RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15372
(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A.A. van Vliet),
en
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond. Daarnaast is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het standpunt van eiser dat de redelijke termijn is overschreden.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Eiser stelt dat hij [naam] heet, dat hij de Congolese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2002. Verweerder heeft eisers vingerafdrukken ingevoerd in het Visum Informatie systeem van de Europese Unie (EU-VIS). Dat leverde een treffer op met [naam eiser] , met de Angolese nationaliteit en geboren op [geboortedatum 2] 1985, aan wie de Portugese autoriteiten een visum hebben verstrekt. Verweerder gaat ervan uit dat de in EU-VIS geregistreerde gegevens eisers persoonsgegevens zijn.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser is na het overlijden van zijn moeder in 2016 samen met zijn broer van de Democratische Republiek Congo (DRC) naar Angola verhuisd om bij zijn oom te gaan wonen. Op een nacht zijn er vier mannen van de politie langsgekomen bij het huis van deze oom. De mannen wilden weten waar zijn oom was, maar eiser wist dit niet. Eiser en zijn broer zijn toen uitgescholden voor buitenlanders en de mannen hebben het huis doorzocht. De volgende nacht zijn de politiemannen teruggekeerd en hebben zij de oom meerdere keren geslagen. Eiser heeft geprobeerd één van de mannen vast te houden en kreeg toen een geweerkolf tegen zijn hoofd. Eiser is wakker geworden in het ziekenhuis en zag één van de mannen die bij de aanval aanwezig was naast hem zitten. Toen deze man werd gebeld en de kamer verliet, is eiser gevlucht naar [persoon C] , een vriend van zijn oom. Daar kreeg eiser te horen dat zijn oom was vermoord. [persoon C] heeft eiser en zijn broer in contact gebracht met [persoon B] , die documenten voor een Portugees visum voor hen heeft geregeld. Eiser en zijn broer zijn toen samen met [persoon B] naar Nederland vertrokken. In Nederland zijn eiser en zijn broer slachtoffer geworden van seksueel misbruik. Na een maand konden eiser en zijn broer met de hulp van een buurman ontsnappen aan de man die hen misbruikte. Eiser vreest bij terugkeer naar Angola te worden vermoord door de mensen die zijn oom hebben vermoord.
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Problemen van de oom in Angola
Verweerder gaat ervan uit dat eiser de in EU-VIS geregistreerde naam, geboortedatum, nationaliteit en herkomst heeft en verweerder acht de door eiser opgegeven persoonsgegevens (zie overweging 1) dus niet geloofwaardig. De problemen van de oom in Angola acht verweerder ook ongeloofwaardig. Verweerder voert hiertoe kort samengevat aan dat eisers verklaringen niet overeenkomen met die van zijn broer en dat eiser summier heeft verklaard over de aanvallers. Verder stelt verweerder dat eiser wisselend heeft verklaard over de gebeurtenissen en dat eisers verklaringen vreemd zijn. De in EU-VIS geregistreerde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser leveren volgens verweerder geen vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen op en ook geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit naar Angola.
