Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-150279-26, 09-212920-25 (tul) en 96-338925-24 (tul)
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] , (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 6 augustus 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. R.B. Schiphuis en de raadsman van de verdachte is mr. F.F. Kool te Haarlem. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. het op 25 mei 2026 te Zoetermeer voorhanden hebben van een omgebouwd alarmpistool en/of munitie;
2. het onder invloed van 3,8 microgram per liter THC besturen van een (brom)scooter op 25 mei 2026 te Zoetermeer;
3. primair: diefstal van een kentekenplaat en/of een bromscooter van [aangever] in de periode van 21 mei 2026 tot en met 25 mei 2026 te Amstelveen;
subsidiair: heling van een kentekenplaat en/of een bromscooter op 25 mei 2026 te Zoetermeer.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegd bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van het wapen bewezen kan worden verklaard, maar dat (partieel) vrijspraak moet volgen van het voorhanden hebben van munitie. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit bewezen kan worden verklaard.
Vrijspraak feit 3
De rechtbank is met betrekking tot feit 3, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit feit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 1 en 2, en zal daarvoor met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen (volledige) vrijspraak bepleit. De rechtbank gebruikt de onderstaande bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2026184170, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 79, aanvullend PV 1 doorgenummerd pagina 1 t/m 18 en aanvullend PV 2 doorgenummerd pagina 1 t/m 28).
Feit 1
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6
augustus 2026;
2. Het proces-verbaal van de Dienst Regionale Recherche, afdeling Specialistische Ondersteuning, team Forensische Opsporing Wapen, Munitie en Explosieven met nummer 2026184108-7, opgemaakt op 26 mei 2026 (p. 26-30).
Feit 2
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6
augustus 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 mei 2026 (p. 32-35);
3. Een geschrift, te weten het rapport van Eurofins Forensics van 26 juni 2026 (p. 15-17 aanvullend PV 2).
Bewijsoverweging feit 1 ten aanzien van de munitie
De verdediging heeft ter zitting naar voren gebracht dat uit het NFI-rapport van 13 juli 2026 volgt dat er op het patroonmagazijn geen DNA van de verdachte is aangetroffen, waardoor de betrokkenheid van de verdachte bij het magazijn en de munitie niet zonder meer aan hem kan worden toegeschreven, zodat verdachte van het onderdeel munitie moet worden vrijgesproken.
De rechtbank passeert dit verweer. De verdachte heeft bekend het wapen voorhanden te hebben gehad. Het blijkt om een wapen te gaan waarin op het moment van voorhanden hebben een patroonmagazijn zat en dat was doorgeladen. Daarmee staat vast dat de verdachte feitelijk de beschikkingsmacht heeft gehad over zowel het wapen als de zich daarin bevindende munitie. Voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap had van de munitie in het wapen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft verklaard dat hij het wapen heeft gekregen van een teamgenoot met het verzoek om dat onder zich te houden. Onder die omstandigheden had de verdachte, die al eerder in het kader van de WWM is veroordeeld, er op zijn minst genomen ernstig rekening mee moeten houden dat in het wapen ook munitie zat. Met het aannemen van het wapen, zonder zich er kennelijk van te vergewissen dat het níet geladen was, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er munitie in het wapen zat. De rechtbank komt gelet hierop ook tot een bewezenverklaring van feit 1 voor zover dit ziet op het voorhanden hebben van munitie.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 25 mei 2026 te Zoetermeer een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd alarmpistool van het merk Blow, type Mini 9, kaliber 380 auto (9mm kort), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III, te weten 3 stuks kogelpatroon (volmantel pistoolpatroon) van het merk CBC, kaliber 380 auto (9mm kort) voorhanden heeft gehad;
2.
hij op 25 mei 2026 te Zoetermeer een voertuig, te weten een (brom)scooter, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten (softdrugs/hennep/hasjiesj) THC, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,8 microgram per liter THC bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straffen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte het wapen niet zelf heeft aangeschaft. De verdediging sluit zich aan bij het uitgangspunt dat begeleiding van de verdachte geïndiceerd is en dat daarom de geadviseerde bijzondere voorwaarden passend zijn. Verzocht wordt om een onvoorwaardelijke straf op te leggen, gelijk aan het voorarrest en voor het eventuele overige te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf, gecombineerd met een maximale taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Vuurwapens kunnen immers worden gebruikt om ernstige strafbare feiten te begaan als overvallen, bedreiging en levensdelicten en worden in toenemende mate gebruikt bij ruzies en bedreigingen, met alle gevolgen van dien. Daarbij komt dat de ervaring leert dat het bezit van vuurwapens gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan met mogelijk zeer ernstige gevolgen. Het onbevoegd voorhanden hebben en dragen van een vuurwapen maakt dan ook een ernstige inbreuk op de rechtsorde en brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de samenleving. De rechtbank rekent dit de verdachte aan, vooral omdat hij eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en hiervoor nog in een proeftijd liep.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het besturen van een bromscooter op de openbare weg onder invloed van THC. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid voor zichzelf en anderen in gevaar gebracht.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 14 juli 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in oktober 2025 ook is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een wapen. Daarnaast is de verdachte in oktober 2022 en juli 2025 veroordeeld wegens het rijden zonder rijbewijs en in november 2025 voor heling en het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op computercriminaliteit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 30 juli 2026. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen van een teamgenoot kreeg aangeboden en hier geen weerstand tegen kon bieden. Ook heeft hij verklaard dat hij de gevolgen niet kon overzien en dat het ging om een impulsieve actie. Het is zorgelijk dat de verdachte tijdens een lopende proeftijd voor een veroordeling van het voorhanden hebben van een wapen opnieuw wordt verdacht van vuurwapenbezit. Het psychosociaal functioneren, het sociale netwerk van de verdachte en mogelijk de houding van de verdachte hebben een rol gespeeld bij de huidige verdenking. De verdachte vertoont zelfbepalend gedrag en wordt niet meer pedagogisch ontvankelijk geacht. Daarbij komt dat de verdachte niet meer naar school gaat en er geen aanwijzingen zijn voor een beneden gemiddeld intelligentieniveau. De verdachte lijkt bewust zijn keuzes te maken. Gelet op het voorgaande wordt er geen noodzaak gezien tot toepassing van het jeugdstrafrecht. De reclassering adviseert daarom de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Gedurende het reclasseringstoezicht heeft de verdachte een gesloten houding en ontstaat de indruk dat hij geen volledige openheid van zaken geeft. De reclassering vindt het noodzakelijk dat de bijzondere voorwaarden worden voortgezet, zodat de verdachte wordt gemotiveerd om meer openheid van zaken te geven en te gaan werken aan gedragsverandering. Gelet daarop wordt een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden geadviseerd.
