Beschikking op het op 27 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Bhulai te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Kartal te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 27 augustus 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2018 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de vader mede is belast met het gezag, dat hij met ingang van 1 januari 2017 een kinderalimentatie van € 331,- per maand voldoet aan de moeder ten behoeve van [minderjarige] , is bepaald dat [minderjarige] bij de vader is een keer in de veertien dagen van vrijdag 11.30 uur tot maandag naar school, alsmede de helft van de vakanties, in onderling overleg nader te bepalen en zijn de door partijen getroffen regelingen in het ouderschapsplan aan de beschikking gehecht.
Verzoek en verweer
in de voorlopige voorzieningen procedure (C/09/706008 / FA RK 26/5310)
De vader verzoekt:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
in de bodemprocedure (C/09/706005 / FA RK 26/5308)
De vader verzoekt – met wijziging van de beschikking van 16 februari 2018 - :
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht – zakelijk weergegeven:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over dezelfde onderwerpen als in de voorlopige voorzieningenprocedure voorliggen, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Wijziging hoofdverblijfplaats
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan onder meer beslissen over de hoofverblijfplaats van de minderjarige.
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat haar hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft. De vader heeft in eerste instantie verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar hem. Op dat moment was de situatie zo dat [minderjarige] volledig bij hem verbleef en het contact tussen [minderjarige] en de moeder stroef verliep. De moeder heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] in de puberteit zit en zich meer tegen haar afzet en de grenzen opzoekt. Sinds december 2025 zijn de conflicten tussen de moeder en [minderjarige] toegenomen. Zij heeft toen een periode volledig bij haar vader verbleven. Op de zitting en tijdens het kindgesprek met [minderjarige] is gebleken dat dit inmiddels achterhaald is. Zij is op dit moment ongeveer evenveel bij beide ouders. [minderjarige] maakt in overleg met de ouders afspraken over wanneer zij bij welke ouder is. Beide ouders hebben aangegeven dat dit nu prima verloopt De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een wijziging van haar hoofdverblijfplaats. Op de zitting is door beide partijen bovendien aangegeven dat het gezien de huidige situatie voor de hand ligt om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder te laten, omdat dat per saldo voor iedereen (dus ook voor [minderjarige] ) financieel gunstiger is.
Wijziging zorgregeling
Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders, of één van hen, een zorgregeling vaststellen.
Sinds de vaststelling van de zorgregeling in 2018 hebben zich verschillende ontwikkelingen voorgedaan. Recent heeft [minderjarige] voor een periode van 2 tot 3 maanden, vanaf medio half / eind februari 2026, volledig bij haar vader verbleven. De ouders twisten over de exacte periode. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van gewijzigde omstandigheden.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting heeft de rechtbank uitgebreid met de ouders gesproken over de huidige situatie. Met hen is besproken dat het voor [minderjarige] wenselijk is als er een vast uitgangspunt wordt vastgelegd in de verdeling van de zorg, waarbij [minderjarige] bij beide ouders even veel tijd doorbrengt. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] om een week-op-week-af regeling te bepalen. In overleg kunnen de ouders, net zoals zij dat nu al doen, samen met [minderjarige] andere afspraken maken.
Bijzondere curator
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:250 BW kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als - in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige - de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank acht zich voldoende door partijen voorgelicht. [minderjarige] heeft zich duidelijk en standvastig uitgesproken over de voorliggende verzoeken. De rechtbank is van oordeel dat de benoeming van een bijzondere curator geen meerwaarde heeft en vermoedelijk geen andere inzichten zal opleveren. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.
Nog geen beslissing over de kinderalimentatie
De rechtbank zal nu nog geen beslissing over de kinderalimentatie nemen, maar de beslissing aanhouden. Het verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie is niet inhoudelijk behandeld tijdens de zitting, omdat de financiële stukken over en weer ontbraken. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat eerst beslist moet worden over het hoofdverblijf en de zorgregeling, omdat die ook van invloed zijn op de alimentatieberekening.
De advocaten van partijen hebben toegezegd met elkaar in overleg te treden over de eventuele hoogte van de bijdrage in de kosten van opvoeding en levensonderhoud van [minderjarige] . De rechtbank heeft op de zitting met partijen besproken dat zij ervan uit gaat dat partijen in overleg een financieel optimum zoeken, dat zowel voor de vader als voor de moeder (en daarmee voor [minderjarige] ) het meest voordelig is. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de alimentatieverplichting op te schorten. Partijen zullen in overleg tot een herberekening moeten komen en iets moeten bedenken voor de overbrugging van de periode dat [minderjarige] volledig bij haar vader verbleef. De rechtbank zal in afwachting van het overleg tussen partijen de procedure drie maanden aanhouden. Voor het geval partijen daar niet uit komen, dienen zij zich nader uit te laten over hun standpunten met onderbouwing. Dat ontbreekt op dit moment.
Afgifte goederen
De vader heeft zijn verzoek tot afgifte van de persoonlijke goederen van [minderjarige] op de zitting ingetrokken, zodat de rechtbank vaststelt dat zij hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 16 februari 2018 van deze rechtbank – :
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ;
bij de vader zal zijn op basis van een ‘week-op-week-af’ regeling, waarbij [minderjarige] de ene week van maandag naar school tot de maandag daarop naar school bij de ene ouder verblijft en de week daarna van maandag naar school tot maandag daarop naar school bij de andere ouder. Als er op maandag geen school is, wordt om 9.00 uur tussen de ouders gewisseld;
*
houdt de (verdere) beslissing over de kinderalimentatie aan tot 24 december 2026 pro forma, in afwachting van berichtgeving van de advocaten, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2026.