Beoordeling door de rechtbank
Identiteit, nationaliteit en herkomst
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte uitgaat van de in EU-VIS geregistreerde persoonsgegevens. Volgens eiser heeft hij zich voldoende ingespannen om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Eiser heeft vanaf zijn aankomst in Nederland consequent verklaard dat hij [naam] heet, dat hij de Congolese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2002. Daarnaast heeft eiser authentieke documenten uit de DRC overgelegd, waaronder een geboorteakte. Verweerder heeft deze documenten ten onrechte niet onderzocht. Verder heeft eiser contact opgenomen met de Congolese ambassade en het ministerie van Buitenlandse zaken van de DRC. De consulaire autoriteiten van de DRC in Den Haag hebben volgens eiser zijn Congolese identiteit bevestigd door te erkennen dat zijn ouders de Congolese nationaliteit hebben. Tot slot heeft eiser geprobeerd om een Congolees paspoort aan te vragen, maar dit is onmogelijk gebleken omdat eiser vanuit Nederland niet de vereiste procedures in de DRC kan volgen.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:661), volgt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van informatie uit EU-VIS. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat die informatie in zijn geval niet juist is.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in EU-VIS geregistreerde gegevens onjuist zijn. Verweerder wijst er terecht op dat, gelet op de vereisten voor het aanvragen van een visum en de registratie hiervan in EU-VIS, waaronder het overleggen van een paspoort, een pasfoto en het afstaan van vingerafdrukken, in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van deze gegevens. Verweerder heeft in eisers verklaring dat de mensenhandelaar in Angola kennelijk een Portugees visum voor hem heeft aangevraagd met onjuiste gegevens (blz. 7-9 aanmeldgehoor) terecht geen aanleiding gezien om niet van de gegevens in EU-VIS uit te gaan. Hierbij acht de rechtbank met name van belang dat uit vingerafdrukonderzoek is gebleken dat aan eiser een visum is verleend door de Portugese autoriteiten en dat in het kader van de visumaanvraag een Angolees paspoort is overgelegd. De Portugese autoriteiten moeten dit paspoort echt hebben bevonden voordat zij aan eiser een visum hebben verleend. Daarnaast hebben de Portugese autoriteiten het verzoek van verweerder om eiser over te nemen geaccepteerd omdat zij een visum aan eiser hebben verstrekt. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat een mensenhandelaar in Angola een Portugees visum voor eiser heeft aangevraagd met onjuiste gegevens of daarbij mogelijk documenten heeft vervalst. Het is mogelijk dat een document wordt vervalst, maar dat verklaart niet dat de in Nederland bij eiser afgenomen vingerafdrukken overeenkomen met de door de Portugese autoriteiten in het kader van de visumaanvraag afgenomen en geregistreerde vingerafdrukken.
Met de door eiser overgelegde kopie van een geboorteakte en zijn inspanningen bij de Congolese autoriteiten is hij er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de gegevens in EU-VIS onjuist zijn of dat hem het voordeel van de twijfel moet worden gegeven. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat een geboorteakte geen identificerend document is en dat eiser heeft geprobeerd met deze geboorteakte een paspoort aan te vragen bij de ambassade van de DRC, maar deze aanvraag is afgewezen. De rechtbank acht verder van belang dat de geboorteakte niet lijkt te zijn gelegaliseerd en in elk geval niet is geverifieerd en dat eiser, ook desgevraagd ter zitting, niet concreet heeft kunnen verklaren hoe hij aan deze geboorteakte is gekomen. Volgens de zienswijze heeft eiser deze verkregen met behulp van een advocaat in de DRC, maar eiser heeft desgevraagd niet kunnen verklaren hoe dit is verlopen. Overigens heeft verweerder er op de zitting op gewezen dat eiser zich ook tot de Angolese autoriteiten had kunnen wenden om aannemelijk te maken dat hij in Angola niet bekend is met de in EU-VIS geregistreerde persoonsgegevens.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de in EU-VIS geregistreerde gegevens onjuist zijn. Verweerder mocht daarom uitgaan van de juistheid van deze gegevens. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen van de oom in Angola
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de problemen van de oom in Angola ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Volgens eiser had verweerder de verschillen tussen zijn eigen verklaringen en die van zijn broer niet mogen tegenwerpen. Eiser en zijn broer waren ten tijde van de problemen namelijk minderjarig. Daarnaast kunnen de verschillen te wijten zijn aan een andere waarneming of interpretatie van de gebeurtenissen, of aan de lange tijd tussen de gebeurtenissen en het gehoor. Het had volgens eiser op de weg van verweerder gelegen om eiser aanvullend te horen om mogelijk tegenstrijdige verklaringen of onduidelijkheden op te helderen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser en zijn broer op meerdere punten verschillend hebben verklaard en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Zo heeft