengeworpen dat de persoonlijke problemen van eiser met El Moeshref niet geloofwaardig zijn. De minister heeft daartoe naar voren gebracht dat eiser heeft verklaard dat hij na zijn vasthouding in Beit Boes weer goed contact had met El Moeshref, dat zijn houding tijdens het moment van de gasverdeling niet logisch is, dat eiser wisselend heeft verklaard over de redenen om een paspoort te regelen voor zijn vertrek uit Jemen en dat eisers familie in Jemen sinds het vertrek van eiser geen problemen heeft ondervonden met de Houthi’s of El Moeshref. De rechtbank zal hieronder de gronden van eiser tegen deze geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister bespreken.
Niet eiser maar zijn vader had problemen met de Houthi’s
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bedreigingen van de Houthi’s enkel op zijn vader waren gericht. Volgens eiser waren de overgelegde WhatsApp-berichten ook tegen hem gericht. Hij kon deze berichten zelf niet ontvangen, omdat hij geen telefoon met internet had. Tijdens het gehoor is hem daar niet naar gevraagd. Volgens eiser is het daarom onredelijk om hem tegen te werpen dat hij dit pas in de zienswijze heeft aangevoerd. Verder stelt eiser dat de aanval in Tahrier niet alleen op zijn vader was gericht. Hij was daarbij aanwezig, maar is niet aangevallen omdat zijn vader snel in de auto is gestapt en is weggereden. Ook verklaart volgens eiser de aanwezigheid van het Houthi-gezinde wijkhoofd bij het politiebureau, waar hij naar zijn vader informeerde, waarom hij daar niet is opgepakt. De minister mag hem ook niet tegenwerpen dat hij pas in de zienswijze heeft verklaard dat de Houthi’s niets aan hem zouden hebben als hij opgesloten zat. Hij stelt dat hij hiermee reageerde op een tegenwerping in het voornemen. Hij had eerder al verklaard dat het wijkhoofd hem had geadviseerd geen actie te ondernemen, maar het probleem met geld op te lossen.
De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Dit in aanmerking nemend oordeelt de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat de bedreigingen van de Houthi’s niet enkel op zijn vader, maar ook op eiser zelf waren gericht. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat de bedreigingen ook op hem zijn gericht. Hier is eiser niet in geslaagd. Eiser stelt tijdens het nader gehoor dat de dreigementen middels WhatsApp naar zijn vader zijn gestuurd en aan hem gericht waren. Uit de verklaringen van eiser, in combinatie met de bewoordingen van de berichten, blijkt niet dat de bedreigingen ook op eiser waren gericht. Voorts stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de verklaring van eiser dat hij een telefoon had waarmee enkel gebeld kon worden, niet onderbouwt hoe deze informatie betrekking heeft op zijn vader die dreigberichten ontving.
Ook stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de aanval op Tahrier op de vader van eiser was gericht en niet op eiser zelf: op het videomateriaal is eiser niet te zien en dit materiaal onderbouwt niet dat er een persoonlijke aanval van de Houthi’s op eiser heeft plaatsgevonden. Tot slot stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij net als zijn vader opgepakt zou worden. Eiser onderbouwt niet waar hij in de gehoren heeft verklaard dat de Houthi’s geld van hem wilden en niks aan hem zouden hebben als hij opgesloten zat. Ook onderbouwt eiser niet waarom hij in het nader gehoor heeft verklaard dat het wijkhoofd niet veel macht heeft, maar anderzijds in de zienswijze heeft verklaard dat het wijkhoofd veel macht heeft. De onderbouwing van eiser dat het wijkhoofd veel macht had laat bovendien het tegendeel zien. De Houthi’s hadden baat bij de vrijheid van eiser, zoals hij zelf heeft verklaard, zodat ze snel geld konden krijgen. Eiser heeft niet verklaard dat het wijkhoofd de Houthi’s tot dit inzicht heeft gebracht.
De persoonlijke problemen met El Moeshref zijn niet geloofwaardig
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn persoonlijke problemen met El Moeshref niet geloofwaardig zijn. Allereerst brengt eiser naar voren dat de minister in dit kader onvoldoende heeft meegewogen dat hij uit Taiz komt. Hij heeft verklaard dat hij vanwege de oorlog vanuit Taiz naar Sana’a is verhuisd en dat de Houthi’s in Taiz veel macht hebben. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat Taiz bekendstaat als een gebied waar de Houthi’s actief zijn. Eiser betoogt verder dat de minister onvoldoende is ingegaan op zijn verklaring dat hij vanwege zijn problemen met de Houthi’s geen paspoort kon aanvragen. Dat hij verschillende redenen heeft genoemd voor het aanvragen van een paspoort, betekent volgens eiser niet dat zijn verklaring over de problemen met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich allereerst terecht op het standpunt dat uit het relaas van eiser niet is gebleken dat zijn herkomst uit Taiz verband houdt met zijn problemen die tot vertrek hebben geleid. Tijdens het nader gehoor, in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor en in de zienswijze wordt weliswaar gesteld dat eiser een probleem heeft vanwege zijn afkomst uit Taiz, maar is onvoldoende geconcretiseerd of nader onderbouwd wat deze problemen dan precies inhouden.
De minister stelt zich in het bestreden besluit voorts op het standpunt dat de redenen die eiser aandraagt voor het regelen van een paspoort niet duiden op problemen met El Moeshref/Houthi’s. De wens om in Jemen te gaan studeren maakt volgens de minister terecht niet aannemelijk dat eiser ten tijde van de paspoortaanvraag problemen had met de Houthi’s. Eiser heeft dit niet als reden genoemd toen hem hiernaar werd gevraagd in het nader gehoor. Hier komt bovendien bij dat eiser wisselend heeft verklaard over het studeren zelf. Van eiser mag worden verwacht dat hij hier consistent en samenhangend over kan verklaren. Ten aanzien van de inval op de honingwinkel is volgens de minister aan eiser in het nader gehoor gevraagd naar wie de inval op de honingwinkel heeft gepleegd. Hier heeft eiser verklaard dat het iedereen kon zijn. Dit geeft geen blijk van een vermoeden dat de Houthi’s hierachter zouden zitten. Dit beweert eiser echter wel in de zienswijze. Eiser heeft in de zienswijze niet aangevoerd waarom hij eerst zei geen weet te hebben van de daders, om vervolgens een sterk vermoeden te hebben. Dit is onvoldoende. Op de zitting heeft de minister echter erkend dat eiser in de correcties en aanvullingen wel heeft verklaard dat de Houthi’s achter de aanval op de honingwinkel zaten. Dit levert daarom een motiveringsgebrek op, maar de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren, omdat niet aannemelijk is dat eiser hierdoor is benadeeld. Het gebrek maakt niet dat de minister de problemen van eiser met de Houthi’s geloofwaardig hoefde te achten. De minister heeft zich op zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar heeft gesteld maar onvoldoende heeft onderbouwd dat de Houthi’s achter de aanval op de honingwinkel zaten. Dit gebrek maakt om die reden niet dat de minister dit asielmotief geloofwaardig had moeten achten. Bovendien heeft de minister eiser in dit kader ook tegengeworpen dat hij heeft verklaard dat hij na zijn vasthouding in Beit Boes weer goed contact had met El Moeshref, dat zijn houding tijdens het moment van de gasverdeling niet logisch is en dat eisers familie in Jemen sinds het vertrek van eiser geen problemen heeft ondervonden met de Houthi’s of El Moeshref. Hiertegen heeft eiser geen beroepsgronden geformuleerd. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat de persoonlijke problemen van eiser met El Moeshref niet geloofwaardig zijn.
Tussenconclusie
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen risico loopt op vervolging vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij bij terugkeer naar Jemen geen risico op vervolging loopt vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. In de zienswijze heeft eiser onderbouwd waarom zijn deelname aan demonstraties in Nederland leidt tot een risico bij terugkeer. Eiser is te zien op foto’s die zijn gepubliceerd op de Facebook-pagina van de zender Alhadath in Jemen. Ook heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat door een medewerker van de Houthi’s tegen zijn vader in Jemen is verteld dat eiser is gezien op de foto’s. Daaruit kan worden afgeleid dat de Houthi’s op de hoogte zijn van de foto’s. Op de foto’s is een spandoek te zien met daarop kritiek op de mensenrechtensituatie in Jemen. Het standpunt van de minister dat deze demonstratie in Jemen niet wordt gezien als een demonstratie tegen de Houthi’s is dan ook onvoldoende gemotiveerd. Eiser heeft in het nader gehoor geprobeerd te zeggen dat hij bij terugkeer naar Jemen zijn politieke overtuiging nu niet kan uiten. Hij zou het wel willen maar dat is niet mogelijk in Jemen.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen risico loopt op vervolging vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. In het bestreden besluit is, in het licht van IB 2024/10, terecht gemotiveerd waarom de geloofwaardig geachte politieke activiteiten en overtuiging van eiser niet meebrengen dat eiser in dit verband in de negatieve aandacht van de Houthi’s staat, of te vrezen heeft voor vervolging. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem een politieke overtuiging wordt toegedicht die tot vervolging zal leiden. Verder stelt de minister terecht dat eiser slechts aan een demonstratie bij het Internationale Strafhof in Den Haag heeft deelgenomen en dat eiser screenshots van een video van zijn deelname aan deze demonstratie heeft overgelegd waarbij deze beelden alleen laten zien dat hij aan de demonstratie heeft deelgenomen. Deze demonstratie staat niet bekend als een demonstratie
tegen de Houthi’s. Uit zijn deelname volgt daarom niet dat de Houthi’s hem als tegenstander beschouwen. De door eiser overgelegde foto’s in beroep maken het voorgaande niet anders, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze foto’s bij de Houthi’s bekend zijn of zullen raken. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Jemen zijn politieke overtuiging gaat uiten. Tijdens het nader gehoor heeft hij juist verklaard dat hij zich bij terugkeer niet politiek wil uiten. Ook heeft eiser niet toegelicht hoe hij in Jemen uiting wil geven aan zijn politieke overtuiging. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten geen gegronde vrees voor vervolging heeft.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
7. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat in Jemen sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, waaruit volgens hem volgt dat de minister een onvolledige beoordeling heeft verricht en dat de humanitaire omstandigheden bij deze beoordeling betrokken hadden moeten worden. In de aanvullende gronden van 18 mei 2026 verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, waaruit volgt dat de minister ook met het nieuwe landenbeleid (WBV 2025/20) niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Eiser wijst verder op het ambtsbericht Jemen van april 2025 en voert aan dat de veiligheidssituatie fragiel is, de Houthi’s humanitaire hulp belemmeren en hun rekruteringsactiviteiten hebben geïntensiveerd. Volgens eiser kan in Sana’a iedereen slachtoffer worden van willekeurig geweld. Daarbij voert hij aan dat hij dichtbij een kazerne woont en dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met deze persoonlijke omstandigheid. Tot slot heeft eiser op zitting betoogd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Jemen wegens de humanitaire situatie geen reëel risico op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Eiser verwijst hierbij naar het arrest Sufi en Elmi. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door de strijdende partijen. De minister heeft dit ten onrechte niet los beoordeeld.
Willekeurig geweld
De minister gaat sinds WBV 2024/9 voor geheel Jemen uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister in dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken en heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het ambtsbericht 2025. De minister heeft vervolgens het beleid met WBV 2025/20 gewijzigd, waarbij hij nog steeds aanneemt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.
Het bestreden besluit is gebaseerd op WBV 2024/9. Dat besluit kan geen standhouden, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De rechtbank verklaart het beroep om die reden gegrond en vernietigt het besluit van 11 juli 2025. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De minister heeft namelijk in zijn verweerschrift van 26 mei 2026 alsnog toereikend gemotiveerd dat in Sana’a sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026 dat de WBV 2025/20 op dit punt toereikend is. De door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag geeft geen aanleiding om daarvan af te wijken.
Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld
Omdat sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, moet eiser aannemelijk maken dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister stelt terecht dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. De enkele omstandigheid dat eiser dichtbij een kazerne woont is hiervoor onvoldoende. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd hoe dit maakt dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een hoger risico loopt op willekeurig geweld.
Artikel 3 EVRM
De minister heeft tijdens de zitting terecht gesteld dat eiser geen risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM gelet op de humanitaire omstandigheden in Sana’a. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat onvoldoende is onderbouwd dat eiser niet in zijn basisbehoefte zou kunnen voorzien. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat een van de situaties uit het arrest Sufi en Elmi betrekking heeft op zijn persoonlijke situatie.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep van eiser tegen het besluit van 11 juli 2025 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk is gemotiveerd (zie daarvoor onder 7.2). De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van gronden tegen het besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 11 juli 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van de griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.