ECLI:NL:RBDHA:2026:27104

ECLI:NL:RBDHA:2026:27104

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer C/09/708328 KG ZA 26-749
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kort geding. Afwijzing van de vorderingen van eiser die het niet eens is met de beslissing van de rechtbank Limburg om het bezwaar van eiser tegen de beslissing van het OM om hem geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen, ongegrond heeft verklaard. Tegen de beslissing van de rechtbank Limburg staat geen rechtsmiddel open. Dit kort geding kan er niet voor worden gebruikt die uitspraak alsnog ter rechterlijke toetsing voor te leggen. Van onrechtmatige rechtspraak is geen sprake.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/708328 / KG ZA 26-749

Vonnis in kort geding van 25 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] , verblijvende in de P.I. [plaats] ,

eiser, hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. E.J.M.J. Damen,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag,

gedaagde, hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. J. Perenboom.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties.

De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 14 augustus 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten verder toegelicht, mede aan de hand van door hen overgelegde spreekaantekeningen.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[eiser] is door het Landgericht Kleve bij vonnis van 21 februari 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en negen maanden voor het invoeren van drugs. De tenuitvoerlegging van deze straf is aan Nederland overgedragen en vindt nu hier plaats.

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 12 augustus 2025 beslist om met ingang van 30 september 2025 aan [eiser] voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) te verlenen.

Na die beslissing van het OM is er een verdenking gerezen van het plegen door [eiser] van nieuwe strafbare feiten tijdens zijn verlof, te weten het bezit van 25,4 gram cocaïne en wederspannigheid op 27 augustus 2025.

Bij beslissing van 12 september 2025 heeft het OM zijn beslissing van 12 augustus 2025 ingetrokken en het nemen van de beslissing over het verlenen van v.i. uitgesteld voor een periode van 120 dagen. Bij beslissing van 6 januari 2026 heeft het OM het nemen van een beslissing over het verlenen van v.i. nogmaals voor eenzelfde periode uitgesteld.

Bij mondeling vonnis van 20 april 2026 van de rechtbank Limburg is [eiser] veroordeeld voor de onder 2.3 vermelde feiten waarvan hij werd verdacht. Hiervoor is aan hem een taakstraf opgelegd voor de duur van 80 uren (bij niet uitvoeren te vervangen door 40 dagen hechtenis) met verbeurdverklaring van € 220 en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen drugs en twee inbeslaggenomen telefoons.

Bij beslissing van 26 mei 2026 heeft het OM de beslissing genomen om aan [eiser] geen v.i. te verlenen (de v.i. beslissing van het OM). Het OM overweegt daartoe, voor zover relevant, het volgende:

“U bent op 20 april 2026 door de rechtbank Limburg veroordeeld voor het aanwezig hebben van 25,4 gram cocaïne en het plegen van verzet bij uw aanhouding. Dit heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025 op het moment dat u op de BBA geplaatst was en meer vrijheden had. Een veroordeling voor het plegen van een delict tijdens detentie wat ook nog eens een soortgelijk delict betreft als de straf waarvoor u voor v.i. in aanmerking kan komen, dient naar het oordeel van het OM zwaar te wegen in de beoordeling of sprake is van bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving. Hoewel u tijdens detentie - op de aanhouding na - gewenst gedrag heeft laten zien komt het OM tot de conclusie dat de veroordeling dusdanig zwaar weegt dat er niet geconcludeerd kan worden dat u voldoet aan bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving.

Indien er geen sprake is van bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving kan geen v.i. worden verleend en wordt ook niet toegekomen aan de vraag welke bijzondere voorwaarden noodzakelijk zijn om de risico’s voldoende te beperken en beheersen. […].”

De rechtbank Limburg heeft bij beslissing van 16 juni 2026 het bezwaar van [eiser] tegen deze beslissing van het OM ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover relevant, het volgende overwogen:

“Aan de veroordeelde werden, door plaatsing tijdens zijn detentie op de BBA, meer vrijheden verleend. Tijdens deze plaatsing op de BBA werd de veroordeelde op 27 augustus 2025 aangehouden wegens een verdenking nieuwe strafbare feiten te hebben gepleegd. Bij besluiten van 12 september 2025 en 6 januari 2026 is telkens beslist dat de beslissing over het verlenen van v.i. werd uitgesteld met 120 dagen, vanwege de verdenking van voornoemde nieuwe strafbare feiten. De veroordeelde is voor deze feiten, het aanwezig hebben van 25,4 gram cocaïne en het plegen van verzet bij zijn aanhouding in de zaak met parketnummer 03-228544-25 inmiddels op 20 april 2026 door de politierechter veroordeeld.

