ECLI:NL:RBDHA:2026:27022

ECLI:NL:RBDHA:2026:27022

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-08-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer C/09/709014 / KG ZA 26-795
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verbod verhuizing c.q. gebod terugverhuizing

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/709014 / KG ZA 26-795

Vonnis in kort geding van 17 augustus 2026

in de zaak van

[de vader] te [woonplaats 1],

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

advocaat mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te [plaats 1],

tegen:

[de moeder] te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A. Ramsaroep te Den Haag.

Partijen worden in het navolgende respectievelijk ‘de vader’ en ‘de moeder’ genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de op 11 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij van de zijde van de vader pleitnotities zijn overgelegd.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad tot 2021.

Zij zijn de ouders van [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats], en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats].

De vader heeft de kinderen erkend.

De moeder oefent het eenhoofdig gezag over de kinderen uit.

Na het uiteengaan van partijen is de moeder in de woning in [plaats 2] blijven wonen. De vader is eerst bij zijn ouders in [plaats 3] ingetrokken en heeft vervolgens een huurwoning gevonden in [plaats 1]. In 2024 heeft de vader met zijn nieuwe partner een koopwoning betrokken in [plaats 1]. Met haar verwacht hij binnenkort een kind.

De laatste drie jaar wordt door partijen uitvoering gegeven aan een omgangsregeling, waarbij de kinderen iedere maandag en dinsdag bij de vader zijn, hij hen woensdagochtend naar school brengt in [plaats 2] en zij om het weekend bij hem zijn en de helft van de vakanties.

Er bestaan – ook bij school – zorgen over [minderjarige 1]. Er heeft daarom een psychodiagnostisch onderzoek plaatsgevonden. Het rapport terzake vermeldt dat er leer- en aandachtsproblemen zijn en dat zij last heeft van spanningen. Er is de ouders onder meer geadviseerd om beter met elkaar af te stemmen en zoveel mogelijk vaste routines en basisregels te hanteren.

Op 11 juli 2026 heeft de moeder de vader per e-mail bericht dat zij gaat verhuizen naar [plaats 4] omdat zij een kleinschalige groep op school beter acht voor [minderjarige 1]. De vader heeft direct te kennen gegeven daarmee niet akkoord te kunnen gaan, maar de moeder is niet bereid haar plannen te laten varen.

3. Het geschil

in conventie

De vader vordert – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de moeder te verbieden om met de kinderen te verhuizen en voorwaardelijk, mocht zij reeds verhuisd zijn met de kinderen, haar te gebieden terug te verhuizen naar [plaats 2], op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat zij in gebreke blijft aan dit verbod of gebod te voldoen. Hij vordert eveneens de moeder te verbieden de kinderen uit te schrijven van hun huidige school en – naar de voorzieningenrechter begrijpt – de Basisregistratie Personen van de gemeente [plaats 2] en te verbieden de kinderen in te schrijven voor een andere school en in een andere gemeente, eveneens op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat zij in strijd handelt met deze verboden. Tot slot vordert de vader veroordeling van de moeder in de proceskosten.

Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. Volgens de vader handelt de moeder met haar (voorgenomen) verhuizing in strijd met de verplichting die uit artikel 1:247, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) voortvloeit om als ouder met gezag het contact van de kinderen met de andere ouder te bevorderen. Daarnaast stelt de vader dat de verhuizing ook niet noodzakelijk is om [minderjarige 1] de leeromgeving te bieden die zij, gelet op haar problematiek, nodig heeft. Hij meent dat de beslissing van de moeder om te verhuizen juist haaks staat op het advies om de hulpverlening gezamenlijk op te pakken, afspraken te maken over regels binnen de huishoudens van de ouders en voorspelbaarheid en structuur te creëren in het leven van [minderjarige 1].

De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

in reconventie

De moeder vordert in reconventie de vader te veroordelen om binnen drie maanden te verhuizen naar [plaats 2], althans de kinderen tijdens zijn zorgdagen in [plaats 2] of binnen een straal van vijf kilometer vanaf [plaats 2] op te vangen en te laten overnachten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat hij zich hier niet aan houdt, tot een maximum van € 15.000,-. Ook verzoekt de moeder de vader in conventie en in reconventie te veroordelen in de proceskosten, met inbegrip van de nakosten.

Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De vader is na de relatiebreuk bij zijn ouders in [plaats 3] gaan wonen en is nadien zonder overleg met de moeder en in tegenstelling tot zijn belofte om terug naar [plaats 2] te verhuizen, naar [plaats 1] verhuisd. De moeder stelt dat de vader de reisafstand tussen [plaats 2] en [plaats 1] daarmee zelf heeft gecreëerd en dat dit niet voor haar rekening mag komen. Vanuit [plaats 1] is voortzetting van de huidige omgangsregeling niet mogelijk als de moeder verhuist naar [provincie], maar wel vanuit [plaats 2]. Volgens de moeder is haar verhuizing naar [provincie] goed doordacht en voorbereid, wat blijkt uit het feit dat zij daar met haar nieuwe partner een woning heeft gekocht, haar huidige huurwoning heeft opgezegd, de kinderen op een school in [provincie] heeft ingeschreven en nieuw werk heeft gezocht. Daarnaast stelt zij dat de verhuizing noodzakelijk is om tegemoet te kunnen komen aan de specifieke onderwijsbehoefte van [minderjarige 1], omdat de school in [provincie] kleine schoolklassen met veel ruimte voor individuele aandacht heeft. De moeder meent overigens dat een aangepaste omgangsregeling (een weekendregeling) voor de hand ligt als de vader toch in [plaats 1] wil blijven. Dan hoeven de kinderen doordeweeks niet van [plaats 1] naar [plaats 4] te worden gebracht voor school, zo stelt de moeder.

De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

Bij de beoordeling van de voorliggende vorderingen stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Uit rechtspraak van de Hoge Raad (HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513) volgt dat in geval van gezamenlijk gezag de rechter op grond van artikel 1:253a BW de mogelijkheid heeft om de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, te verbieden op grote afstand van de andere ouder te gaan wonen, dan wel eerstgenoemde ouder te gelasten om terug te verhuizen, of zich te vestigen op zodanige afstand van de andere ouder dat omgang tussen het kind en die ouder kan plaatsvinden. Ook bij eenhoofdig gezag bestaat volgens deze rechtspraak echter een grondslag om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (art. 1:247 lid 3 BW). Op grond van artikel 8 EVRM is de rechter in zodanig geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat zodanige maatregel minder ingrijpend is dan de toekenning van het eenhoofdig gezag aan de andere ouder, waarin de wet uitdrukkelijk voorziet (art. 1:251a lid 1 BW en art. 1:253c leden 1 en 3 BW). Op grond van deze rechtspraak stelt de voorzieningenrechter vast dat er voor een beperking van de bevoegdheid van (in dit geval) de moeder met gezag om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te bepalen in de vorm van een verhuisverbod, een grondslag bestaat. Daarbij tekent de voorzieningenrechter nog aan dat het onder de gegeven omstandigheden op de weg van de moeder had gelegen tijdig bij de rechtbank een verzoek in te dienen om toestemming voor verhuizing. Nu zij dat niet heeft gedaan zal door de voorzieningenrechter een (voorlopige) beslissing moeten worden genomen.

in conventie

De voorzieningenrechter komt, alle betrokken belangen tegen elkaar afwegend, tot het oordeel dat de vorderingen van de vader toewijsbaar zijn. Daarbij is aan de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een zwaar gewicht toegekend. Het belang van de kinderen bij instandhouding van het co-ouderschap, zoals dat tot op heden door de ouders is vormgegeven en uitgevoerd, perkt in dit geval naar voorlopig oordeel de vrijheid van de moeder om te verhuizen in. Hoewel de voorzieningenrechter de Raad volgt in de stelling dat de co-ouderschapsregeling op termijn (en met name wanneer de kinderen naar de middelbare school zullen gaan) praktisch niet meer haalbaar is en dat partijen daarover tijdig zullen moeten overleggen, is gesteld noch gebleken dat de regeling op dit moment niet goed verloopt. In het gesprek met de rechter heeft [minderjarige 1] ook aangegeven dat zij de gelijke verdeling van tijd bij beide ouders fijn vindt en dat zij dat zo wil laten. Een verhuizing naar [provincie] zou betekenen dat de kinderen op de zorgdagen van de vader tot vier uur per dag in de auto zitten door de afstand tussen de school en de woonplaats van de vader. Dat acht de voorzieningenrechter – net als de Raad – feitelijk onuitvoerbaar en evident niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], ook met het oog op de specifieke behoefte van [minderjarige 1] aan rust en stabiliteit. In dit verband heeft de moeder er weliswaar terecht op gewezen dat de vader ook zelf reistijd heeft veroorzaakt door enkele jaren geleden zonder voorafgaand overleg naar [plaats 1] te verhuizen, maar dat maakt het oordeel niet anders. Immers, gebleken is dat de moeder die situatie vervolgens heeft gelaten voor wat het is. Zij heeft zelfs de omgangsregeling na die verhuizing van de vader nog uitgebreid, waardoor de kinderen vaker bij de vader waren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de moeder met haar (voorgenomen) verhuizing de vader niet voor een voldongen feit mag stellen nu die uitvoering van de co-ouderschapsregeling feitelijk niet meer mogelijk maakt. Ook de door de moeder voorgestelde alternatieve regeling, waarbij de kinderen drie weekenden per vier weken en alle studiedagen bij de vader zullen doorbrengen, hoeft de vader niet zo maar te accepteren. Dat zou immers een aanzienlijke verkleining van het zorgdeel van de vader opleveren. Daarom oordeelt de voorzieningenrechter dat er voorshands van moet worden uitgegaan dat de moeder met de (voorgenomen) verhuizing onvoldoende invulling geeft aan haar uit artikel 1:247, derde lid, BW voortvloeiende verplichting om de band van de kinderen met de vader te bevorderen.

De voorzieningenrechter weegt bij haar oordeel ook mee dat niet is gebleken dat er een duidelijke noodzaak is voor de moeder om te verhuizen. De wens van de moeder om haar leven met haar nieuwe partner in te richten is op zich invoelbaar, net als de mogelijke positieve effecten van een kleinere schoolklas voor [minderjarige 1]. Daar staat echter tegenover dat de kinderen – en met name [minderjarige 1] – behoefte hebben aan meer voorspelbaarheid, rust en stabiliteit in de thuissituatie en dat de school waar de kinderen tot de zomervakantie naartoe gingen heeft aangegeven actief aan de slag te zullen gaan met het bieden van ondersteuning aan [minderjarige 1] ten aanzien van haar behoeften op school. Hieruit maakt de rechtbank op dat de verhuizing en het laten starten van de kinderen op een nieuwe school in [provincie] niet noodzakelijk zijn om [minderjarige 1] de persoonlijke ondersteuning en omstandigheden te bieden die zij nodig heeft. De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan dat in een kort geding nadere bewijslevering niet aan de orde is. Voor zover de moeder meent alsnog te kunnen aantonen dat de verhuizing wél noodzakelijk is, is het aan haar om een bodemprocedure te starten en daar bewijs te leveren. Overigens heeft de moeder haar stelling dat zij niet terug kan naar [plaats 2] ook onvoldoende onderbouwd. Zij heeft weliswaar gesteld dat zij haar huurwoning in [plaats 2] heeft opgezegd en nieuw werk heeft vanaf september, maar dat zijn blote stellingen die niet door stukken zijn aangetoond. En zelfs als juist zou zijn dat de moeder al onomkeerbare stappen heeft gezet komt dit voor haar rekening en risico. Zij heeft immers eenzijdig besloten met de kinderen te verhuizen zonder daarover eerst in overleg te treden met de vader. In die zin acht de voorzieningenrechter de verhuizing ook niet goed voorbereid en doordacht. Daarbij wordt nog aangetekend dat tijdens de zitting gebleken is dat de moeder geen huis heeft gekocht in [provincie], zoals in de stukken werd gesteld, maar dat zij wenst in te trekken bij haar nieuwe partner, die reeds in [provincie] woonachtig is. Ook heeft zij aangegeven dat zij haar nieuwe werk gedeeltelijk vanuit huis kan doen, wat in voorkomend geval betekent dat dit ook vanuit [plaats 2] kan worden gedaan.

Voor de goede orde merkt de voorzieningenrechter nog op dat tijdens de zitting duidelijk is geworden dat de vader graag het gezamenlijk gezag zou willen hebben, dat de moeder daar niet onwelwillend tegenover staat en dat niet in geschil is dat de vader zijn deel van de verzorging en opvoeding van de kinderen de afgelopen jaren naar behoren en in overeenstemming met de afspraken tussen de ouders heeft gedragen. Het is nu aan de ouders om de komende tijd te bezien of zij alsnog tot (gehele of gedeeltelijke) overeenstemming kunnen komen, mede met het oog op de toekomst. Als dat niet lukt is het aan de meest gerede partij een bodemprocedure te starten waarin de (resterende) geschillen aan de rechter kunnen worden voorgelegd.

De slotsom is dat de vorderingen van de vader ten aanzien van de (terug)verhuizing van de moeder, de in- en uitschrijving van de kinderen op school en in de Basisregistratie Personen worden toegewezen. Voor zover de moeder de kinderen al heeft ingeschreven op de school in [plaats 4] en/of bij de Basisregistratie Personen aldaar dient de moeder deze inschrijving(en) ongedaan te maken. Daarbij zal de termijn waarbinnen de moeder indien zij al is verhuisd dient terug te keren worden gesteld op twee weken, mede in verband met de schoolgang van de kinderen na de grote vakantie.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van deze beslissing, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

in reconventie

De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de moeder afwijzen. Zoals al in punt 4.2 is overwogen, is de vader al jaren geleden naar [plaats 1] verhuisd en heeft de moeder dat gelaten voor wat het is. Reeds daarom ontbreekt spoedeisend belang bij de vordering tot terugverhuizing door de vader. Bovendien staat vast dat de bestaande co-ouderschapsregeling niet doorkruist is door de verhuizing van de vader destijds, en nu enkel het verhuisplan van de moeder een probleem veroorzaakt.

Proceskosten in conventie en reconventie

In de omstandigheid dat het een familierechtelijke procedure betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verbiedt de moeder met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats 4] in [provincie], dan wel gebiedt haar uiterlijk binnen twee weken na heden terug te verhuizen naar [plaats 2] voor zover zij reeds met de minderjarigen is verhuisd;

verbiedt de moeder om de minderjarigen uit te schrijven van basisschool [schoolnaam 1] te [plaats 2] en/of de minderjarigen in te schrijven bij [schoolnaam 2] te [plaats 4];

verbiedt de moeder om de minderjarigen uit te schrijven uit de Basisregistratie Personen in [plaats 2] en/of de minderjarigen in te schrijven in de Basisregistratie Personen in [plaats 4];

bepaalt dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor iedere dag dat de moeder in gebreke blijft het onder 5.1, 5.2 of 5.3 bepaalde na te komen, met een maximum van € 20.000,-;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.

AJK

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand