Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/038409-26 en 09/153328-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
feitelijk verblijfsadres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 september 2026 (pro forma) en 7 oktober 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H.W. van Eeuwijk naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
onder parketnummer 09/038409-26 (hierna: dagvaarding I)
hij op of omstreeks 5 februari 2026 te ’s-Gravenhage een fiets (Ouxi C80), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
onder parketnummer 09/153328-26 (hierna: dagvaarding II)
1.
hij op of omstreeks 27 mei 2026 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] meerdere malen in het gezicht heeft geslagen en/of meerdere malen tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en/of meerdere malen met een accuboor in het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 mei 2026 te 's-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] meerdere malen in het gezicht te slaan en/of meerdere malen tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en/of meerdere malen met een accuboor in het gezicht te slaan;
2.
hij op of omstreeks 27 mei 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] meerdere malen in het gezicht te slaan;
3.
hij op of omstreeks 27 mei 2026 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 4] meerdere malen met een mes heeft gestoken en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 mei 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] meerdere malen met een mes te steken en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II onder 1 primair, 2 en onder 3 primair tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen bij dagvaarding I ten laste is gelegd. Ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het bij dagvaarding II onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast.
Ten aanzien van dagvaarding I
Vast staat dat de verdachte de fiets van de aangever zonder zijn toestemming heeft meegenomen. Uit de aangifte blijkt daarnaast dat de aangever meermalen “stop” naar de verdachte heeft geroepen en, tevergeefs, achter de verdachte aan heeft gerend. De rechtbank is gelet op deze gang van zaken van oordeel dat de verdachte de fiets doelbewust zonder toestemming heeft meegenomen en dat zijn opzet op dat moment erop was gericht om (al dan niet tijdelijk) over de fiets te beschikken en deze te gebruiken. Het oogmerk van de verdachte om de fiets zich wederrechtelijk toe te eigenen staat daarmee vast zodat de rechtbank tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal komt.
Ten aanzien van dagvaarding II
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers
De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verklaringen van de slachtoffers weliswaar onderling overeenkomen, maar ook van elkaar verschillen. Volgens de verdediging dient dat ertoe te leiden dat aan de juistheid van de verklaringen getwijfeld moet worden en daarom uiterst behoedzaam met de verklaringen omgegaan moet worden. Volgens de verdediging staat vast dat de verdachte op 27 mei 2026 geweld heeft gebruikt tegen de slachtoffers, maar dat hij daarbij geen voorwerpen heeft gebruikt en de vader van het gezin, [slachtoffer 2] , niet heeft geschopt.
Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers in twijfel te trekken. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van de slachtoffers concreet en gedetailleerd zijn over hetgeen zij die dag hebben waargenomen en de wijze waarop het geweldsincident heeft plaatsgevonden en komen daarmee authentiek over. Deze verklaringen vinden verder op belangrijke onderdelen steun in de verklaringen van de getuigen en andere bewijsmiddelen. Dat de verklaringen op een aantal ondergeschikte punten niet helemaal consistent zijn doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaringen.
De rechtbank overweegt in dat verband dat verschillende getuigen hebben verklaard dat zij hebben gezien dat de verdachte een mes in zijn hand had en daarmee steekbewegingen in de richting van [slachtoffer 4] maakte. Een van deze getuigen heeft bovendien verklaard dat hij daadwerkelijk heeft gezien dat een van de slachtoffers door de verdachte met het mes werd geraakt. Twee getuigen hebben verklaard dat het mes een wit handvat had en het mes werd ook ter plaatse door de politie aangetroffen. Daarnaast heeft een getuige waargenomen dat de verdachte een accuboormachine pakte en daarmee een van de slachtoffers aanviel. Uit het dossier blijkt verder dat de aangevers letsel hebben opgelopen. Bij de vader was sprake van een dikke kaak en lichte verwondingen aan zijn lichaam. De dochter had meerdere steekwonden, blauwe plekken en schaafwonden op haar lichaam en een afgebroken voortand.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van de verdachte, dat hij uit het niets werd aangevallen door de vader van het gezin en zichzelf probeerde te verdedigen, ongeloofwaardig en schuift deze als onaannemelijk terzijde.
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de slachtoffers op 27 mei 2026 aan het tuinieren waren in de moestuin van dochter [slachtoffer 4] . Zij werden benaderd door de verdachte, waarna plotseling een gewelddadige confrontatie ontstond waarbij de verdachte de drie gezinsleden fors heeft mishandeld. De rechtbank stelt daarbij de volgende feiten vast.