Toepassing volwassenenstrafrecht
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft gepleegd toen hij 19 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank ziet, gelet ook op het advies van de reclassering, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten. Het uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een pistool in de openbare ruimte is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. Voor het rijden onder invloed op een bromfiets, waarbij sprake is van enkelvoudig gebruik van THC, is het uitgangspunt een geldboete van € 175,-. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en hij het bewezenverklaarde heeft begaan gedurende twee lopende proeftijden.
Alles afwegend vindt de rechtbank – conform de eis van de officier van justitie – een taakstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van het voorarrest passend. De verdachte heeft 11 dagen in voorlopige hechtenis gezeten zodat de rechtbank uitgaat van aftrek van 22 uren. Daarnaast vindt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden zonder meer passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Deze voorwaarden zijn gericht op de voortzetting van de begeleiding zoals die al plaatsvindt en het behouden van structuur en dagbesteding, zodat de verdachte mogelijkheid krijgt om zich positief te ontwikkelen en langs die weg ook herhaling van het plegen van strafbare feiten kan worden voorkomen.
7. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert voorts dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen genoemde voorwerp, te weten 1 STK Bromfiets zal worden verbeurdverklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het in beslaggenomen voorwerp gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst genoemde voorwerp, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp het onder 2 bewezen verklaarde feit is begaan.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op 20 juli 2026 schriftelijk gevorderd dat de bij parketnummer 96-338925-24 door de kantonrechter van de rechtbank Den Haag op 18 juli 2025 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een hechtenis voor de duur van één week en de bij parketnummer 09-212920-25 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 9 oktober 2025 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een jeugddetentie voor de duur van 29 dagen, ten uitvoer worden gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde.
De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij de vorderingen tot tenuitvoerlegging, met dien verstande dat de hechtenis en de jeugddetentie kunnen worden omgezet naar een taakstraf.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen af te wijzen, dan wel de proeftijd te verlengen.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich gedurende twee lopende proeftijden schuldig gemaakt aan twee nieuwe soortgelijke strafbare feiten. De verdachte heeft daarmee de algemene voorwaarde overtreden. De rechtbank zal daarom de vorderingen van de officier van justitie toewijzen zoals gevorderd en bepalen dat de voorwaardelijk opgelegde straffen, te weten een hechtenis voor de duur van één week en een jeugddetentie voor de duur van 29 dagen ten uitvoer worden gelegd, maar worden omgezet in een taakstraf. Op die manier wordt voorkomen dat de verdachte alsnog een periode in detentie moet uitzitten. Gelet op de meerderjarigheid van de verdachte zal de jeugddetentie worden omgezet in een taakstraf, in plaats van een werkstraf, zodat wordt voorkomen dat er verschillende toezichthouders betrokken raken.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
- 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN;
bepaalt dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. zich inspant voor het vinden en behouden van een opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
3. meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
4. zich laat begeleiden door een coach van E25 of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering, zo vaak en
zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (ZESTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (omgerekend 22 uren), bij de tenuitvoerlegging van deze taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
de in beslag genomen goederen
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: 1 STK Bromfiets;
de vorderingen tenuitvoerlegging
gelast dat de voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van één week, opgelegd bij voormeld vonnis van 18 juli 2025 in de zaak met parketnummer 96-338925-24, ten uitvoer wordt gelegd en wordt omgezet in een taakstraf van 14 (VEERTIEN) UREN;
gelast dat de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 29 dagen, opgelegd bij voormeld vonnis van 9 oktober 2025 in de zaak met parketnummer 09-212920-25, ten uitvoer wordt gelegd en wordt omgezet in een taakstraf van 58 (ACHTENVIJFTIG) UREN;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.J.L. van der Waals, voorzitter,
mr. A.M.A. Keulen, rechter,
en mr. M.M.C. Limbeek, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2026.