Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling
Beschikking op het op 13 september 2024 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J.J.A. Ooms te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Abd Rabou te ’s-Gravenhage.
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 29 augustus 2025 is bepaald dat:
de vader en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te
[geboorteplaats] , iedere dinsdag en iedere donderdag om 18.00 uur met elkaar zullen videobellen;
dat vanaf 15 augustus 2025 de volgende voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] zal gelden:
de eerste en tweede maand: om het weekend op zaterdag van 12.00 uur tot 14.00 uur;
de derde en vierde maand: om het weekend op zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur;
met ingang van de vijfde maand: om het weekend op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur,
waarbij de overdracht van [minderjarige] plaatsvindt op een door de advocaten af te spreken locatie, indien door de moeder gewenst in het bijzijn van een familielid van de moeder of een andere derde;
de vader met ingang van 13 september 2024 een kinderalimentatie aan de moeder moet betalen van € 25,- per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorgregeling c.q. omgangsregeling is aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
het F9 formulier van 11 november 2025 van de vader;
het F9 formulier van 23 april 2026 van de moeder;
het F9 formulier van 29 april 2026 van de vader;
het F9 formulier van 28 mei 2026 van de vader.
Op 28 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, L. Warsame;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, L. Haghaem;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Beoordeling
Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat er korte tijd uitvoering is gegeven aan een omgangsregeling waarbij [minderjarige] , zoals bij de vorige beschikking voorlopig is bepaald, omgang heeft met de vader om het weekend op zaterdag van 12.00 tot 18.00 uur. Eind april heeft het laatste omgangsmoment plaatsgevonden en daarna heeft de moeder de omgang gestopt, omdat zij zich bedreigd voelt door de vader en angstig is voor hem. Ook de belregeling wordt niet uitgevoerd zoals bepaald. Gebleken is dat de moeder een nieuwe partner heeft, dat zij hem ziet als de nieuwe vader van [minderjarige] en dat zij in dat plaatje geen rol ziet weggelegd voor de echte vader van [minderjarige] . De ouders communiceren nauwelijks met elkaar. De rechtbank ziet echter dat de vader wil samenwerken, maar dat de moeder daarin niet welwillend is.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Hiervoor is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die [minderjarige] aangaan en dat zij beslissingen over hem in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het feit dat de moeder niet welwillend is om te communiceren met de vader en dat zij het moeilijk vindt om een rol toe te kennen aan de vader in het leven van [minderjarige] , leidt niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is dat de vader gezagsbeslissingen in de weg zal staan. De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem en de moeder gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te belasten, toewijzen. De moeder zal zich daarom moeten inzetten om de verstandhouding en de communicatie met de vader te verbeteren en hem ruimte te bieden om een rol te spelen in het leven van [minderjarige] .
Omdat de vader ook het gezag zal krijgen over [minderjarige] , zal in het vervolg worden gesproken over een zorgregeling. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat er weer omgang is tussen de vader en [minderjarige] Op de zitting heeft de rechtbank al opgemerkt een regeling te willen vastleggen, waarbij [minderjarige] en de vader contact met elkaar hebben om de week op zaterdag van 14.00 uur tot 18.00 uur bij de [locatie] , waarbij de moeder [minderjarige] daar naartoe brengt en ook weer ophaalt. De rechtbank vindt het belangrijk om een vaste locatie te bepalen, zodat daarover geen discussie meer kan bestaan. De rechtbank vindt het daarnaast in het belang van [minderjarige] dat er ook regelmatig contact is tussen [minderjarige] en de vader tussen de zorgmomenten op zaterdag in. Om die reden zal ook de belregeling worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] en de vader iedere dinsdag en iedere donderdag om 18.00 uur met elkaar zullen videobellen.
Op de zitting is daarnaast met de raadsvertegenwoordiger besproken dat zij partijen zal aanmelden voor een gezinscoach. Mochten de moeder en de vader dan ondersteuning wensen in de uitvoering van de zorgregeling, dan kunnen zij bij de gezinscoach terecht.
Dwangsom
De vader heeft op de zitting gevraagd om een dwangsom te verbinden aan een op te leggen zorgregeling. De moeder heeft zich tegen dit verzoek verweerd en stelt dat het verzoek te laat is ingediend. De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:253a lid 5 BW een dwangsom ook ambtshalve kan bepalen. Gelet op de omstandigheid dat de moeder de door de rechtbank bij beschikking van 29 augustus 2025 voorlopig opgelegde, toen nog, omgangsregeling niet is nagekomen, althans heeft stopgezet en de houding van de moeder op de zitting niet het vertrouwen wekt dat zij haar medewerking zal verlenen aan de zorgregeling die bij deze beschikking zal worden bepaald, ziet de rechtbank aanleiding om een dwangsom op te leggen als stimulans tot nakoming van de zorgregeling in het belang van [minderjarige] . De rechtbank zal een dwangsom vaststellen van € 150,- per dag of keer dat de moeder zich niet houdt aan de zorg- en belregeling, met een maximum van € 7.500,-.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ;
*
bepaalt dat een zorgregeling zal gelden waarbij [minderjarige] en de vader omgang met elkaar hebben om het weekend op zaterdag van 14.00 uur tot 18.00 uur bij de [locatie] , waarbij de moeder [minderjarige] daar naartoe brengt en ook weer ophaalt, en dat een videobelregeling zal gelden, waarbij [minderjarige] en de vader iedere dinsdag en iedere donderdag om 18.00 uur met elkaar zullen videobellen, op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag of keer dat de moeder zich niet houdt aan de zorg- dan wel belregeling, met een maximum van € 7.500,-;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 september 2026.