De veroordeelde is weliswaar niet veroordeeld voor het dealen van deze harddrugs. Maar gelet op de bij veroordeelde aangetroffen hoeveelheid en de opmerkingen dat hij die hoeveelheid bij zich had voor een feestje waar hij naar toe ging, kan het niet anders dan dat veroordeelde deze verdovende middelen aan anderen (op het feestje) zou gaan leveren/geven/verkopen/afleveren. En daarmee stelt de rechtbank vast dat er bij veroordeelde wel degelijk sprake is geweest van het dealen van verdovende middelen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, de advocaat-generaal binnen de grenzen van de redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen dat veroordeelde vanwege de veroordeling in de zaak met parketnummer 03-228544-25 voor een soortgelijk delict als waarvoor de veroordeelde in Duitsland is veroordeeld, geen voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verleend. […]”

3. Het geschil

[eiser] vordert, na wijziging van zijn eis ter zitting – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: de Staat te bevelen om de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juni 2026 en de v.i. beslissing van het OM met onmiddellijke ingang te schorsen en [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen onder daaraan te verbinden voorwaarden dan wel de Staat te gebieden om vóór 22 augustus 2026 een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van de grondslagleer en de fundamentele rechten van artikel 6 EVRM, met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juni 2026 is in strijd met artikel 6 EVRM. Er is sprake van onrechtmatige rechtspraak. De rechtbank heeft in die uitspraak vastgesteld dat er sprake is geweest van het dealen van verdovende middelen, terwijl dit nooit aan [eiser] ten laste is gelegd, de procedure daar niet over ging en hij daar dus ook nooit over is gehoord en zich daar niet tegen heeft kunnen verdedigen. Door [eiser] hiervoor nu (als het ware) alsnog te veroordelen, is zijn recht op een eerlijk proces geschonden. De uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juni 2026 is bovendien in strijd met de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 april 2026, waarin op de handel in verdovende middelen niet is ingegaan. Indien de gevangenisstraf van [eiser] onder deze omstandigheden verder ten uitvoer wordt gelegd, is sprake van een onrechtmatige overheidsdaad. Hierbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat tegen de uitspraak van 16 juni 2026 geen rechtsmiddel openstaat, zodat [eiser] geen andere mogelijkheid heeft dan een beroep te doen op de civiele rechter om de benodigde rechtsbescherming te krijgen.

De Staat verzoekt het gevorderde af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

[eiser] grondt zijn vordering op onrechtmatig handelen van de Staat. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven.

Dit kort geding is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juni 2026. De wetgever heeft ervoor gekozen om tegen die beslissing geen rechtsmiddel open te stellen. Dit kort geding kan er niet voor worden gebruikt die uitspraak alsnog ter rechterlijke toetsing voor te leggen. Dit kan uitsluitend anders zijn wanneer sprake is van onrechtmatige rechtspraak. Daarvan is sprake als bij de voorbereiding van een uitspraak (waartegen geen rechtsmiddel openstaat) zodanige fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken.

Dat is niet gebleken. De Staat heeft onweersproken gesteld dat in de procedure bij de rechtbank Limburg, die heeft geleid tot de uitspraak van 16 juni 2026, zowel [eiser] , bijgestaan door zijn advocaat, als het OM in de gelegenheid zijn gesteld om zowel schriftelijk als mondeling ter zitting hun standpunt naar voren te brengen. Gelet daarop valt niet in te zien dat het recht van [eiser] op hoor en wederhoor is geschonden, zoals hij stelt. Andere schendingen van fundamentele rechtsbeginselen bij de voorbereiding van die uitspraak zijn gesteld noch gebleken. De vorderingen van [eiser] zijn daarom niet voor toewijzing vatbaar.

De bezwaren van [eiser] tegen de inhoud van de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juni 2026 kunnen niet leiden tot de conclusie dat sprake is van onrechtmatige rechtspraak. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat van strijdigheid van die uitspraak met de uitspraak van diezelfde rechtbank van 20 april 2026 geen sprake is. Beide rechtbanken hebben dezelfde feiten in aanmerking genomen. In de uitspraak van 20 april 2026 is de rechtbank op basis daarvan tot een strafrechtelijke veroordeling gekomen voor hetgeen [eiser] in die procedure ten laste is gelegd, te weten het bezit van cocaïne en wederspannigheid. In de uitspraak van 16 juni 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het OM gelet op die feiten tot zijn beslissing heeft kunnen komen om geen v.i. aan [eiser] te verlenen. Van tegenstrijdigheid of een “veroordeling” voor iets wat [eiser] niet ten laste is gelegd, zoals hij stelt, is hierbij geen sprake. De bewoordingen van die uitspraak zijn weliswaar wat ongelukkig gekozen, maar duidelijk is dat de rechtbank tot uitdrukking heeft willen brengen dat, kort gezegd, [eiser] die feiten zwaar aangerekend kunnen worden, met name gelet op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen en de omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen. Dat valt wel te begrijpen waar in het vonnis van de rechtbank Limburg van 20 april 2026 de verbeurdverklaring van € 220 en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen drugs en twee inbeslaggenomen telefoons is uitgesproken.

Het gevorderde wordt dus afgewezen. Omdat [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat betalen. Deze worden begroot op:

- griffierecht € 735

- salaris advocaat € 1.177

- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

-------------------

Totaal € 2.101

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.

ts

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand