RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51169
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 31 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Amb-verordening. In de Amb-verordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Amb-verordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Heeft de minister de kennisgeving onverwijld aan de rechtbank verstuurd?
4. Eiser betoogt allereerst dat de minister de kennisgeving niet onverwijld aan de rechtbank heeft verstuurd.
In artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is onder meer bepaald dat de minister onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, de rechtbank hiervan in kennis stelt.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel op maandag 31 augustus 2026 om 15:27 uur is opgelegd en dat de kennisgeving op dinsdag 1 september 2026 om 22:02 uur naar het daarvoor bestemde e-mailadres van het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken. Nu de kennisgeving meer dan een dag na het opleggen van de maatregel is verzonden, is de rechtbank van oordeel dat de minister de kennisgeving niet onverwijld aan de rechtbank heeft toegezonden. Op de zitting heeft de minister ook niet kunnen toelichten waarom de kennisgeving pas na anderhalve dag is verstuurd. Nu de minister de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de maatregel van vreemdelingbewaring, is er dus sprake van een gebrek.
Dit gebrek raakt niet rechtstreeks aan de rechtmatigheid van de maatregel en brengt niet automatisch mee dat de maatregel onrechtmatig is en daarom moet worden opgeheven. Bij de beantwoording van de vraag of de maatregel onrechtmatig is, is er ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat die belangenafweging in dit geval in het voordeel van de minister uitvalt omdat de rechtbank zonder problemen nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak kan doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring en verder is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. Het belang van de minister bij voortzetting van de maatregel weegt in dit geval – mede gelet op wat hierna wordt overwogen - dan ook zwaarder. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om het beroep gegrond te verklaren en de maatregel op te heffen.
Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen?
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Amb-verordening en een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft alle gronden betwist.
De rechtbank is van oordeel dat de gronden a en c feitelijk juist zijn. Grond a is feitelijk juist. De vingerafdrukken van eiser zijn in verschillende EU-lidstaten geregistreerd. Eiser heeft hierover verklaard dat hij in zowel Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, België, Luxemburg en Nederland asiel heeft aangevraagd. Omdat eiser zich in geen van deze lidstaten beschikbaar heeft gehouden voor de beoordeling van zijn aanvraag, heeft hij zich zonder toestemming tussen de lidstaten bewogen. Dat hieruit, zoals eiser betoogt, geen risico op onderduiken volgt omdat hij in Frankrijk geen opvang kreeg en dus gedwongen was om zich naar een andere lidstaat te begeven, maakt het oordeel over de feitelijke juistheid van deze grond niet anders. Bovendien volgt uit artikel 5.6, derde lid, van de Vb 2000 dat bij grond a geen toelichting van het onderduikrisico is vereist. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat grond c feitelijk juist is. Dat eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij niet meewerkt aan het vaststellen van zijn nationaliteit en identiteit, omdat zijn paspoort bij de Franse autoriteiten zou liggen en zijn identiteitskaart bij de Belgische autoriteiten, volgt de rechtbank niet. De minister heeft in het besluit namelijk terecht vermeld dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard niet van de gelegenheid gebruik te willen maken om bij de Georgische ambassade een nieuw document aan te vragen. Hieruit volgt dat eiser onvoldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn nationaliteit en identiteit.
Omdat de gronden a en c in ieder geval feitelijk juist zijn en de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen, behoeft dat wat eiser heeft aangevoerd over de overige gronden geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de maatregel opgelegd in strijd met het verbod op willekeur?
6. Eiser betoogt verder dat de maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd in strijd met het verbod op willekeur. De gronden a, r en s zijn namelijk van toepassing op iedere vreemdeling die valt onder de Amb-verordening, maar niet iedere desbetreffende vreemdeling wordt ook daadwerkelijk in vreemdelingenbewaring gesteld. Het is onduidelijk waarom de minister eiser wel in vreemdelingenbewaring stelt, maar anderen niet.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000 volgt dat een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw 2000 kan worden opgelegd wegens bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid zich voordoen. Zoals de rechtbank onder 5.3 en 5.4 heeft geoordeeld, heeft de minister de gronden in de maatregel van vreemdelingenbewaring opgenomen en heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom deze is het specifieke geval van eiser van toepassing zijn. Daarmee is voldoende duidelijk op welke gronden eiser in bewaring is gesteld. Dat er op dit punt sprake is van willekeur, volgt de rechtbank dan ook niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan vreemdelingenbewaring. De minister heeft namelijk miskend dat er geen onderduikrisico bestaat, omdat de eerdere reisbewegingen van eiser tussen de EU-lidstaten te maken hebben met het feit dat hij geen opvang kreeg. Bovendien heeft eiser gezondheidsproblemen en is hij op leeftijd. Hij heeft er dus ook belang bij om beschikbaar te blijven in de opvang.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft onder 5.4 geoordeeld dat er voldoende gronden zijn die de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Uit deze gronden blijkt dat er een risico bestaat op onderduiken. De minister heeft in de maatregel verder de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden, zoals zijn gezondheidsproblemen en methadongebruik, meegewogen en overwogen dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De minister had daarom niet hoeven te volstaan met een minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling.
Bestaat er zicht op overdracht?
8. Eiser betoogt tot slot dat er geen zicht op overdracht bestaat. Hij voert in dat kader allereerst aan dat België hem eerder al heeft overgedragen aan Frankrijk. Het is daarom niet te verwachten dat België de claim tot terugname van de minister accepteert. Verder is er geen zicht op overdracht, omdat duidelijk is dat eiser niet aan België kan worden overgedragen omdat hij daar geen opvang zal krijgen. Tot slot betoogt eiser dat er gelet op voorgenoemde redenen geen zicht bestaat op overdracht binnen de vijf weken die de minister hiervoor heeft.
De rechtbank stelt voorop dat de vraag of eiser op grond van de Amb-verordening kan worden overgedragen dient te worden beoordeeld in het kader van een asielprocedure of een procedure inzake de overdracht. Dat neemt niet weg dat, als eiser in de onderhavige procedure aantoont dat op voorhand vaststaat dat de beoogde overdracht niet kan plaatsvinden, dit betrokken kan worden bij de beoordeling of zicht op overdracht bestaat.
De rechtbank oordeelt dat in het geval van eiser een concreet aanknopingspunt voor overdracht bestaat als bedoeld in de Amb-verordening. Uit het dossier blijkt namelijk dat eiser in verschillende Europese lidstaten, waaronder België, asiel heeft aangevraagd. De minister heeft op basis van de beschikbare informatie besloten om een kennisgeving inzake terugname te versturen naar België. De enkele verklaring van eiser dat hij eerder door België aan Frankrijk is overgedragen, is onvoldoende om aan te tonen dat overdracht aan België op voorhand niet zal plaatsvinden.
De rechtbank is verder van oordeel dat het betoog van eiser dat zicht op overdracht aan België ontbreekt omdat hij daar geen opvang zal krijgen, evenmin kan slagen. Hoewel de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 heeft geoordeeld dat de minister voor België wat betreft alleenstaande, niet-kwetsbare mannen niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, is het onduidelijk of eiser te kwalificeren is als een niet-kwetsbare man. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij op leeftijd is en gezondheidsproblemen heeft. Voor zover eiser wel moet worden aangemerkt als alleenstaande niet kwetsbare man merkt de rechtbank op dat de situatie sinds de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 is veranderd. De minister heeft in verschillende zaken het voornemen geuit om alleenstaande niet kwetsbare mannen weer over te gaan dragen naar België, omdat de opvangsituatie (naar gesteld) verbeterd zou zijn. Over deze rechtsvraag zal de meervoudige kamer van deze rechtbank zich volgende week buigen. Ook gelet hierop kan niet worden gesteld dat sprake is van het ontbreken van zicht op overdracht.
De rechtbank oordeelt tot slot dat zicht op overdracht evenmin ontbreekt omdat op dit moment al duidelijk is dat overdracht niet binnen vijf weken zal plaatsvinden. Deze vijf-wekentermijn waar eiser op doelt, is namelijk enkel van toepassing in gevallen zoals genoemd in artikel 45, derde lid, van de Amb-verordening. Op grond van dit artikel wordt de overdracht van een persoon die in bewaring wordt gehouden van de overdragende lidstaat naar de verantwoordelijke lidstaat zo spoedig uitgevoerd als praktisch mogelijk is, en binnen vijf weken vanaf a) de datum waarop het verzoek tot overname is aanvaard of de kennisgeving inzake terugname is bevestigd, of b) de datum waarop het beroep of bezwaar niet langer opschortende werking heeft. In geval van eiser is van een van deze situaties echter nog geen sprake. Dit betekent dat voor eiser artikel 44, derde lid, van de Amb-verordening geldt. Hieruit volgt dat bewaring zo kort als mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd. Niet is gebleken dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.