Wijziging van de zorgregeling
Beschikking op het op 20 augustus 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Bhulai te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam.
Als informant wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden,
de gecertificeerde instelling.
Procedure
Bij beschikking van 13 oktober 2025 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van de zorgregeling aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 26 augustus 2026 heeft opnieuw een zitting plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat. Namens de gecertificeerde instelling heeft mevrouw [naam] via een telefonische verbinding deelgenomen aan de zitting.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.
Feiten
De nog voorliggende verzoeken
De moeder heeft verzocht om de zorgregeling die is vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 4 mei 2023 te wijzigen, inhoudende dat de kinderen van donderdagmiddag 17.00 uur tot en met zondag 18.00 uur bij de vader zijn en vanaf 2027 vanaf woensdagmiddag 12.00 uur tot en met zondag 18.00 uur. Daarnaast heeft zij verzocht de vakantieregeling te wijzigen, zodanig dat de zomervakantie, de kerstvakantie en de meivakantie bij helfte worden verdeeld. Verder heeft zij verzocht te bepalen dat alleen de vader, de moeder en de door de gemeente aangewezen taxi [minderjarige 3] van school kan ophalen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft bij bericht van 26 juni 2026 verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de vader zelfstandig de zorgregeling tussen de vader en de kinderen te ontzeggen voor de duur van één jaar.
Beoordeling
Zorgregeling
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) – in samenhang met artikel 1:377a, derde lid BW – kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid, onderdeel a, van genoemd artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling inzake de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vaststellen.
Op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e, eerste lid, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een door de ouders getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Ontvankelijkheid
Vanaf 1 september 2025 is de moeder gaan werken. Volgens haar is hierdoor sprake van een wijziging van omstandigheden.
Met de moeder is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de moeder sinds
1 september 2025 werkt een wijziging van omstandigheden oplevert, zodat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. De rechtbank zal het verzoek dus inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal beoordelen of de huidige zorgregeling moet worden gewijzigd. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de vader lijdt aan ernstige psychische klachten. De rechtbank baseert zich daarbij om te beginnen op dat wat de vader in de stukken en ter zitting zelf over zijn psychische gesteldheid naar voren heeft gebracht. De stellingen worden bevestigd door de conclusies uit het rapport van de Raad en door de toelichting van mevrouw [naam] op de zitting. Zij heeft naar voren gebracht dat het van belang is dat de behandeling van de vader wordt voortgezet en dat op enig moment door een professionele begeleiding een inschatting kan worden gemaakt wanneer contact weer verantwoord is. Tegen die achtergrond is de rechtbank – net als de voorzieningenrechter heeft geoordeeld in haar vonnis van 23 december 2023 – van oordeel dat nakoming van de zorgregeling door de vader niet verantwoord is en dus niet in het belang van de kinderen is. Van uitbreiding van de zorgregeling kan daarom dus ook geen sprake zijn.
De vader heeft verzocht om hem de omgang te ontzeggen. De rechtbank begrijpt dit verzoek aldus, dat hij met zijn verzoek heeft bedoeld de rechtbank te vragen dat hij de zorgregeling nu niet hoeft na te komen. Nu de voorzieningenrechter de zorgregeling reeds heeft geschorst totdat de hulpverlening het weer verantwoord acht dat de zorgregeling weer wordt hervat, heeft de vader geen belang bij zijn verzoek. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
Zoals de rechtbank ook met partijen op de zitting heeft besproken, is het duidelijk dat de kinderen de behoefte hebben om hun vader te zien. Ook is duidelijk dat de kinderen niet goed weten waarom zij hun vader op dit moment niet zien. De rechtbank drukt partijen op het hart – zoals ook ter zitting ter sprake is gekomen – om samen met de gecertificeerde instelling op een op de kinderen afgestemde wijze uitleg te geven over de situatie. Met de hulpverlening kan worden bezien wanneer de vader weer in staat is om contact met de kinderen te hebben en op welke wijze dit contact vervolgens moet worden vorm gegeven.
Kindbrief
De kinderrechter heeft tijdens het kindgesprek aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toegezegd dat zij een brief krijgen waarin de beslissing van de rechtbank wordt uitgelegd. Deze brief luidt als volgt:
“Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
Op 25 augustus 2026 heb ik met jullie gesproken over jullie ouders. Jullie hebben mij verteld dat jullie je vader heel graag weer zouden zien. Ik heb jullie ouders op
26 augustus 2026 gezien, ook jullie vader. Ook heb ik met [naam] van Jeugdbescherming gesproken. Zij vertelde dat zij ook goed contact heeft met jullie en met jullie ouders. Daar was ik blij mee. Met [naam] en met jullie ouders heb ik afgesproken dat zij gaat kijken wanneer jullie je vader weer gaan zien. Zij gaat daar goed met jullie over praten. Daarom ga ik nu niet beslissen dat jullie je vader weer gaan zien. Ik heb hem wel verteld dat jullie heel graag weer leuke dingen met hem willen doen. Dat vond hij fijn om te horen! Ik hoop dat jullie weer goed zijn begonnen op school! Ik wens jullie het allerbeste!
Groetjes van de kinderrechter”
Beslissing
De rechtbank
wijst de verzoeken af.