eiser verklaard dat vier politieagenten twee keer bij het huis van zijn oom zijn langsgekomen (blz. 21 nader gehoor eiser), terwijl eisers broer heeft verklaard dat de politie regelmatig langskwam, soms met een groep van vijf of zes personen (blz. 4 en 9 nader gehoor broer). Dat eiser en zijn broer minderjarig waren en mogelijk verschillende waarnemingen of interpretaties van de gebeurtenissen hebben, acht de rechtbank onvoldoende om het grote verschil tussen een regelmatig bezoek van vijf of zes personen en twee bezoeken van vier politieagenten te verklaren. Verder wijst verweerder er terecht op dat eiser enerzijds heeft verklaard dat [persoon C] , naar wie eiser en zijn broer na de aanval zijn gevlucht, in een andere wijk woonde, ver bij het huis van zijn oom vandaan (blz. 20 en 21 nader gehoor eiser), terwijl eisers broer heeft verklaard dat [persoon C] in dezelfde wijk als zijn oom woonde en dat het huis van [persoon C] niet zo ver van het huis van de oom was (blz. 17 nader gehoor broer). De rechtbank acht eisers verklaring dat dit verschil komt door individuele kennis van de buurt of de eigen herinnering aan de gebeurtenissen te vaag en onvoldoende verklarend voor deze tegenstrijdigheid. Dit verklaart immers niet waarom de ene broer heeft gezegd dat het huis van [persoon C] vlakbij het huis van de oom was, terwijl de andere broer heeft verklaard dat het een aanzienlijke afstand was. Ook heeft verweerder terecht tegenstrijdig geacht dat eiser heeft verklaard dat [persoon C] via een telefoontje te horen kreeg dat het lichaam van zijn oom was gevonden op een vuilnisbelt in [locatie] (blz. 7 en 8 nader gehoor eiser), terwijl eisers broer heeft verklaard dat hij het lichaam van de oom samen met eiser op straat heeft gevonden (blz. 5 nader gehoor broer). Verweerder heeft eisers verklaring in de zienswijze dat het ging om een straat bezaaid met vuilnis terecht niet afdoende geacht. Deze verklaring neemt immers niet weg dat de ene broer stelt dat hij via [persoon C] heeft gehoord dat het lichaam van zijn oom is gevonden, terwijl de andere broer heeft verklaard dat de broers het lichaam samen hebben gevonden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser ook terecht tegengeworpen dat zijn verklaringen over de gebeurtenissen wisselend, summier en vreemd zijn. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat de situatie dreigend was, dat zijn broer aan het huilen was en dat zijn oom de deur niet wilde openen omdat de oom begreep dat het slecht voor hem zou aflopen (blz. 6 en 7 nader gehoor eiser), terwijl eiser anderzijds heeft verklaard dat zijn oom de indruk wekte dat er niets bijzonders aan de hand was en de deur gewoon opendeed (blz. 17 nader gehoor eiser). Verweerder wijst er verder terecht op dat eiser summier heeft verklaard over de aanvallers. Eiser heeft enkel kunnen verklaren dat één van de aanvallers een blauw uniform aanhad, dat hij geen politieschoenen droeg en dat hij geen hoed had. Meer details kan eiser niet noemen, omdat het lang geleden en donker was. Eiser zou de agenten niet herkennen als hij ze tegen zou komen (blz. 15 en 16 nader gehoor eiser). Eiser heeft echter ook verklaard dat hij de mannen bij het tweede bezoek herkende en dat hij één van de agenten herkende naast zijn ziekenhuisbed (blz. 7 en 18 nader gehoor eiser). Nu eiser tijdens het tweede bezoek aan het huis van zijn oom en in het ziekenhuis dezelfde agent(en) herkende als tijdens eerste bezoek, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat van eiser mag worden verwacht dat hij uitgebreider kan verklaren hoe de agent(en) eruit zag(en). Tot slot heeft verweerder het vreemd kunnen vinden dat eiser zo belangrijk voor de agenten zou zijn dat hij de hele nacht in het ziekenhuis werd bewaakt, maar dat de bewaker eiser vervolgens alleen liet om te bellen en niet meer in de buurt was, waardoor eiser kon ontsnappen (blz. 18 en 19 nader gehoor eiser).
Gelet op de hiervoor genoemde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen met de oom in Angola ongeloofwaardig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Het verzoek om schadevergoeding
6. Eiser heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden en dat hij daarom recht heeft op een schadevergoeding.
In haar uitspraak van 19 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3586) heeft de Afdeling haar vaste rechtspraak herhaald dat de redelijke termijn in asielzaken begint met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank en dat als uitgangspunt geldt dat de behandeling van het beroep twee jaar mag duren. Uitgangspunt voor de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is € 500,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond.
De rechtbank heeft eisers beroepschrift op 9 april 2024 ontvangen en doet bijna 2,5 jaar later uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn met (afgerond naar boven) zes maanden is overschreden. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500,-. De Staat moet deze schadevergoeding aan eiser betalen.
Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten die eiser voor het verzoek om schadevergoeding heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.