De verdachte heeft het geweld aanvankelijk gericht tegen [slachtoffer 2] door hem in het gezicht te slaan, als gevolg waarvan het slachtoffer ten val was gekomen. Ook nadat het slachtoffer op de grond was gevallen heeft de verdachte het geweld voortgezet door hem tegen het hoofd te schoppen. [slachtoffer 2] heeft zich in een foetushouding gekeerd om zich tegen het geweld van de verdachte te beschermen. Vervolgens heeft de verdachte zich tot de moeder van het gezin, [slachtoffer 3] , gewend en haar in het gezicht geslagen. De verdachte liep vervolgens weg en kwam terug met een mes in zijn handen. Hij begon meermalen in te steken op de dochter, [slachtoffer 4] , die op dat moment op de grond zat. Toen [slachtoffer 2] ertussen probeerde te komen, pakte de verdachte een accuboormachine en sloeg hij [slachtoffer 2] daarmee in het gezicht. Met de hulp van een omstander heeft [slachtoffer 2] de verdachte naar de grond gewerkt.
Feit 2 (mishandeling van [slachtoffer 3] )
De rechtbank is op basis van het dossier en de bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 3] door haar meerdere malen in het gezicht te slaan.
Feiten 1 en 3 (poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] )
Ten aanzien van de vraag of het geweld richting [slachtoffer 2] en zijn dochter [slachtoffer 4] waarbij ook een mes en een accuboormachine zijn gebruikt, een poging tot zware mishandeling oplevert, acht de rechtbank het volgende van belang.
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Ten aanzien van [slachtoffer 2] (feit 1)
De verdachte heeft [slachtoffer 2] geslagen en hem vervolgens, terwijl hij op de grond lag, tenminste eenmaal tegen zijn hoofd geschopt. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens met een accuboormachine (in het gezicht) geslagen. Uit algemene ervaringsregels volgt dat het geweld dat is uitgeoefend tegen het hoofd en het lichaam kan leiden tot schade aan vitale organen en de hersenen. Een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel dus. Naar de uiterlijke verschijningsvorm waren de geweldshandeling van de verdachte, meer specifiek het schoppen tegen het hoofd en vervolgens het slaan met een accuboormachine, zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer 2] tegen het hoofd te schoppen en met een accuboormachine te slaan.
Ten aanzien van [slachtoffer 4] (feit 3)
De verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen met een mes gestoken, waarbij zij diverse snijwonden heeft opgelopen aan haar bovenbeen en schouder. Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat aan een persoon zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, als deze persoon met een mes in het bovenbeen en schouder wordt gestoken, omdat in deze streken van het lichaam zich slagaders en pezen bevinden en deze geraakt hadden kunnen worden. Het raken hiervan kan leiden tot massaal, levensbedreigend bloedverlies en permanent functieverlies. Dit maakt de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk. Deze handelingen van de verdachte zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm direct gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte heeft door zijn handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer 4] met een mes te steken.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
ten aanzien van dagvaarding I
hij op 5 februari 2026 te ’s-Gravenhage een fiets (Ouxi C80) die aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van dagvaarding II
1.
hij 27 mei 2026 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen waarbij hij die [slachtoffer 2] meerdere malen in het gezicht heeft geslagen en tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en meerdere malen met een accuboor in het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 27 mei 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] meerdere malen in het gezicht te slaan;
3.
hij op 27 mei 2026 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen waarbij hij die [slachtoffer 4] meerdere malen met een mes heeft gestoken en in het gezicht en tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte
Beroep op noodweer(exces) ten aanzien van dagvaarding II
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat primair sprake is van noodweer, subsidiair van noodweerexces.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en het verdachte is geweest die is begonnen met het geweld.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) sprake dient te zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.
Uit de feitelijke gang van zaken zoals hiervoor beschreven onder 3.4. blijkt dat de gedragingen van de verdachte niet als verdedigend, maar als aanvallend moeten worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat het de verdachte is geweest die de confrontatie is begonnen en heeft geëscaleerd naar fysiek geweld zonder enige ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich moest verdedigen. Hij is derhalve de agressor, waardoor hem alleen al om die reden geen beroep toekomt op noodweer. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar en de verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit en de verdachte uitsluiten.
5. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder de bijzondere voorwaarden (kort gezegd):
een meldplicht bij de reclassering,
een ambulante behandeling door Fivoor,
een contactverbod met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] ,
een locatieverbod rondom de buurttuinen op [straat 1] en [straat 2] ,
dagbesteding,
beheersing van het middelengebruik.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een veroordeling een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie geëist.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft op 27 mei 2026 drie gezinsleden aangevallen. De slachtoffers, de vader, de moeder en hun dochter, waren nietsvermoedend aan het tuinieren toen zij door de verdachte werden benaderd die vervolgens hun spullen probeerde te pakken. Toen tegen hem werd gezegd dat hij daarvan moest afblijven, werden de slachtoffers onverwacht en zonder enige aanleiding geconfronteerd met het gewelddadige handelen van de verdachte. De verdachte heeft de drie gezinsleden meermalen geslagen. Daarbij heeft hij de vader gericht tegen het hoofd geschopt. De verdachte heeft het daar niet bij gelaten. Hij heeft vervolgens een accuboormachine gepakt en daarmee zowel de vader als de dochter geslagen. Ook heeft hij de dochter meermalen met een mes gestoken.
Dat de lichamelijke verwondingen als gevolg van het geweld uiteindelijk oppervlakkig zijn gebleven, is aan puur geluk te danken. Het geweld is niet uit eigen beweging door de verdachte beëindigd en het is niet aan zijn handelen te danken dat ernstiger letsel is uitgebleven. De wijze waarop de verdachte heeft gehandeld, getuigt van een grote mate van agressie en ongeremdheid. Daarbij komt dat het incident zich in het openbaar en in het zicht van meerdere getuigen heeft afgespeeld en dat er geen enkele aanleiding was om dit geweld toe te passen. De getuigen hebben uiteindelijk moeten ingrijpen dan wel 112 moeten bellen. Een dergelijk gewelddadig incident heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor de rechtstreeks getroffen slachtoffers, maar draagt ook bij aan gevoelens van onveiligheid en maatschappelijke onrust.
Voor de gezinsleden is de impact groot. Zij zijn in hun gevoel van veiligheid diep aangetast. De vader en de dochter hebben ter terechtzitting het spreekrecht uitgeoefend. Uit hun verklaringen komt duidelijk naar voren welke impact het handelen van de verdachte op hen heeft gehad en nog altijd heeft. Ter zitting heeft de dochter toegelicht dat zij tijdens de aanval grote angst heeft ervaren. Zij werd niet alleen geconfronteerd met het brute geweld dat tegen haar ouders werd uitgeoefend, maar werd ook zelf het slachtoffer en heeft daarbij gevreesd voor haar leven. In het bijzonder heeft de dochter benoemd dat de verdachte op enig moment met de accuboormachine boven haar stond en daarmee zwaaide. Dit heeft haar gevoel van angst verder versterkt. De verdachte heeft met zijn handelen het gevoel van veiligheid van de slachtoffers dus ernstig geschonden. Aan de ernst van het incident kent de rechtbank bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een elektrische fiets. Met het plegen van dit strafbare feit heeft de verdachte schade en hinder veroorzaakt. Bovendien heeft hij er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de persoonlijke levenssfeer en de eigendomsrechten van anderen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 juli 2024, waaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 juli 2026, waaruit volgt dat sprake is van een mogelijke verslavingsproblematiek in de vorm van middelengebruik. Daarnaast lijkt er sprake van problematiek op het gebied van psychosociaal functioneren. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld en het risico op letsel als hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:
een meldplicht,
een ambulante behandeling,
een contactverbod met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] ,
een locatieverbod rondom de buurttuinen op [straat 1] ,
een dagbesteding,
beheersing van middelengebruik.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voor zware mishandeling waarbij tegen het hoofd wordt geschopt, geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. De rechtbank houdt er rekening mee dat sprake is van een poging tot zware mishandeling en niet van een voltooid delict. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat de verdachte een derde gezinslid heeft mishandeld en dat één en ander allemaal binnen één gezin heeft plaatsgevonden. Verder zal ook de diefstal van betekenis zijn bij de op te leggen straf.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een proeftijd van twee jaren. Hieraan zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod (met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] ), een locatieverbod rondom [straat 1] en [straat 2] , een dagbesteding en beheersing van het middelengebruik.
Voorlopige hechtenis
De verdachte heeft mondeling verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsincident en is het recidivegevaar onverkort aanwezig. De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijke belang op dit moment zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van de verdachte bij zijn vrijheid. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om tot schorsing van de voorlopige hechtenis over te gaan.
6. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen
Ten aanzien van dagvaarding I
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.740,00 en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 240,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade.
Ten aanzien van dagvaarding II
Ter verkrijging van schadevergoeding hebben de volgende personen zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces: [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] .
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 8.377,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.502,75 aan materiële schade en € 6.875,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 7.284,37, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 409,37 aan materiële schade en € 6.875,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 16.358,28, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.983,28 aan materiële schade en € 14.375,00 aan immateriële schade.
Door de benadeelde partijen is de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van dagvaarding I
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing.
Ten aanzien van dagvaarding II
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van dagvaarding I
De verdediging heeft zich verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing.
Ten aanzien van dagvaarding II
De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de benadeelde partijen voor zover deze betrekking hebben op de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor het overige.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van dagvaarding I
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de vordering door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van dagvaarding II
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag (€ 1.502,75).
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de materiële schade toewijzen vanaf 6 oktober 2026, de datum van indiening van de vordering.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaard feit op grond van artikel 6:106, aanhef en eerste lid, onder b (“op andere wijze”) van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,-, waarbij met name de ernst van het feit (poging tot zware mishandeling), de ernst van het letsel en de impact op de benadeelde partij van belang zijn geweest bij het bepalen van het bedrag. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de immateriële schade toewijzen met ingang van 27 mei 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.502,75, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 1.502,75 vanaf 6 oktober 2026, en
- over een bedrag van € 3.000,-, vanaf 27 mei 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3]
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag (€ 409,37).
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de materiële schade toewijzen vanaf 6 oktober 2026, de datum van indiening van de vordering.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 primair bewezenverklaard feit op grond van artikel 6:106, aanhef en eerste lid, onder b (“op andere wijze”) van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500, -. Dit bedrag is lager dan het bedrag van [slachtoffer 2] , omdat hier sprake is geweest van een mishandeling, het letsel beperkter was en de impact van het incident in mindere mate uit de vordering is gebleken. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de immateriële schade toewijzen met ingang van 27 mei 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.909,37, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 409,37 vanaf 6 oktober 2026, en
- over een bedrag van € 1.500,-, vanaf 27 mei 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] .
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4]
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden ter grootte van het gevorderde bedrag van € 900,89. Daarnaast heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat er een grote kans is dat de benadeelde partij in de toekomst nog kosten zal moeten maken, te weten een endodontische behandeling aan haar voortand die op € 1.082,39 is begroot. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat deze schade zal worden geleden zodat ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het deel van de geleden materiële schade van € 900,89 toewijzen vanaf 6 oktober 2026, de datum van indiening van de vordering. Over het resterende deel van de toegewezen vordering (€ 1.082,39) zal de rechtbank geen wettelijke rente toekennen nu sprake is van toekomstige materiële schade.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 primair bewezenverklaard feit op grond van artikel 6:106, aanhef en eerste lid, onder b (“op andere wijze”) van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000, -. Doorslaggevend bij het bepalen van het bedrag is met name de ernst van het feit (steken met een mes) en de enorme impact die het feit op de dochter [slachtoffer 4] heeft gehad, wat ook blijkt uit de vordering. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 mei 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.983,28, deels vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 900,89 vanaf 6 oktober 2026, en
- over een bedrag van € 5.000,-, vanaf 27 mei 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 4] .
7. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1 genoemde voorwerp op de beslaglijst, te weten een mes, zal worden onttrokken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over het inbeslaggenomen voorwerp.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien niet kan worden vastgesteld aan wie dit voorwerp toebehoort terwijl het bij dagvaarding II onder 3 bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 300, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I (parketnummer 09/038409-26) ten laste gelegde feit en de bij dagvaarding II (09/153328-26) onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I:
diefstal;
ten aanzien van dagvaarding II onder 1 en 3, primair:
telkens: poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van dagvaarding II onder 2:
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 14 (VEERTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, te weten 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
1. Meldplicht bij de reclassering
zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres [adres 2] ;
2. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een
soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, woonoverlast en/of andere problematiek.
Indien er sprake is van een terugval in (overmatig) middelengebruik van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie of stabilisatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische
opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. Contactverbod
zich onthoudt van ieder – direct of indirect – contact met:
- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1968;
- [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 3] 1999;
- [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4] 1972;
4. Locatieverbod
zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen tien meter rondom de buurttuinen op [straat 1] en rondom [straat 2] te Den Haag;
5. Dagbesteding
zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of
vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
6. Beheersing middelengebruik
meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de
Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
Ten aanzien van dagvaarding I
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
Ten aanzien van dagvaarding II
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 4.502,75 aan [slachtoffer 2] , vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 1.502,75 vanaf 6 oktober 2026 en
- over een bedrag van € 3.000,-, vanaf 27 mei 2026,
beide tot de dag waarop dit bedrag is betaald;
bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.502,75, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 1.502,75 vanaf 6 oktober 2026 en
- over een bedrag van € 3.000,-, vanaf 27 mei 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van respectievelijk 45 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 1.909,37 aan [slachtoffer 3] , vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 409,37 vanaf 6 oktober 2026 en
- over een bedrag van € 1.500,-, vanaf 27 mei 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;
bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.909,37, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 409,37 vanaf 6 oktober 2026, en
- over een bedrag van € 1.500,-, vanaf 27 mei 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;
bepaalt dat als het verschuldigde niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van respectievelijk 19 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 6.983,28 aan [slachtoffer 4] , deels vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente
- over een bedrag van € 900,89 vanaf 6 oktober 2026, en
- over een bedrag van € 5.000,-, vanaf 27 mei 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;
bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.983,28, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 900,89 vanaf 6 oktober 2026, en
- over een bedrag van € 5.000,-, vanaf 27 mei 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 4] ;
bepaalt dat als het verschuldigde niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van respectievelijk 59 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de inbeslaggenomen goederen
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 stuk mes met voorwerpnummer BZBE1030NL.